Leid ons

1986-06-27
  • Jaargang 30
  • nummer 26
Het 'Onze Vader', liet gebed dat onze Here Jezus Christus ons als Gods volk onderweg naar Gods Koninkrijk heeft leren bidden, omval twee drietallen beden. Het eerste drietal gaat over het doel van de reis, het tweede over wat we onderweg nodig hebben. Dat is, hebben wede vorige keer' gezien, allereerst levensonderhoud: dagelijks brood,en in de tweede plaats vergeving van zonden, een voortdurend herstel van onze band met God, die telkens weer door ons, zondige mensen geschonden wordt. Het tweede is even broodnodig als het eerste, want als de HERE niet met ons mee gaat en blijft gaan, komen en blijven we nergens. Gods volk onderweg naar Gods toekomst heeft voortdurend zijn leiding en bescherming nodig. Om die leiding en bescherming leert Jezus ons bidden met de woorden: "Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze".

De HERE heeft zijn volk Israël op weg naar Kanaän meermalen moeten' beschermen tegen en verlossen van 'boze' vijanden, die erop uit waren het te vernietigen: Egypte en Amalek, die het met het zwaard wilden doen, de koning van' Moab, die zijn toevlucht nam tot een ander, volgens de opvattingen van die dagen niet minder effectief middel. Van deze vijanden verloste de HERE zijn volk telkens op een andere manier. Tegen Egypte streed Hij zelf, terwijl het volk niet anders hoefde te doen dan 'stil zijn' (Ex. 14 : 14).
Tegen Amalek moest Israël zelf strijden, maar de HERE zorgde voor de overwinning. Koning Balak van Moab zag zijn plannen in rook opgaan, toen de God van Israël de vloek van Bileam in zegen verkeerde (Num. 22).
Opvallend bij de strijd tegen Amalek is, welk een belangrijke rol het gebed daarbij speelde. Zo maakte de HERE zijn volk op aanschouwelijke wijze duidelijk, dat er gebeden moet worden: "verlos ons van de boze". Amalek krijgt trouwens in Ex. 17 en in Deut. 25 in hoge mate de trekken van de boze; de vijandschap tussen Israël en Amalek is met niets anders: te vergelijken dan met die tussen het vrouwenzaad en het slangenzaad in Gen. 3.
Toen Farao's legermacht Israël bedreigde, was Gods beschermende aanwezigheid zichtbaar in de wolk, die het de Egyptenaren gedurende de nacht onmogelijk maakte dichterbij te komen (Ex. 14: 20). Diezelfde wolk was het ook die voor het volk uit ging in de woestijn als teken van Gods leiding. Om die leiding vragen ook wij, als we bidden: "leid ons niet in verzoeking".

Wat 'niet in verzoeking leiden' inhoudt, daarvan vinden we in de geschiedenis van de woestijnreis een prachtig voorbeeld, en wel meteen aan het begin: Ex.13 :17. "Toen Farao het volk had laten gaan, leidde God henniet op de weg naar het land der Filistijnen" hoewel deze de naaste was; want God zei: Het volk mocht eens berouw krijgen, wanneer zij in strijd gewikkeld werden,' en naar Egypte terugkeren." Dat deed dezelfde God, die zijn volk wel in strijd gewikkeld deed raken, met de Amalekieten! Gods leiding betekende dus niet; dat Hij zijn volk èlke strijd bespaarde. Integendeel, in Deut. 8: 2 zegt Mozes: "Gedenk dan heel de weg waarop de HERE uw God u deze veertig jaar in de woestijn heeft geleid, om u te verootmoedigen en u op de proef te stenen ten einde te weten, wat er in uw hart was."
De HERE leidde zijn volk dus met opzet zo, dat beproeving niet uitbleef. Ook ons gebed "Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze" verhoort de HERE nu eens door ons strijd, verzoeking te besparen, dan weer door ons in de strijd bij te staan. In ieder geval verzekert Paulus ons: "God zal niet gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt." (1 Cor. 10 :13). Dit alles dankzij Hem die in onze plaats door de Geest naar de woestijn is geleid om verzocht te worden door de' duivel, en die heeft stand gehouden.
Dat kon Hij vanwege zijn zondeloze trouw jegens zijn Vader, maar ons heeft Hij leren bidden: "leid ons niet in verzoeking". Wij mogen de verzoeking van ons af bidden, maar dat. betekent ook, dat we haar niet moeten' opzoeken. De woorden: "want van U is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot 'in eeuwigheid", zijn waarschijnlijk niet van Jezus zelf afkomstig, maar uit de liturgie van de oudste gemeente.

Dat neemt niet weg, dat ze een bijzonder passende afsluiting vormen van het gebed des Heren. Ze grijpen namelijk terug op de eerste drie beden. De gemeente spreekt erin de zekerheid uit, dat de dingen waarom ze in die eerste drie beden gevraagd heeft, werkelijkheid zullen .worden, omdat ze in God al werkelijkheid zijn. Uw Koninkrijk, zegt de gemeente, zal komen, want van U .is het Koninkrijk; uw wil zal geschieden, want van U is de kracht, zodat niets of niemand zich blijvend tegen uw wil kan verzetten; uw naam zal geheiligd worden, want van U is de heerlijkheid. En dat alles 'tot in eeuwigheid'; daarmee wordt niet zozeer bedoeld 'voor altijd', als wel 'tot in' of 'met uitzicht op de toekomende eeuw': In God is het toekomstige er al, daarom kunnen we er zeker van zijn, dat het komen zal, dat we het doel van onze' reis, de toekomende eeuw, bereiken zullen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief