Opvoeden tot christelijke wijsheid

1986-07-04
  • Jaargang 30
  • nummer 27
Opvoeden is een veelomvattende zaak en kan in zijn totaliteit onmogelijk behandeld worden in deze beperkte spreektijd. De titel 'Opvoeden tot christelijke vrijheid' geeft echter een beperking aan. Slechts dat facet van de opvoeding behoeft belicht te worden; dat gaat over de vraag hoe je een kind kunt brengen tot een leven in christelijke vrijheid.
Voor veel ouders is dit op het eerste gezicht geen brandend probleem. Een kind behoeft namelijk niet te leren, wat leven in vrijheid is. Dat doet een kind van nature al.' Het heeft een ongebreidelde vrijheidsdrang. Het is veeleer de vlaag hoe die vrijheidsdrang van jongs af aan op de juiste manier kan worden ingeperkt. Uit zichzelf wil het kind vrij zijn, het wil doen, wat het zelf wil en het wil zich niet houden aan regels en beperkingen. De grote, wijde wereld is aanlokkelijk en uitdagend; het kleine kind kruipt als het de kans krijgt de kamer uit; de kleuter rukt buiten zijn hand. uit die van zijn vader en gaat er vandoor; het schoolkind gaat met zijn vriendjes op avontuur en de jongere wil zo snel als het maar mogelijk is op eigen benen staan, het ouderlijk huis uit. In. vrijheid alles zelf weten, zelf bepalen, zelf beslissen, dat is voor de meeste jongeren het ideaal van leven in vrijheid. Dat behoeven ze niet meer te leren. Veel ouders zullen juist vragen om het tegenovergestelde: Hoe leer je een kind zich te houden aan wetten en regels, hoe leer je het gehoorzaamheid eerbied en gezagsaanvaarding?
Is de gehoorzaamheidstraining niet het meest wezenlijke van de opvoeding? En zo komen we tot de grondvraag: Wat is opvoeden?

Vrije of autoritaire opvoeding
De,verschillende pedagogen uit de westerse wereld hebben in de loop der tijden geheel verschillende antwoorden gegeven op de vraag, wat opvoeden is. Er waren er, die zeiden, dat een kind 'alle mogelijkheden in zich heeft om op te groeien tot een volwassen mens. Opvoeders hebben alleen de taak de omstandigheden voor de ontwikkeling van het kind zo optimaal mogelijk te maken.
Verdere bemoeienis is niet alleen niet nodig, maar zelfs funest. Zoals uiteen zaadje een volwaardige plant groeit zonder de inmenging van de mens, zo kan er uit een kind ook een evenwichtig mens groeien als wij, volwassenen het maar laten gaan en het kind niet belasten met onze ideeën en meningen. Deze zienswijze van de vrije opvoeding gaat er van uit, dat het kind in zonden ontvangen en geboren is en miskent de invloed en de macht van het kwade. in het leven van het kind. Ook in onze tijd is deze opvoedingsstijl nog springlevend. Ik noem u de namen van René Görtzen en Alice Miller. Zij noemen zich antipedagogen en betitelen de gangbare opvoedkunde als zwarte pedagogiek. Een tegenovergestelde mening verkondigen degenen, die er vanuit gaan, dat het kind zonder de leiding en de vorming van de volwassene niet tot ontwikkeling kan komen.
Zij zien het kind als een klomp klei, die door de opvoeder gekneed en gevormd moet worden tot een bruikbaar instrument in de maatschappij. Wetten, regels en geboden van de volwassenen zijn broodnodig voor het ki:nden dienen strikt nauwkeurig opgevolgd en gehoorzaamd te worden. Deze autoritaire opvoedingsstijl heeft in zijn extreme vorm tot excessen geleid van kadaverdiscipline: 'Befehl ist Befehl'.
In het Duitsland van de tweede wereldoorlog hebben we daarvan de voorbeelden gezien, Dat deze opvoedingsstijl in tegenspraak is met opvoeden tot christelijke vrijheid, is duidelijk, evenals het feit, dat het een miskenning is van de unieke gaven en mogelijkheden, die de Here God in elk mensenkind gelegd heeft en die wij als opvoeders zo goed mogelijk tot ontwikkeling moeten laten komen.


Christelijk opvoeden
Niet alleen uit praktische en verstandelijke overwegingen wijzen we zowel de vrije als de autoritaire opvoeding af, ook de Here God waarschuwt ons in Zijn Woord ervoor, enerzijds het kind zijn gang te laten gaan (Wie zijn zoon liefheeft, tuchtigt hem, Spr. 13 : 24,22 : 15 'en 23 : 13 en 14) en anderzijds voor een te strenge opvoeding, (Vaders, prikkelt uw kinderen niet' of 'Verbittert uw kinderen niet', Efeze 6:4 en Coloss. 3:21).
Maar nog steeds blijft de vraag wat dan wel goed opvoeden is. Wat is christelijk opvoeden?
Zestig jaar geleden had de invloedrijke christenpedagoog professor Philip Kohnstamm geen moeite met deze vraag. Kort en krachtig luidde zijn antwoord 'Opvoeden is gewetensvorming', In de tijd van de brave Hendrikken en de lieve Marietjes legde hij als zoon van zijn tijd de nadruk op de zedelijke vorming van het kind. De deugdzaamheid stond hoog in het vaandel. Denkt u maar eens aan de vele keren, dat de oude psalmberijming spreekt over de jeugd en het pad der deugd. Het is in dezelfde tijd, dat de bekende kleuter- en kinderbijbel van W. G. van der Hulst verschijnt. De mens als zedelijk wezen stond centraal.

In deze tijd worden er heel andere accenten gelegd. De Groningse pedagoog, professor Immelman formuleerde enkele jaren geleden de definitie 'Opvoeden is inleiden in betekenissen'. Hij wil hiermee zeggen, dat de opvoeding zich dient te beperken tot het geven van informatie op alle gebieden door middel van woorden en' handelingen. Het kind moet bekend gemaakt worden met de betekenis van alles, wat hij tegenkomt in zijn leven en met de consequenties van zijn woorden en daden. Bij deze zienswijze valt de nadruk volkomen op het rationele, het verstandelijke van de mens. De mens als redelijk wezenstaat centraal. Tenslotte wil ik u nog de definitie 'Over opvoeden geven van de Utrechtse emeritus hoogleraar in de pedagogiek uit de jaren vijftig, Langeveld. Hij zei: 'Opvoeden is het kind brengen tot zelfverantwoordelijke zelfbepaling' . Naar mijn mening geeft hij in deze, in algemene termen geformuleerde omschrijving, een juiste weergave van datgene wat christelijke opvoeding moet zijn. Hij legt de vinger op het belang van zowel de zedelijke als de redelijke vorming van het kind. Is het brengen tot zelfbepaling niet hetzelfde als brengen tot leven in vrijheid? Als een mens vrij is, kan en mag een ander niet meer zeggen, wat hij doen of laten moet, hij mag het zelf bepalen. Voorschriften in de trant van 'Dat mag wel en dat mag niet' of 'Dat moet je doen of dat moet [e niet doen' zijn 'niet meer bepalend voor: het leven van een' mens, die vrij is.
Als redelijk, verstandig mens mag hij alles zelf bepalen. Dat is vrijheid.
Aan de vrijheid tot zelfbepaling wordt door Langeveld echter wel een grens gesteld door het bijvoeglijk naamwoord 'zelfverantwoordelijk'. De mens is verantwoordelijk voor zijn keuzes en hij zelfverantwoording daarvan moeten afleggen aan degene, die hem erom vraagt. Voor Langeveld zelf betekende dit, dat hij zich voor zijn eigen woorden en daden, voor zijn eigen zelfbepaling verantwoordelijk wist tegenover de Here God, de Vader van Jezus Christus. Heel bewust gebruikt hij de term zelf verantwoordelijk.
De mens kan en mag zich niet verschuilen achtereen ander, ook al is de persoon nog zo gezaghebbend, niet achter een theorie of dogmatiek, ook al is die leer nog. zo gereformeerd of bijbels en ook niet achter een synode of wat voorandere instantie ook. Niet een ander is verantwoordelijk voor mijn zelfbepaling, maar ik ben zelf verantwoordelijk. Zo omschreef Langeveld het begrip christelijke vrijheid.

Brengen tot zelfstandigheid
Leven in christelijke vrijheid, of met andere woorden, zelfverantwoordelijke zelfbepaling vraagt zelfstandig, onafhankelijk, denken en handelen van een mens. Opvoeden is het brengen van het kind tot die zelfstandigheid.
Ouders zijn met een kind bijna twintig jaar bezig om het op elk terrein, die zelfstandigheid ie leren. Het gebied waarop het kind zelfstandig kan handelen wordt in de loop der jaren steeds groter en daarmee ook de zelfbepaling en de verantwoordelijkheid. Ter voorbeeld wil ik ingaan op het leren lopen van het kind op ongeveer anderhalf jaar oude leeftijd en waarbij elk ouderpaar sterk betrokken is.
De meest opvallende pedagogische aspecten bij dat proces zijn: Het voorbeeld van de ouders, door steeds te lopen en niet te kruipen, zoals het kind, de aanmoedigingen van de volwassenen, de uitgespreide armen, de aanwijzingen en de waarschuwingen en de complimentjes bij het succes van de pogingen. Bij dit Ieren lopen valt het kind vaak 'en doet het heel wat misstappen, Toch blijven de' ouders het kind aanmoedigen en helpen.
Als het kind uiteindelijk de zelfstandigheid van het kunnen lopen, heeft bereikt, is iedereen blij met het resultaat.
In het vervolg behoort het tot de zelfstandigheid en de zelfbepaling van het kind of het gaat lopen of kruipen in bepaalde gevallen. Met deze illustratie is aangegeven wat belangrijk is bij de opvoeding van het kind tot zelfstandigheid: Het voorbeeld geven door de volwassenen, het bekendmaken met de gegevens, keuzemogelijkheden en consequenties, het aanmoedigen bij weifel, het luisteren en troosten bij mislukkingen het geven van complimenten bij, succes. Op allerlei gebied zal dit proces zich de gehele kindertijd door steeds weer herhalen. Iedere keer als het kind weer iets geleerd heeft, is het daarmee iets gevorderd op de weg van de zelfbepaling.


Brengen tot zelfverantwoordelijkheid
Het zedelijk aspect van de opvoeding vraagt van de ouders eenzelfde houding. Het gaat daarbij om gewetensvorming en het brengen tot zelfverantwoordelijkheid tegenover God.
In de eerste plaats moet het kind een voorbeeld krijgen van wat leven in christelijke vrijheid is. Vanmorgen is dit van twee kanten belicht en we hoorden dat het, betekent: Leven voor Gods aangezicht, vrij zijn van elke vorm van slavernij en ten dienste willen staan van God en de medemens. Heel belangrijk is het dat de kinderen aan de volwassenen zien en merken, dat zij leven voor Gods aangezicht, Bidden de ouders zelf bij elke te 'maken beslissing 'Heer, wijs mij de weg, leid mij door Uw Geest'? Horen de kinderen deze gebeden? Zien ze dat wij, ouderen, ook regelmatig worstelen met de vraag wat wil de Here van mij in dit geval?' Beleven ze het bijbel lezen, aan tafel en de kerkgang van ons ouderen als een sleur of ervaren ze achter die gewoontehandelingen een mens, die zich wil laten onderwijzen, troosten, bemoedigen en corrigeren door Gods eigen Woord?

In de tweede plaats rust op de schouders van de ouders én van de gemeente de taak de kinderen bekend te maken met God en Zijn Woord. Vroeg of laat zal het kind zelf tot een keus moeten komen of het de Here wil dienen of niet. Om goed te kunnen kiezen is het belangrijk, dat het weet wie de' Here' God is en hoe lief Hij ons heeft, dat het begrijpt, wat Jezus Christus heeft gedaan en dat het gehoord heeft van het werk van de Heilige Geest in ons leven. Liefde tot God en de naaste kunnen wij niet in de harten van de kinderen leggen, maar we kunnen wel het zaad strooien, waaruit het geloof kan groeien.

In de derde plaats kunnen de ouders het kind helpen bij het maken van de keuzes, waarvoor het gesteld wordt. In die gevallen kan' er gesproken worden over de mogelijkheden en hun gevolgen en kan er nagedacht worden over vergelijkbare situaties in de Bijbel. Met het kind kan men zich afvragen of met het maken van een keuze de eer van' God in het geding is en of het welzijn van de naaste bevorderd of misschien geschaad wordt. Ook is het belangrijk, dat het kind in de bovenbouw van de basisschoolperiode goed weet welke regels de ouders gesteld hebben. Maar het moet daarbij tevens gemerkt hebben dat de geboden en verboden van zijn vader ·en .moeder genormeerd zijn aan de Bijbelse waarden en dat Gods gebod 'tot liefde de norm is, die alle geboden te boven gaat. Kinderen in de puberteit zijn in hun gewetensvorming meestal zo ver, dat zij niet meer bij alles vragen of het van hun ouders of andere gezagsdragers wel of niet mag of moet. Maar zij willen doorstoten naar de normen en de waarden, waar de opvoeders hun regels op baseren. Het is de voorlaatste stap in het proces van de gewetensvorming. Deze stap kenmerkt zich door een duidelijke behoefte aan argumenten van de kant van de ouderen ten 'aanzien van de achtergronden van de regels, waaraan zij zich moeten houden van die volwassenen. Ze vragen naar de zin van de kerkdienst; zij willen weten wat tegen een bezoek aan een disco is. Er zijn jongeren die euthanasie niet altijd verwerpelijk vinden, maar daarentegen een uiting van barmhartigheid. Anderen zitten met het probleem of dienstweigering en' protest tegen kernbewapening in overeenstemming is met - of zelfs een eis is van - Gods geboden. Op deze en op nog veel meer van dergelijke vragen wil de jeugd graag een wezenlijk antwoord ontvangen. Wij kunnen en mogen er ons niet van af maken door te zeggen, dat iets altijd zo geweest is, (het beroep op de traditie), of dat ze het Iater wel zullen begrijpen, (het beroep op onze, ervaring). De jongeren willen de regels en normen, die wij hanteren, begrijpen.
Ze willen kennis krijgen van de achterliggende waarden en ze willen weten waarom wij die waarden zo waardevol. vinden. In deze periode van meningsvorming worden onze kinderen overspoeld door informatie op allerlei gebied. Veel van die informatie is ontsproten aan eendenkwijze, die de onze niet is. Het is daarom belangrijk, dat wij de jeugd deugdelijke argumenten geven t.a.v. onze zienswijze en daarmee wezenlijke bouwstenen aandragen voor hun meningsvorming. Wij ouderen zullen daarbij steeds goed moeten bedenken, dat de meest essentiële bouwsteen is de Bijbelse norm van: Liefde tot God en de naaste.

Tenslotte komt de periode van de jongvolwassenheid, waarin de jongere zelf zijn woorden en daden bepaalt en zijn eigen keuzes maakt in vrijheid. Dankbaar en blij kunnen we zijn, als we weten, dat die beslissingen worden genomen na gebed genormeerd aan Zijn Woorden geleid door de Heilige Geest, en als we zien, dat de jongere zichzelf verantwoordelijk weet tegenover zijn hemelse Vader.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief