Moeten wij lid worden van het OJEC (5 - slot)
1987-12-18
- Jaargang 31
- nummer 48
Het unieke van onze situatie
Hoewel ik eigenlijk wel klaar ben met de behandeling van de in de titel gestelde vraag, wil ik nu nog een soort van nabeschouwing geven. Ik doe dat door aan te knopen bij de kern van de voorgaande artikelen. Wat was die kern? Voor mij is dat deze vraag: welke kant wijst het Oude Testament uit? De kant van het Nieuwe Testament of de kant van de Talmoed? Als Wet en Profeten de gemeenschappelijke bron zijn van jodendom en christendom, zijn Talmoed en Nieuwe Testament dan twee legitieme wegen die men van daar uit kan volgen of dwingt die ene bron tot een keuze? En welke dan wel? Ik geloof dat wij het jodendom het meest eren en dienen als wij het zijn aanspraken op Wet en Profeten serieus en beargumenteerd betwisten.
En zelf voel ik mij als christen ook au sérieux genomen, wanneer men mij van joodse zijde zeer kritische vragen stelt over de wijze waarop het Nieuwe Testament met het Oude omgaat.
Wat dit laatste betreft denk ik dat wij aan christelijke zijde een periode van kwetsbaarheid binnengaan. Het is niet langer zo dat wij tegenover de joden het gelijk van de macht en de macht van het gelijk hebben. Wij zijn een onttroonde kerk geworden. Ik acht dat in bepaald opzicht winst. Nu kan in het gesprek beter dan ooit de kracht van de argumenten getoetst worden. Beter dan ooit?
Maar dat was toch in de begintijd van het konflikt evenzeer het geval? Nee, want toen stond het gesprek onder de druk van de joodse in plaats van de christelijke overmacht. Nu zijn we aan beide kanten minderheid geworden en als zodanig tegen elkaar opgewassen.
Dat is het unieke van onze situatie. Het zou jammer zijn als wij deze kans uit vrees voor antisemitisch rumoer voorbij zouden laten gaan. De tijd voor een evenwaardige konfrontatie zou namelijk wel eens kort kunnen zijn, even kort als tussen eb en vloed.
Antisemitisme hèt gevaar?
Over antisemitisch rumoer gesproken, het kan niet ontkend worden dat er opnieuw voor de joden dreigende geluiden te beluisteren zijn. Maar van de andere kant vind ik dat men overdrijft. Het is net of de pers nu weer een nieuw hot item gevonden heeft om de algehele verveling die vooral de wereld van de intellektuelen in haar greep heeft en om steeds sterkere prikkels vraagt, te verdrijven.
Het signaleren en alert maken ontaardt duidelijk in paniek-zaaierij.
Het gaat bij de betreffende verschijnselen immers om slechts kleine uitwassen die zeker niet leven op de bodem van onze volksziel en waar de openbare macht stellig en met gemak tegen opgewassen is. Intussen raakt zo de sfeer voor wezenlijk en indringend gesprek steeds meer vertroebeld. En het geschrijf van auteurs als dr Simon Schoon en dr Hans Jansen is daar mede debet aan. Het is mede hun schuld dat alles wat door christenen vanuit het evangelie als serieus bezwaar tegen het joodse geloof wordt ingebracht, wordt afgedaan met de zes miljoen van de holocaust.
En het is mede een gevolg van hun boeken dat bij het protesteren tegen het infame stuk van een Fassbinder borden omhoog worden gestoken met het opschrift '2000 jaar antisemitisme is genoeg', - alsof de bestrijding van het joodse geloof door de kerk de geschiedenis door van het zelfde allooi zou zijn als deze oridinaire vuilspuiterij.
Ik pleit voor een geestelijk gesprek. En ik voel me in mijn pleidooi hiervoor gerugsteund door wat de joodse filosoof dr George Steiner (die dezer dagen 10 Leiden de Huizinga-Iezing hield) in een interview van de NRC op 4 december j.l. zegt: "Wanneer een of andere antisemiet de kamer binnenkomt en zegt: Jullie joden zijn bankiers, bloedzuigers...dan smijt ik hem eruit. Zo'n man is mij te dom. Maar wanneer (... Iemand ... ) zegt: in de psalmen, in de thora wordt Christus precies voorspeld, het messianisme wordt aangekondigd, maar dan komt de messias en jullie wijzen hem af. Op dat moment hebben jullie je tot een soort historische zelfmoord veroordeeld en de mensheid meegesleept in de (die?) gruwelijke geschiedenis, een geschiedenis die theologisch een catastrofe is geworden met Auschwitz als logisch gevolg... Tegen gedachten van dit niveau wil ik argumenten inbrengen". Ik wil niet zeggen dat ik mijzelf in het afgeschilderde standpunt helemaal herken (in het eerste deel 10 ieder geval meer dan in het tweede deel), maar dat zoeken naar niveau ja, dat is precies wat ik bedoel.
Een derde herinnering
Het gesprek moet over de teksten gaan, de teksten van het Oude Testament. En wat ons als christenen betreft, vooral de manier waarop het Nieuwe Testament het Oude hanteert moet in diskussie komen. Afgezien van het gesprek met de joden is dat toch al een heet hangijzer.
Wie die zich verdiepte in de eigenaardige omgang van het Nieuwe Testament met het Oude, heeft wel niet eens naar zijn hoofd gegrepen": Wat? Kàn dat? Tot dusver kon het gesprek hierover 'binnenshuis' en in een sfeer van welwillendheid gevoerd worden.
We 'namen' het (om zo te zeggen) van de Heilige Geest dat Hij het zo deed en niet anders. Er was immers toch geen alternatief? Maar die betrekkelijk knusse sfeer van christenen onder elkaar (rechtzinnig en vrijzinnig) is vandaag echt bezig open te breken. Er begint nu een koude vrieswind van kritiek te waaien van een kant die wèl een alternatief meent te hebben, namelijk het joodse in plaats van het christelijke lezen van het Oude Testament.
Ik wil hier een derde herinnering te berde brengen, naast die van mijn synagogebezoek in Groningen en die van mijn ervaring met Nes Ammim. Het was op een bijeenkomst, belegd trouwens door het OJEC als ik me niet vergis, van joodse en christelijke: theologen*) aan de VU, waar het gebruik dat het Nieuwe Testament van het Oude maakt ter sprake kwam. Ik zie hem nog vóór me, die rabbijn, die zich op hoogst emotionele wijze opwond over de manier waarop het Nieuwe Testament zijn boodschap uit Wet en Profeten meent te kunnen 'bewijzen' en waarop het de Schriften in stelling brengt tegen de joodse schriftgeleerdheid uit het begin van onze jaartelling.
Wat was hij boos over dat 'geknoei', zoals hij zich uitdrukte. "Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren ... ", bijvoorbeeld.
Toen ik dat hoorde kwamen twee gedachten bij mij op. De eerste was deze: wat zit deze man met duizend draden verbonden aan zijn kollega 's van de eerste eeuw! Wat identificeert hij zich met hen! Zou hij dat ook doen als het gaat over het vonnis dat de joodse instanties destijds over onze Here Jezus hebben geveld? Uit zijn oprechte verontwaardiging kreeg ik het gevoel van wel. Ons wordt tegenwoordig nog wel eens voorgehouden dat het jodendom van toen niet het jodendom van nu is. Dezelfde christenen die met het grootste gemak Auschwitz in de schoenen van de kerk schuiven, protesteren (en procederen zelfs) hartstochtelijk als er een verband gelegd wordt tussen wat de joden toen deden en wat ze nu lijden. ,,In de week vóór Pasen in 1987 spraken de kerken zich openlijk uit tegen het anti-judaïsme (naar aanleiding van de zaak-Goeree) en benadrukten dat de schuld aan het lijden van Jezus op geen enkele wijze aan het joodse volk verweten mag worden" (Schoon, p. 108). Mag dat niet vanwege de tijdsafstand tussen toen en nu! Beseft men dan niet dat een tijdsafstand van vele eeuwen veel minder groot kan zijn dan een geestelijke afstand tussen twee werelden (tussen die van de kerk en van Hitler, bijvoorbeeld)?
Als ik het religieuze jodendom van nu hoor vind ik het konsistent met het jodendom van toen en daaruit maak ik op dat ik ze beide verantwoordelijk mag houden - nee, niet voor het kruis van de Heiland en al het bloederige dat tot die tijd behoort, maar wel voor de afwijzing van Jezus als de messias. Ik wil de synagoge wel graag serieus blijven nemen.
Kwetsbaarheid
Maar er was nog een gevolgtrekking die ik maakte uit de woorden en het optreden van die rabbijn. Het was eigenlijk voor het eerst dat ik besefte hoe kwetsbaar de kerk is in haar beroep (achter het Nieuwe Testament aan) op het Oude Testament. Laat ik een poging doen die kwetsbaarheid zo pijnlijk mogelijk te doen uitkomen. Daarvoor ga ik naar een woord van de Here Jezus zelf. Naar die plaats in het evangelie waar Hij zich op psalm 110 beroept om de joden te laten nadenken over de titel 'Davidszoon' die ook in hun midden aan de messias gegeven werd (zie Matth. 22:41-46). "Hoe kan David door de Geest zijn zoon zijn Heer noemen, als hij toch zegt: De HERE heeft gezegd tot mijn Heer: zet u aan mijn rechterhand totdat Ik uw vijanden onder uw voeten gelegd heb? Indien David hem 'Heer' noemt, hoe kan hij dan zijn zoon zijn?" De kracht van dit argument schijnt uitsluitend hierop te berusten dat het opschrift boven deze psalm volstrekt serieus genomen wordt: 'van David'. David is de spreker van wat volgt. Maar wij, historisch geschoolde mensen van de twintigste eeuw die wij zijn, wij hebben geleerd om althans met de mogelijkheid te rekenen dat deze opschriften boven de psalmen liturgische toevoegingen uit later tijd zijn en dat de psalm oorspronkelijk wellicht op de tong van een tempeldienaar gelegen heeft: "De HERE heeft gesproken tot mijn heer (de koning)..." Is hierdoor de hele argumentatie nu krachteloos geworden?
Nee, want inhoudelijk is het volkomen waar wat de Here zegt. Kijk maar naar andere teksten waarin David zich profetisch uitlaat over de toekomstige zoon op zijn troon. Bijvoorbeeld psalm 72. De koningszoon is daar de wereldregeerder geworden en gaat als zodanig de maten van het menselijke ver te boven en te buiten. Onmiskenbaar is de zoon daar Davids meerdere, zijn Heer. Zeker, maar de weg van deze bewijsvoering, via het opschrift en de eerste regel van psalm 110, kunnen wij niet meer zo onbekommerd volgen als ons voorgeslacht. Daarin zit iets van een voor goed voorbije tijd. Hetzelfde valt te zeggen van de behandeling die weer een andere psalm, de bekende achtste, in Hebr. 2:5-9 ondergaat. Ook daar moeten we onderscheiden tussen een tijdgebonden methode van redeneren en een resultaat van blijvende geldigheid dat langs andere weg uit dezelfde psalm verkregen kan worden.
En ach, eigenlijk bij zoveel andere teksten is de argumentering voor ons niet direkt mee te maken en bij te vallen en moet er een verhaal bij om, haar sprekend te krijgen. Het is dan trouwens wel zo dat we door die zwakheid heen bij grote kracht terecht komen en de Here Jezus gelijk moeten geven wanneer Hij zegt dat de Schriften van Hem getuigen (Joh. 5:39). Dat wel.
En nu nog de vraag waarom ik in dit verband met deze kwetsbaarheid kom.
Leidt dat niet tot een verzwakking van de christelijke positie? De reden is een eenvoudige. Het kan haast niet anders of we zullen in de nabije toekomst te maken krijgen met scherpe aanvallen van de synagoge of haar christelijke paladijnen op de wijze waarop het Nieuwe Testament zijn getuigenis opbouwt op dat van Wet. Profeten en Psalmen. Om deze aanvallen goed te kunnen weerstaan zullen we eerst door die kwetsbaarheid heen moeten. om zo met des te meer kracht de Christus-der-Schriften aan joden en niet-joden te kunnen verkondigen.
*) Sinds ik het boek van dr Schoon gelezen heb, durf ik het woord 'theologen' ook voor joden te gebruiken: inderdaad is een boek als van Harald Kushner "Als het kwaad goede mensen treft" een theologische publikatie, p. 103 e.v.
De lofzangen op het ondogmatische karakter van de joodse godsdienst die je onder evangelische christenen nog wel eens hoort opklinken, zeggen dan ook meer over de zangers dan over de bezongene