Boekbesprekingen
1987-12-04
Ds H. J. Hegger.- Jaargang 31
- nummer 46
"Hoe leef ik met een genadig God?"
Uitg. 'Desondanks', Boulevard 11, 6881 HN Velp. 246 blz., prijs f24,50.
Ds Hegger is een orgineel mens. Dat blijkt al op een van de eerste pagina's van zijn boek. Hij deelt daar mee, dat' een uitgever niet bereid was het boek uit te geven omdat de indruk ontstaan was, dat de uitwerking van het onderwerp anders was, dan men in het algemeen gewend is in rechts-othodox-protestantse kringen.
Ds Hegger besloot daarom het boek zelf uit te geven. Voor zijn (tijdelijk?) uitgeverijtje verzon hij de naam "desondanks".
Ds Hegger, die al verscheiden boeken en brochures op zijn naam heeft staan, heeft inderdaad een eigensoortige aanpak, maar of dit boek daarom niet. zou aanslaan in rechts-orthodox-protestantse kring, waag ik toch te betwijfelen.
Hoewel ik het niet altijd met de schrijver eens ben, heb ik zijn boek toch met grote interesse gelezen.
In dit boek tracht Hegger het reformatorische (en meer Paulinische) "God met ons door Christus" te verenigen met de katholieke ( meer Johanneïsche) traditie van het "God in ons door Jezus Christus". Naar mijn mening is Hegger daarin geslaagd.
Evenals Luther heeft Hegger, toen hij nog r.k. priester was, lang geworsteld met de vraag "hoe vind ik een genadig God". Dit boek is eigenlijk een vervolg' hierop Hij gaat hier in op de vraag "hoe leef ik met die genadige God, wanneer ik Hem eenmaal heb mogen vinden?"
In zijn boek legt hij ook getuigenis af van de strijd, die hij zelf heeft moeten voeren.
Om de lezers enig inzicht te geven in de inhoud, laat ik hier een aantal uitgangspunten van dit boek volgen.
1. De genade is een herstel van de menselijke natuur zoals die door God oorspronkelijk bedoeld was.
2. De genade heelt de door de zonde gewonde en geschonden menselijke natuur.
Ze is niet een extra-injectie van een bovennatuurlijke kracht. De kracht, die wij van de Heilige Geest ontvangen, is niet een fysieke toevoeging aan onze natuur, maar ontspringt aan de Heilige Geest, die in ons wonen en ons vervullen wil en bereikt ons langs het kanaal van het geloof.
5. Het geloof baseert zich op de duidelijke beloften Gods (de begrippelijke lijn), maar "zièt tegelijk de heerlijkheid en de barmhartigheid en de barmhartige liefde van de Belover (de intuïtieve lijn).
6. Het geloof dat door de Heilige Geest in ons gewerkt wordt. richt ons naar Iemand buiten ons, Jezus Christus. Het P. geloof, dat in zichzelf leeg en krachteloos is, ontvangt zijn rijkdom en kracht van zijn Voorwerp.
7. Veel christenen zijn krachteloos, omdat ze nog iets 'van hun' eigen kracht verwachten.
10. Christus is de levende Weg die ons naar de Vader draagt; Hij is de levende Waarheid, niet een verfijnd wandelend Wetboek of handboek van theologie; Hij is het Leven en schenkt het leven, zelfs eeuwig leven.
11. Heiligmaking is voortgezette rechtvaardigmaking dus voortgezette vrijspraak van onze zonden en voortgezette afhankelijkheid van het werk van de Heilige Geest, voortgezette verootmoediging en voorgezette vreugde, "onuitsprekelijke en heerlijke vreugde" (1 Petr. 1:8).
13. Heiligmaking is geen automatisme.
Ze groeit in de gelovige door veel strijd, aanvechting en zelfverloochening heen.
14. De Heilige Geest werkt slechts door het Woord of met het oog op of als gevolg van het Woord, nooit buiten het Woord om.
Ds Hegger vraagt in het bijzonder aandacht voor het werk van de Heilige Geest. Terecht, daar is vaak te weinig belangstelling voor. Toch zet ik hier bij sommige beweringen van de schrijver: een vraagteken. Zo schrijft hij, dat Pinksteren zich herhaalt. Hij heeft ook nogal waardering van de Pinksterbeweging.
Toch zou hij nooit lid van een Pinkstergemeente kunnen worden, omdat hij reformatorische, bijbelse waarden, zoals die in onze Drie Formulieren van Enigheid zijn neergelegd, nooit zou willen missen.
Hij slaakt echter wel de verzuchting:' moge er spoedig een "reformatorische pinkstertheologie' ontstaan, waarin de bijbelse notities die door de Pinksterbeweging aan de orde zijn gesteld, en de bijbelse grondwaarheden van onze reformatorische belijdenis geschriften tot een harmonisch geheel zijn verwerkt.
Daardoor zouden de kerken van de gereformeerde gezindte misschien een bijbelse vernieuwing kunnen ondergaan.
Hierin kan ik de schrijver niet volgen.
De unieke tijd, de eenmalige Pinksterperiode is voorbijgegaan. Het moge waar zijn, dat het vaker "Pinksteren" is geweest dan op die ene dag, waarvan Hand. 2 verhaalt. Maar een periode , met zulke gaven is er maar één keer geweest, nl. ten tijde van de apostelen.
Die periode is uniek geweest, enig. Aldus ds C.Vonk in "Eenmaal Pinksteren"
Ondanks enige bezwaren kan ik dit geschrift van ds Hegger toch zeer ter lezing aanbevelen.
J. Meulink, Enschede
Ingrid en Walter Trobisch.
"Ik wilde dat ik kon vliegen "
Kok BV, Kampen 1987
Walter Trobisch, beroemd door zijn eerste boekje "Ik had een meisje lief”, schreef samen met zijn vrouw een aantal rondzendbrieven, die door hun zoon David zijn uitgegeven.
Het echtpaar Trobisch was door de Lutherse Kerk uitgezonden voor pionierszending in Cameroun, Centraal Afrika, Daar ervoeren man en vrouw de verschillen en overeenkomsten tussen het traditionele Afrikaanse familieleven en de ontwortelde moraal van de Westerse beschaving. Terwijl zij tastend en met Gods hulp hun weg vonden in het donkere Afrika en daar het licht van het Evangelie verspreidden. merkten zij op, dat de Westerse problemen eigenlijk parallel liggen aan de Afrikaanse.
In hun rondzendbrieven aan vrienden deelden zij nu hun verrijkende ervaringen mee. Daarmee beloonde Afrika ruimschoots de haar ten koste gelegde Investeringen.
De schrijvers namen veelal een tekst als uitgangspunt. In een ervan wordt hun 'internationale ruilhandel' duidelijk belicht: "Wie heeft, hem zal gegeven worden: maar wie niet heeft, van die zal genomen worden wat hij heeft" (meent te hebben, zegt Lucas 8). De schrijvers nu zeggen - aangezien deze tekst zowel slaat op talenten, als op het verstaan van het Woord, als op het doorgeven van licht - dat hier het hart van de christelijke naastenliefde klopt. Immers wie van het hem gegevene deelt met zijn naaste, ontvangt rijk loon: maar wie de genadegaven niet met anderen deelt, die verliest wat hij gekregen had.
Ook over het "zouteloos worden" van zout geven zij een opvallende exegese.
Zout, keukenzout, kàn natuurlijk niet smakeloos worden, kan zijn smaakgevende en bederfwerende eigenschappen niet verliezen. Maar door het zout ongebruikt te laten, dan wel er misbruik van te maken, komen de eigenschappen van het zout (der wereld) niet tot hun recht. Dat zijn dus twee gevaren voor de christenheid: de wereld onberoerd laten, dan wel in de wereld opgaan.
Het prachtige werk dat dit echtpaar voor het Afrikaanse gezins- en huwelijksleven heeft gedaan kan stof geven voor een afzonderlijk artikel.
Het boekje van 93 pagina's zit boordevol schone ervaringen en waardevolle belichting van Schriftplaatsen. Men leze het.
D.W.L.M.