Voor wie ga je naar de kerk? (1)

1986-07-04
  • Jaargang 30
  • nummer 27
Op 23 maart j.l. hielden we in de gemeente van Gorinchem een zgn. themadienst, met als onderwerp: voor wie ga ie naar de kerk? Preek en liturgie waren samengesteld in overleg met de leiding van de 'kleine' jeugdvereniging (12-16 jaar). Op de vereniging was de vraag: waarvoor ga je eigenlijk naar de kerk? aan de orde gekomen - en voor de jongelui uit die leeftijdsgroep bleek het antwoord moeilijk.
Bij de behandeling van de vraag in een kerkdienst -hebben we het thema iets gewijzigd: niet waarvoor, maar: '"voor wie?". We gaven drie antwoorden op de vraag.
1. Voor God.
2. Voor jezelf.
3. Voor elkaar.
Deze drie antwoorden - in "posterformaat" achter de kansel zichtbaar- werden besproken in drie korte preken, in plaats van de gebruikelijke ene lange preek.

We begonnen de dienst met het zingen van Psalm 122; na votum en groet Gez. 314 in wisselzang (de jeugd zong 1 en 3, de overige gemeenteleden 2 en 4). Daarop volgde een gebeden de schriftlezing, die het geheel a.h.w. overspande, Neh. 8 : 1-13. Daarna zongen we Ps'. 92 : 1, 2 en 3. Ter inleiding Op het eerste preekdeel las een van de jongelui Lev. 23: 1-3. In die verzen gaat het over heilige feesttijden en samenkomsten. In het vervolg van dat hoofdstuk gaat het dan over het Pascha en over Pinksteren, over het Loofhuttenfeest en de Grote Verzoendag. In de eerste verzen gaat het bovendien over de wekelijkse rustdag, de 'sabbat. Ook dan moest er een heilige samenkomst zijn. Het zal toch wel niet de bedoeling zijn geweest, dat de Israëlieten uit alle windstreken van het land naar Jeruzalem kwamen. Ze hielden dan samenkomsten in hun steden en dorpen, stel ik me voor. Waarom wilde de HERE die samenkomsten?
Hij wilde, dat de Israëlieten goed zouden weten, wie hun God nu was: hoe Hij voor hen wilde zijn, wat Hij voor hen gedaan had en wat Hij van hen verlangde. Hij wilde hun in die samenkomsten zijn eigen woorden meegeven, Zijn wet.

Uit het boek Nehemia hebben we gelezen van ·een heel .grote samenkomst in Jeruzalem. Daar werd door Ezra de wet voorgelezen. De levieten legden dan uit, wat Ezra had voorgelezen, stukje bij beetje. Ze, deden dat op zo’n manier dat iedereen, ook de kinderen, het kon begrijpen. De mensen
hebben er aandachtig naar geluisterd en ervan geleerd. Dat de mensen goed begrepen, wat hun werd verteld, blijkt uit hun verdriet. Ze ontdekten, dat ze niet gedaan hadden wat de HERE van hen vroeg. Ze kregen door, dat ze erg veel tekortgeschoten waren.

De priester moest hun toen zeggen, dat ze op die dag niet mochten huilen. Een paar weken later hielden ze een dag van boete en bede (Neh. 9) maar die eerste dag, waar hoofdstuk 8 over spreekt, was een feestdag. Priesters en levieten moesten toen zeggen: vandaag niet huilen; mensen, dit is een feestdag voor God.
Voor die God, van wie we psalmen zingen: Hij zal zijn volk niet eindeloos kastijden. Hij is een God die vergeeft! Toen de HERE Zich, bij de berg Sinaï, aan Zijn volk verbond, stond die berg in brand van Gods heiligheid - maar de Israëlieten hoefden niet bang te zijn voor die heilige God, Ze mochten Zijn volk zijn - de stammen, naar zijn naam genoemd. Ook wij zijn naar Gods naam genoemd. We zijn gedoopt, en met het doopwater heeft de HERE zijn naam op ons voorhoofd geschreven. We heten naar Hem, zoals we heten naar onze ouders. En net zoals vaders en moeders hun kinderen graag bij zich thuis zien, wil de hemelse Vader zijn aardse kinderen graag bij zijn thuis zien. Ook als je kinderen getrouwd zijn en zelf weer kinderen hebben, is het gewoon feestelijk als ze allemaal komen. Meestal gebeurt dat alleen op verjaardagen en zo - maar dan is het ook echt feest. Niet alleen voor de kinderen en de kleinkinderen, ook voor de vader en moeder, de opa en oma. Op die manier mag het iedere week feest zijn, voor de HERE: Zijn kinderen komen naar Hem toe, samen met hun kinderen, die ook weer kinderen van de HERE mogen zijn: ze hebben immers de Naam meegekregen, ze zijn gedoopt, De HERE is er echt blij mee, als Hij ons zo allemaal bij elkaar ziet, samen bij Hem thuis.
Net zoals een vader of grootvader het middelpunt is van de familie, is de HERE dat voor ons. In de kerkdienst is Hij het middelpunt. Daarom hebben we Psalm 92 gezongen:
- waarlijk, dit is rechtvaardig, dat men de HERE prijst, dat men Hem eer bewijst - Zijn Naam is eerbied waardig. Hij is het waard, dat we voor Hem feest vieren.
Daarom zongen de mensen in Israël de psalmen al die wij nog zingen. En ze maakten er telkens nieuwe bij: Zing een nieuw lied voor God de HERE, want Hij bracht wonderen tot stand... De HERE is een, God die wonderen doet!

Hij schiep de hemel
en de aarde.
Hij vergeeft zonden.
Hij geeft zijn Naam mee aan mensenkinderen.

Zo maakt God ons blij. Als we op die manier blij zijn, is de HERE Zelf ook blij. Daarom staat er ergens in de psalmen, dat de HERE troont op de lofzangen Israëls. Die liederen van ons zijn voor Hem net een troon. Aan ons zingen kan de HERE merken, dat Hij niet voor niets gewerkt heeft aan Onze schepping en aan onze verlossing. Daaraan merkt Hij, dat we niets liever willen dan altijd maar bij Hem zijn.
Ter afsluiting van dit gedeelte zongen nu de kinderen uit de basisschoolleeftijd: Zingt de HERE een nieuw lied (naar het begin van psalm 98).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief