De klokken van Speyer
1986-06-20
Er bestaat een oude middeleeuwse legende over de klokken van de vroegere Duitse hoofdstad Speyer aan de Rijn, in de Palts. De legende heeft, als elke legende, een historische grondslag. En ook deze legende is in de tijd van de Romantiek graag zingend doorgegeven. "Die Glocken zu Speier" is gedicht door M. von Oër en wondermooi op muziek gezet door Carl Löwe.- Jaargang 30
- nummer 25
Het verhaal, dat door zijn muzikale vorm een ballade geworden is, spreekt van twee Duitse keizers, een "ware" en een "valse". Dat zijn Heinrich de Vierde en zijn zoon Heinrich de Vijfde, die eens te Speyer zetelden.
Beiden hebben een belangrijk aandeel gehad in de -bouw van de grote Domkerk (gesticht tussen 1030 en 1061) welke een der grootste en mooiste Romaanse kerkgebouwen van Duitsland wordt genoemd.
Die domkerk heeft vier machtige forens, waarin een aantal klokken 'zich regelmatig doet horen. Voor het avondluiden bijvoorbeeld kunt u de vierklank la-do-mi-sol beluisteren: Voor feestdagen komen natuurlijk grotere combinaties in werking. En er zijn ook speciale klokken, die bij uitzondering gebruikt worden. Daar gaat deze ballade over. Luister maar naar de eerste coupletten:
Zu Lüttich. im letzten Hiiuselein, da liegt ein Greis in Todespein. Sein Kleid ist schlecht, sèin Lagerhart, viel Tränen rinnen in sein Bart. Er hilit ihm Keiner in seiner Not, es hiljt ihm nur der bittere Tod.
Het was de Duitse keizer Heinrich de Vierde, die naar Luik verbannen in een afgelegen huisje - arm, onbekend en onverzorgd - zijn levenseinde vond, in het jaar 1106. Ver van zijn vaderland, dat hem lief was en dat hem liefhad, had' hij in België een schuilplaats gevonden tegen zijn vijand, de paus -van Rome. Hij was al eens eerder door een pauselijke banvloek 'getroffen - en wel in 1076/7 onder Gregorius VII - maar dat vonnis had hij door zijn bekende boetetocht naar Canossa handig weten te verijdelen. Toen had hij zijn oude macht herwonnen. Maar later schijnt deze 'drieste vorst opnieuw het pauselijk ongenoegen te hebben gewekt, waarbij paus Paschalis II hem naar België verbande. Niet dat deze paus al bij voorbaat zo heilig was (er waren niet minder dan drie tegenpausen tijdens zijn ambtsperiode) maar de machtsstrijd tussen kerk en wereld was goed op gang. En zie nu wat gebeurde bij het levenseinde van de verbannen vorst:
Und als der Tod an's Herze kam, da tönt's in Spe ier wundersam.
Die Kaisergloeke, die lange verstummt, van selber tief und langsam brummt, und alle Gloeken gross und klein mit vollem Klange [allen ein. Da Heisst 's in Speier weit und breit: der Kaiserist gestorben heut! Der Kaiser starb, der Kaiser starb, weiss Keiner wo der Kaiser starb?
Een legende heeft altijd een geestelijk, zo niet een bovennatuurlijk, element. Hier was het wonder: dat de grootse klok van Speyer, de zogenaamde keizersklok, vanzelf ging lulden toen de verbannen keizer te Luik overleed en dat de andere klokken mede hun stemmen gaven. Zodat ieder mens in Speyer en omgeving zich afvroeg: wáár is onze keizer gestorven? Waar is onze Heinrioh de Vierde?
Niemand wist het antwoord: ergens in België, dichtbij de Nederlandse grens. Niemand kon de keizer in zijn laatste ogenblikken bijstaan of hem de laatste eer bewijzen. Zijn begrafenis In gewijde grond kon trouwens pas vijf' jaar later plaats vinden, toen de zoon de paus had weten te vermurwen.
De componist Carl Löwe heeft van deze eerste twee coupletten wat moois gemaakt. Begint het lied, als een treurig bericht, plotseling geeft elke maat een diepe toon A (de keizersklok), gevolgd door een steeds zich wijzigend akkoord (de andere klokken). Zodat het dwingend ritme met de schone harmonieën samen de vorm van een statelijke processie aannemen: de pontificale uitvaart van een geliefd vorst. Zodat het Duitse volk ten volle wordt betrokken bij .de dood van Heinrich de Vierde. Maar nu komt het contrast, de tweede helft van de ballade.
Zu Spe ier, der alten Kaiserstadt, da liegt auf goldner Lagerstatt mit mattem Aug und welker Hand, der Kaiser, Heinrieh der Fiinjtegenannt, Die Diener, sie laufen wohl hin und her, der Kaiser röehelt tief und sehwer.
Ja, de zoon die de geschiedenis is ingegaan als een ontrouwe bedrieger, gezeten op de troon van zijn verbannen vader, kwam ook tot een 'laatste dag. Dat was in het jaar 1125. Uiteraard te Speyer in het keizerlijk paleis. En de plaatselijke' klokken, die zich zo kostelijk hadden geweerd bij de dood van de verbannen keizer, lieten verstek gaan toen de zoon op sterven lag:
Und als der Tod an's Herze kam, da tönt 's auf einmal wundersam. Die kleine Gloeke, die lange verstummt, die Armesûnderglocke summt, und keine , Gloeke stimmet ein, sie klinget fort und fort allein. Da heisst 's in Speier und weit und breit: wer wird denn wohl .geriehtet heut? Wer mag der arme Sünder sein? Sag' an, wo mag die Riehtstätt sein?
Ook bij de "valse" keizer voltrekt zich een klokkenwonder. Maar nu is het het arme zondaarsklokje, dat het volk naar een terechtstelling roept. En de componist illustreert ook dit wondere gebeuren met verve: het klokje A klinkt vier octaven hoger dan de keizersklok, en het klept onrustig met een zeer zuinige begeleiding, in droevig mineur. Het volk loopt wel te hoop, maar nu zich niet bewust van een stervende vorst - doch denkend aan een ter dood veroordeelde boef.
Zo luidt de legende en de historieschrijver 1) geeft het verhaal onveranderd door. Hij garandeert niet dat de klokken door een wonder zijn gaan luiden. Hij laat de mogelijkheid open, dat enkele lieden op de hoogte zijn geweest en illegaal de klokken hebben geluid. Maar de 'legende houdt graag enige details in de mist; daar is zij legende voor. Op deze wijze blijft de geschiedenis doorgegeven, tot in verre geslachten.
Nu al 25 geslachten lang. En de zin van deze ballade? Elk mensenkind verstaat immers, dat wij loon naar werken hebben te wachten; niet pas later, maar in dit leven reeds.
Speyer is onze aandacht waard, niet alleen om zijn klokken. Ook omdat de naam "protestant" aldaar is ontstaan!
Het was in 1526 dat de eerste Rijksdag van Speyer werd gehouden. Daar werden kerkelijke en wereldlijke aangelegenheden geregeld; onder meer werd aan de gereformeerde belijders enige ruimte toegestaan. Maar op de tweede Rijksdag van Speyer in 1529 werd deze ruimte teruggeschroefd door een Rooms-katholieke meerderheid
Vijf evangelische vorsten en veertien steden dienden terstond een acte in, protestacion genoemd, waarin zij de onwettigheid van dit besluit 'aantoonden. Zulk een besluit moest namelijk, om wettig te zijn, met algemene sternmen zijn genomen. 2) Deze "protesterende" minderheid was dus niet anti-rooms, maar vocht een betwistbaar staatkundig besluit aan. Men vroeg recht op grond van de geldende Duitse wetten.
Toch werden nadien de gereformeerden meer en meer "protestanten" genoemd, Zelfs het Concilie van Trente (1545-1563) spreekt over "hen die zich protestanten noemen". Daardoor kreeg het woord wel een 'antiroomse betekenis.
Die betekenis wilden de theologen er aanvankelijk bepaald niet aan geven: Wie op verzoening hoopten gebruikten het woord dan ook in niet-polemische zin; zoals bijvoorbeeld Hugo de Groot deed. De enige geloofsbelijdenis intussen, die het woord protestant gebruikt, is de Schotse Confessie 3) van 1560.
Noten
1) Fritz Klotz, Speyer, Kleine Stadtgesehichte.
2) WP Ene. onder Protestantisme en Canossa:
3) Confession of Faith by the Protestants.