Zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen, ontfermt de Here Zich over wie Hem vrezen
1986-06-27
Ds A. H. Algra is afgelopen week begraven. Ds G. v.d. Brink sprak bij die gelegenheid de volgende woorden: - Jaargang 30
- nummer 26
Lieve Hilly, kinderen, kleinkinderen, familie, vrienden, We hebben onze lieve dode meegenomen nu we nog een ogenblik stil zijn om naar de Here te luisteren. Onze God spreekt immers niet op een verre planeet, maar midden in ons verdriet. Zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen, ontfermt de HereZich over wie Hem vrezen.
De Hebreeuwse taal gebruikt voor "ontfermen" het werkwoord racham. Laat ik uit een simpel woordenboek mogen overschrijven wat racham betekent. Dan zijn we tegelijk weer bij Arend zoals hij de laatste maanden zat op zijn stoel aan de Nieuwe Waterweg.
Het woordenboek zegt: "racham drukt uit een diep en teder gevoel van compassie (medelijden), zoals dat opgewekt wordt bij de aanblik van zwakheid en lijden van hen die ons lief zijn en aangewezen zijn op onze hulp". Het was het gevoel, Hilly, dat over je kwam en dat je met geen pen kon beschrijven, als je je over Arend heen boog en zei: "Jongen is het zo zwaar?", We zouden ons dit gevoel moeten denken in het hart van een oude, nog gezonde vader, die binnenstapt bij zijn doodzieke, stervende. zoon: "Jongen! Jongen!". Zó ontfermt zich de Here over zijn kinderen. Denk aan het beeld van een oudere vader, een röntgenoloog, die zijn zoon voor zich krijgt op het scherm en ziet dat alles verloren is. Het gevoel van een vader voor zijn dochter van twintig die aan de heroïne is: "Kind, kindje!" Het is de aanblik van onze zwakte en ons lijden die de Here zo bewogen maakt. Lees maar wat direct volgt op vers 13, het want van vers 14: want Hij weet wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn. Het is. dat diepe en tedere gevoel van compassie dat geweldig over Jezus Christus kwam toen Hij de scharen op zich zag afkomen. Hij zag hun etterende ogen, hun stinkende abcessen, hun geslachtsziekten, hun melaatsheid: "Och, och, och!". En wat zo typerend is voor onze menselijke ontferming, namelijk dat we zo machteloos staan, is in zekere zin ook typerend voor de ontfermingen Gods. Want ook ·onze hemelse Vader kan er dit ogenblik zo weinig aan doen en dat vindt Hij heel erg. Niet dat Hij niet almachtig zou zijn. Dat is Hij wel. Maar omdat het 'zijn tijd nog niet is. Omdat Zijn plan nog niet is uitgevoerd, Omdat de Here Jezus nog niet terugkomen kan. En waarom de Here Jezus nû nog niet terugkomen kan, weten wij niet. Dat weet God alleen. Onze hemelse Vader vindt het moeilijk dat Hij ons. zo lang moet laten wachten en zuchten. En Hij -is bewogen onder onze nood, zoals geschreven staat: "In al hun benauwdheden was Hij benauwd", Jes. 63 : 7.
Misschien vraagt iemand wat wij aan Gods ontfermingen (aan Zijn rachamim) hebben, als God aan onze ellende toch niet zoveel veranderen kan op het ogenblik. Dan zeg ik: heel veel!!! Zoals een kind 'ook voor geen geld de ontferming en vim zijn vader missen zou, al kan hij er niet veel aan doen. Denk aan een kleuter. Hij valt een gat in zijn knie en het doet vreselijk pijn. De vader denkt er niet aan die pijn weg te praten.
Dan zou hij. een egoïst zijn, die het verdriet van zijn knulletje niet kan gebruiken. Nee, hij neemt dat jochie op zijn knie en drukt hem stijf tegen zich aan zodat het kind de lichaamswarmte van zijn vader voelt.
En vader geeft het .een zoen, zodat de roeach (de adem) van de vader zich mengt met die van het kind. En hij zegt: "Het doet vreselijk pijn hè?". Dan giert dat knulletje zijn verdriet er uit. En misschien ook een beetje zijn zelfmedelijden. Kom, zegt die vader: we doen er een lapje om, of een' pleister 'er op.
En dan is de pijn niet 'weg, maar het helpt werkelijk! Want vader is er! Zo troost de Here machtig, àls Hij bij ons komt in ons verdriet, zoals psalm 91 : 15 .zegt: In de benauwdheid zal Ik met hem zijn. Dat is geen doekje voor het bloeden! Dat is werkelijke troost!
Zo heeft Arend de ontfermingen van zijn hemelse Vader ervaren in de nacht, waarin een werkelijk helse pijn over hem kwam. Een pijn, zo hevig dat het niet te dragen was. Toen kon hij alleen maar schreeuwen; Here, God, help me, help me, ik verga! En ogenblikkelijk begon de' pijn te minderen. Nog geen minuut later was de pijn al ver weg gezakt. En Arend zat perplex: geheel overrompeld door een zo snelle verhoring en e'en zo direct contact. Het was voor hem een volkomen duidelijke zaak dat zijn kwaal niet was weggenomen. En dat hij sterven moest. De ziekte was niet weg. Maar de Here had Zijn arm om hem heengeslagen en hem getroost.
Enkele dagen na dit gebeuren was hij er nog' vol van. Wie hem gekend heeft, weet dat hij doodsbang was van inbeeldingen en buitenissige zielsgeschiedenissen. Maar dit was anders. Hij was er zo vol van dat hij vroeg: wil je met me danken? En dat vroeg hij niet gauw. De Vader had zich ontfermd over Zijn' kind. Dit was geen doekje voor het bloeden. Dit was werkelijkheid.
Zo'n ontferming heeft hij ook ervaren in de uitgifte van zijn boekje. Hij heeft daarin ervaren dat zijn werk niet ijdel was in de Here. Zijn werk, zijn ambt is het geweest het woord van God tè verkondigen en dat is zijn lust en zijn leven geweest. Leraar zijn, pastor zijn, herder zijn onder de Opperherder Jezus Christus, dat wàs zijn leven. Hij schreef zijn stukjes in Opbouw niet voor niets onder de titel: pastorale notities.
Zorgen voor de schapen van Jezus Christus, vooral voor de
gekneusden, de ontrechten, de zwakken, hij bleef er mee bezig tot hij haast niet, meer kon. En hij heeft de uitgave van' het' boekje gezien als een herderlijke troost van zijn hemelse Vader in zijn verdriet: "Goed gedaan jongen. Het goede wordt bewaard, het verkeerde vergeven. Je werk blijft". Weet U, Arends weemoed ging niet weg, maar tegelijk kon hij zeggen: "De zegen' wordt met bakken vol over me uitgegoten". De Here was er en daarvoor danken we Hem.
Heel moeilijk werd het in het begin van dit jaar, toen de laatste hoop om, beter te worden werd afgesneden. Alles werd zo definitief. Toen plaatste hij, op 31 januari,' zijn stukje over Johannes de .Doper. Alle zieken om Johannes 'heen werden genezen. Maar Jezus liet Johannes in de gevangenis zitten. "Je mag je niet ergeren aan Mij, Johannes", zei Jezus. Maar de hoop liet zich niet blussen. Toen klonken er voetstappen in de gang, Zou Jezus er aan komen om hem te verlossen? Nee, het was de beul! Met deze woorden sloot, de pastorale notitie.
Wie Arend gekend heeft en de omstandigheden waarin hij dit schreef, proeft zijn diepe teleurstelling.
"Ik heb me bijzonder geïdentificeerd met' Johannes de Doper", zei hij. “Veel mensen worden beter. Ik niet".
Maar hij vertelde het met een glimlach. En in vrede. Het stukje was eigenlijk niet af, zei hij. Maar 'als hij het af gemaakt had, had hij over zichzelf moeten schrijven en daar wilde hij de mensen niet mee belasten.
De Here Jezus zei tot hem ook: "Je moet je aan mij niet ergeren.
Wat dat beter maken betreft: dat zullen wij deze keer maar niet doen". Zo'n woordje "Wij" (meervoud) moet je proeven. Daar zat de gemeenschap met Christus in, in het lijden van de tegenwoordige tijd. Al met al had hij, via het evangelie, de ontferming van Jezus Christus ontmoet en ontvangen en hij was erdoor getroost.
Zo ervoer hij het tenslotte ook in de laatste aanvechtingen, De Here Jezus stak Zijn hand uit en Arend greep die. Steeds herhaalde hij de woorden van Johannes 10 : 28: "Niemand zal ze uit mijn hand rukken". Hij wilde dat we zouden weten dat die hand er was. Dat hij zich er aan vast klemde, Dat die hand' hem omkneld hield. 'En hij was er door. Zo staat het met de ontfermingen Gods voor wie Hem vrezen midden in de nood. ons verdriet gaat niet weg, maar Hij is er.
Laat me nog mogen zeggen waarin de rachamim Gods groter en geweldiger zijn dan de onze. In elke ontferming zijn drie elementen:
1e. Kennisname - je stapt de ellende van de ander binnen en je stelt je ervoor open.
2e. Emotionele en agressieve reactie - wat is er aan te doen?
3e. Identificatie - gaan staan op de plaats van de ander: plaatsbekleding.
U voelt direct: in alle drie zijn wij mensen zo beperkt, al hebben we elkaar nog zo lief. We kunnen het nauwelijks of niet aan. Plaatsbekleding nog het minst. In alle drie is de Here Jezus zo machtig geweest. Dat zien we zo groots in de geschiedenis van Lazarus, Martha en Maria, die op Johannes 10 volgt.
Het eerste element, nl. kennisname, schijnt in het begin afwezig te zijn. Lazarus wordt ziek en Jezus is in geen velden of wegen te bekennen. Hij zegt tegen zijn discipelen: Mijn Vader en Ik hebben het lijden van Lazarus nodig, we wisten ervan. Maar Jezus lijkt ervan weggelopen. En Lazarus maar zuchten: is de Meester zo ver? En Martha en Maria in angst zitten! Here, waar blijft U? En de discipelen denken: Hij spreekt er zo zakelijk over. Net of het Hem niet beroert! Maar dan gaat Jezus terug en volgt de kennisname en Jezus stelt zich open voor het verdriet en staat aan het graf en huilt: Jezus weende. Nooit, heeft iemand zo diep kennisgenomen van rnenselijk leed als Hij. Dan is er ook, dat tweede element: emotionele en zeer agressieve reactie. "Hij haat' de dood als een carsinoom", zegt een dichter. "Waar hebt ge hem gelegd"?
vraagt Hij... Alsof je de Here hoort spreken in Jesaja 63: Ik zag rond, maar er was geen helper. Ik ontzette Mij maar niemand bood steun. Toen verschafte mijn arm Mij hulp en mijn grimmigheid ondersteunde Mij" en toen ging Jezus er tegen 'aan: Lazarus, kom er uit. En Lazarus kwam er uit.
En zo hebben Maria en Martha en Lazarus ontferming gevonden. Dan tenslotte de identificatie, waartoe wij zo machteloos zijn: Jezus gaat de weg maar ons kruis, Daar heeft Hij onze smarten op Zich genomen en onze ongerechtigheden, die heeft Hij gedragen. Door - zoals Zacharias het eerder zei in zijn lofzang - door' de ontfermingen Gods, Gods rommelende ingewanden. De Here kon Zich niet meer houden: "Och, och, och, wat hebben ze het kwaad. Ik zend mijn lieve Zoon!" ' Lieve mensen, zullen we nooit vergeten dat we om met Paulus te ,spreken "voorwerpen van ontferming"mogen zijn door Gods grote genade! Dankzij Zijn verkiezende liefde. Waar hebben we het aan te danken! Ik denk aan het prachtige gedicht van Geert Boogaard uit de bundel "Met dank aan de Joden"; getiteld: Nacht. Het begint met deze regel: Ik lig uitverkoren als een voorwerp van ontferming, in de nacht! Zo heeft Arend het beleefd in lange nachten.
Zo ligt hij straks in het graf: uitverkoren, als voorwerp van ontferming, in de nacht. Tegelijk is hij met Christus: ontbonden worden en met Christus zijn is voor hem verreweg het beste.
Jongens en rneisjes, ik praat even apart met jullie. Heb je gehoord dat de Here Jezus tegen zijn discipelen zei: Lazarus is niet gestorven, maar hij slaapt? Misschien vragen jullie: maar Lazarus was toch echt gestorven?
Hoe kan de Here Jezus dan zeggen: Hij slaapt? Ik zal proberen duidelijk te maken, wat de Here Jezus bedoelt.
Jullie zijn weleens binnengestapt in 'n kamer waarin iemand lag te slapen. Ogenblikkelijk begonnen jullie toen heel zachtjes' te doen. Misschien kwam èr wel een gevoel over je dat een beetje lijkt op eerbied.
Wat is slapen eigenlijk iets vreemds. Daar ligt hij en hij ziet niets van wat wij zien en hij doet niet mee met wat de mensen doen. Hij is zo ver weg! In een andere wereld!
Maar als je dan een stapje dichterbij komt en je tikt hem op, zijn schouder; dan doet hij ineens zijn ogen open en lacht, en zegt: O, ben jij het? En hij staat op. En hij doet weer mee.
Zo makkelijk gaat dat. Het wandje tussen jou en de slapende is heel dun: je prikt er zo maar doorheen.
Wel, zegt de Here Jezus, even dun als het wandje tussen jou en die slapende is voor mij de wand tussen mij en de dood: Ik prik er zo maar doorheen. Ik roep Lazarus bij zijn naam en direct doet hij zijn ogen open en hij zegt: O Here, bent u daar? En hij doet weer mee. Ik ben de opstanding en het leven.
Wie in Mij, gelooft zal leven ook al was hij gestorven. En een ieder, die, leeft en in Mij gelooft zal niet sterven in eeuwigheid. Gelooft gij dat?
Dus moeten we niet al te verdrietig zijn. Pake ligt daar niet voor altijd. Het zal misschien niet eens lang meer duren en dan roept de Here Jezus hem. En ons. Fake is zo, blij geweest met een briefje van Jaap; waarin hij schreef wat wij allemaal denken en dat ik van hem mag voorlezen:
'Lieve Pake, ik hoop dat de Here God je beter maakt. En als je tog dood gaat dan geeft de Here god en de Here Jeses wel een handen dan kom je bij de Here god en de Here Jeses en daar is het heel fijn. En daar heb je geen pijn. Dan heb je het rote plekje in je buik niet meer. En dan ben je heel dicht bij de Here god en de Hera Jeses en dan hoef je nooit meer bang te zijn. En als de Here god en de Here Jeses weer op aarde komen dan blijft het altijd licht. En dan zijn wij er ook weer.
Veel kusjes, Jaap.’
Zo was de brief van Jaap. En hij heeft gezegd wat we allemaal denken. Zo zal het gebeuren door de ontferming en Gods, als, Hij komt en zegt: Och, och, ze liggen er al zo lang.
Zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen, zo ontfermt zich de Here dan op Zijn grote dag over wie Hem vrezen. Die de Here vrezen: dat zijn die mensen, die de Here lief hebben en vol ontzag letten. op zijn woord om dat te doen. Ontfermt de Here Zich niet over de anderen?
Arend was op het allerlaatst, toen hij niet meer goed kon articuleren, intens bezig met Jona 4: de Here die zich ontfermt over 120.000 mensen die het onderscheid niet, kennen tussen hun rechterhand en hun linkerhand en daartoe veel vee! We moeten maar nooit klein denken van Gods ontfermingen. Maar met u en met jullie heeft God in zijn goedheid zijn verbond opgericht, waarvan Arend zo graag sprak. U en, jullie hebt een zo vast fundament onder de voeten gekregen: Zijn belofte die in Christus Ja en Amen zijn. Deze: Ik zal voor jullie een Vader zijn en jullie zult mijn zonen en dochters zijn. We hebben zoveel reden Hem lief te hebben met eerbied en ontzag. Laten, wij kinderen zijn, die Zijn woord bewaren om het te doen.
Geslachten gaan, geslachten zullen komen,
wij zijn in uw ontferming opgenomen.
We mogen bouwen op de vaste grond
van uw beloften en van uw verbond.
Amen.