De dichter Revius (1)
1986-07-04
Was ik een nachtegaal, ik wou mijn Schepper eren- Jaargang 30
- nummer 27
Met zijnen groten lof altijd te kwinkeleren
Dat, bossen, berg en dal zou deunen van den klank,
en de woudvogelt jens vergeten haren zank;
Ik ben geen nachtegaal, maar in veel groter ere
Een mens, het evenbeeld van aller Heren Heere;
Ik wil dan mijne stem doen horen alle man
En prijzen Hem zo hoog en verre als ik kan;
Niet vragende een zier naar al het lelijk pruilen
Of misselijk getier van eksters en van uilen,
verzekered dat Hij die eeuwiglijken leeft
Mijn tong tot zijnen roem geschapen heeft.
Ziedaar het gedicht waarmee de Overijsselse Sangen en Dichten van Jacobus Revius beginnen.
Ik heb het een beetje gemoderniseerd omdat ik bang was dat sommige lezers zouden worden afgeschrikt door het oude spellingsbeeld. Tegelijk vrees ik dat andere lezers afkeurend het hoofd zullen schudden: zij vinden dat zo'n gedicht in de oude vorm gepresenteerd moet worden en dat het juist door die oude vorm een bepaalde charme krijgt. Maar ik vind het op het ogenblik belangrijker barrières weg te nemen, zodat zo veel mogelijk lezers met het werk van Revius in contact kunnen komen.
Dat brengt rnij op een tweede opmerking die ik wil maken: ik weet dat er 'Onder de lezers van Opbouw mensen zijn die veel meer van Revius afweten dan ik en daarom is het met schroom dat ik mij aan dit onderwerp waag. Maar ik bedenk dat anderen er weer minder van weten en voor hèn is het reeksje dat ik ga schrijven bedoeld.
Jacobus Revius (eigenlijk Jacob Reefsen, maar dat was een te eenvoudige naam voor een geleerde van die tijd) leefde van 1586-1658. Dat was een bewogen tijd, de tachtigjarige oorlog heeft hij voor een groot deel bewust meegemaakt, hij heeft de dieptepunten' ervan beleefd maar ook het gelukkige einde.
Er is over Revius veel geschreven, er zou dus ook veel over hem te vertellen zijn: We zouden het bijvoorbeeld kunnen hebben over zijn betekenis als theoloog, want hij heeft op dat terrein véél gepresteerd. Hij was, om maar iets te noemen, één van de revisoren bij de totstandkoming van de "Statenbijbel". Dat betekent dat hij na moest gaan of de voorgestelde vertalingen wel juist waren U begrijpt dat zoiets niet' aan de eerste de beste werd toevertrouwd. Ik ben tijdens mijn studie onder de indruk gekomen van de grote geleerdheid en vooral van de talenkennis en het taalkundig inzicht van de mensen die aan de Statenvertaling hebben meegewerkt;" Revius mag onder hen met ere worden genoemd. Maar ik laat het graag aan een ander over die kant van Revius in Opbouw te bespreken. Niet omdat ik het zo van harte eens ben met de opmerking van J.,van Vloten bij een bloemlezing van 1863: "Jammer dat Revius zijn dichtertalent niet meer heeft ontwikkeld ten koste van zijn theologisch werk waarin hij veel gemakkelijker te vervangen was geweest." Ik wilde u die aardige opmerking alleen niet onthouden!
Revius zelf zou erg verontwaardigd zijn geweest als hij had kunnen lezen wat Van Vloten schreef Want voor hem was het dichten iets van tweede orde, net als dat bij Huygens, die andere grote schrijver uit de zeventiende eeuw, het geval was. Die noemde zijn bundel gedichten: Korenbloemen, dat wil zeggen: ze zijn best aardig, maar toch niet echt zo belangrijk. Nee, Revius was allereerst predikant en theoloog, Toen hij, ongeveer op zijn zestigste, de tijd waarin wij over de VUT moeten denken, in Leiden een taak aan de universiteit kreeg en een soort voorloper werd van wat wij kennen als de theologische studiebegeleiding, had hij geen tijd meer voor poëzie: hij had belangrijker dingen te doen, zei hij. Ziet u wel? Korenbloemen, zou Huygens gezegd hebben. Nee, een dichter uit die tijd zag niet zijn voornaamste roeping in dat dichterschap, zoals dat tegenwoordig wel eens het geval is. Er was belangrijker werk te doen. Allereerst was iemand zakenman, 'ambtenaar, bestuurder of geleerde en in zijn vrij tijd wijdde hij zich aan de literatuur. Daardoor was dat ook steeds de zaak van een zekere "elite", een maatschappelijke bovenlaag, De "gewone man" had niet zo veel vrije tijd (en kon ook vaak niet lezen of schrijven).
Met opzet heb ik het eerste gedicht uit de bundel van Revius overgenomen. Het is een soort program. Waar gaat het hem om? Hij ziet het als zijn taak de lof van God te zingen. En daarbij is zijn voornaamste uitgangspunt het woord van God zelf; Laat ik vandaag eindigen met een ander gedicht van deze dienaar van het Woord.
God zoeken
Diogenes met een ontstekene lantaren
Zocht mensen op de markt, waar duizenden vergaren.
Die schimper had wat recht: maar ziet hoe menig zot
Nu bij de helle dag gaat tastende naar God;
Niet bruikende zijn Woord, om zekerliik te treden,
Maar de berookte slons van menseliike reden
Die hem, verwarret in een doolhof zonder end
Zodat van duizenden Hem kwalijk één en kent.
Toelichting:
schimper = spotter
wat recht = een beetje gelijk
slons = lampje
Het woordje "en" hoort bij een ontkenning of beperking.
Dus: kwalijk één en kent Hem = nauwelijks één kent Hem.