De verstokte farao

1988-11-04
  • Jaargang 32
  • nummer 41
Wie het bijbelbericht over de plagen van Egypte onderzoekt, komt niet heen om het vraagstuk van de verharding van de farao. Dat is voor heel wat reformatorische en evangelische christenen een beladen onderwerp. Ze hebben er doorgaans een rechtlijnige opvatting over. Ongeveer alsvolgt: al in 4 : 21 zegt de HERE dat Hij het hart van de farao verharden zal. Dus heeft die koning bij God nooit een èchte kans gehad om zich voor Hem te verootmoedigen.
Deze opvatting van verharding door God heeft volgens mijn inzicht het geloof van vele volksstammen belast met een hypotheek die niet bijbels heten mag. En die dan ook ondragelijk is. Gaat U maar na: als de HERE 'zo maar' het hart van een mens verhardt, kunje die HERE dan wel vertrouwen en liefhebben? Je weet toch nooit wat Hij met jóu van plan is? Je bent toch niet zeker van Zijn gezindheid tegenover jou?
Dát zit er allemaal vast aan de gedachte dat de farao van de uittocht nooit een echte kans van de HERE heeft gehad. Genoopt en gedoemd zou zijn tot de rol van slachtoffer in een soort kat-en muis-spel. De boodschap vin. die God van Israël werd hem wel gebracht, maar de antenne ervoor zou de HERE bij voorbaat hebben weggenomen! En keus van buigen of barsten zou hij niet gehad hebben, want het zou bij voorbaat hebben vastgestaan dat het barsten worden zou.
M.i. geeft de Schrift zelf aan dat deze rechtlijnige redenering niet met haar getuigenis strookt.

Drie groepen teksten
Om dit in te zien, moeten we letten op de woorden waarin sprake is van verharden, (niet- )vermurwen, verstokken.
Die vallen in drie groepen uiteen:
a. de instructies van de HERE aan Mozes vóór de grote confrontatie met de farao: 4: 21 V.v. (vgl 3: 19 v.v.) en 7: 3 (vgl. 5 : 24, 6: 5); b. wat gemeld wordt vóór plaag 1 en ná de plagen 1,2,3,4,5 en 7 (resp. 7: 13 v., 7: 22,8: 15,8: 19,8: 32, 9:7,9:34v.); c. wat gemeld wordt na de plagen 6, 8, 9, bij de aankondiging van plaag 10 en van de catastrofe in de Rietzee (resp. 9: 12, 10: 1, 10: 20,10: 27, 11 : 10,14: 4,8,17).

Zorgvuldige lezing en afweging leert ons - dunkt mij - dat de farao door de HERE niet op voorhand tot 'speelbal van Gods toom' is gedoemd. Maar dat de man zichzèlf in de escalatie van zijn prestige-slag met die God van Israël zózeer tot de rol van tegenspeler Gods heeft bestemd, dat er op een gegeven moment geen weg terug meer was. Meer mocht zijn van de HERE!

Instructie aan Mozes
Twee maal is hier sprake van verharding door de HERE. In 4 : 21-23 bij Mozes' terugkeer naar Egypte. En in 7 : 3 voor het begin van Mozes' definitieve confrontatie met de farao.
Moeten we die woorden nu zó verstaan, dat de HERE aankondigt, direct te beginnen met het verstokken van farao's hart? Neen, Mozes moet weten wat hem te wachten zal staan.
Dat het heel hóóg gaat lopen. Zó hoog dat de HERE - tenslotte - zal zeggen: Mijn zoon Israël! Of uw zoon, farao, god-koning van Egypte! Dat is - weten we - het toppunt van een climax die pas in 12 : 29 wordt bereikt. Het hoort niet bij de begin-fase maar bij de eind-fase! En dàt geldt nu m.i. ook .van Gods Woord over zijn verharding van farao's hart.
Dat is een zaak van. de eind-fase van het conflict! Ik meen dan ook dat het onjuist is deze woorden zo te lezen, alsof de HERE van meet af aan begon het hart van die farao te verharden.
Daar begon GOd niet mee! Dat deed de koning zèlf!

Vóór plaag 6-7
Ik stel dat we in deze woorden het proces van het verzet van de farao tegen God tot ontwikkeling zien komen.
Zijn hart verhardt, is onvermurwbaar, hij laat het niet vermurwen, staat er. Al opponerend tegen de HERE bereikt hij een punt waarop hij niet meer terug kàn! Hij wordt - zeggen wij ook! - de gevangene van zijn eigen halsstarrigheid. Dat máákt God dan ook zo. Als hij zich dan beslist' niet buigen wil, màg hij van God tenslotte niet meer! Zijn hardnekkigheid die eerst zijn keus was, wordt dan de straf die God hem oplegt. Iets dergelijks in 2 Thess. 2: 10 v.: mensen die de waarheid niet wilden geloven, krijgen van de HERE een kracht van dwaling gezonden waardoor zij de leugen móeten geloven!

Ná plaag 6-7
De overgang naar het stadium dat God zijn hart verhardt, komt voor de farao na plaag 6 (9: 12). Nog eenmaal is er sprake van zelfverharding, na plaag 7 (9: 34 v., zie echter 10 : 1). Maar dan is het ook àfgelopen, zoals de HERE 10 : 1 uitdrukkelijk aan Mozes aangeeft. Compleet met het heilige doel dat Hij met dit geduchte werk van Hem heeft, vs 2.
Men zal zich afvragen: is er ook een aanwijzing voor dat er een proces van zelfverharding door de farao op gang is gekomen, waarbij tenslotte bij de HERE de maat vol raakt? (Men vergelijke voor de uitdrukking 'de maat vol' Gen. 15 : 16! M.i. is daar sprake van een soortgelijk verhardingsproces bij de Amorieten. ) Zo'n aanwijzing is er. En wel in 9 : 15 v. Pas daar, bij de aankondiging van de 7e plaag, zegt de HERE waarom Hij zijn nu onbekeerlijk geworden tegenstander nog laat bestaan.
Hij hàd hem kunnen wegvagen, zegt God, maar Hij doet dat niet opdat vriend en vijand aan het oordeel dat hem te wachten staat zullen zien wie de HERE is. De farao die denkt aan zijn stand verplicht te zijn de God van dat volkje Israël te trotseren, zal nu moeten dienen om de Naam van die God heerlijk te maken.

Besluit
Zorgvuldige lezing van het relaas van Exodus leert ons m.i. niet dat de HERE 'zo maar' de farao verhardde.
Maar dat er een - door God aan Mozes aangekondigd - proces op gang kwam dat niet begon maar eindigde met verharding van 's konings hart door de HERE.
In een eerder artikel vestigde ik de aandacht op wat Barbara Tuchman in haar boek 'Mars der dwaasheid' schrijft (Opbouw jrg. 32, no. 21, p. 169). Zij ziet een 'mechanisme der dwaasheid' werken in de geschiedenis . Waardoor er een stadium komt waarin dwazen ondanks goede raad en waarschuwing van de fatale gebondenheid aan eigen dwaasheid niet meer los kunnen komen. Dàt is wat we ook hier in Exodus vinden. Alleen, in Exodus wordt het betuigd door een 'mens Gods, door de Heilige Geest gedreven'. In Tuchman's relaas wordt het waargenomen van de kant van de mens.
Mij dunkt: een belangrijk gegeven over 'de hand Gods in de geschiedenis'!

En - misschien wel véél belangrijker!
- niemand hoeft te vrezen dat de HERE 'zo maar' het hart van een mens verharden zou!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief