Het "Bangui-project" (2)
1986-07-18
We zouden nog wat doorpraten in di1 artikel over de vraag hoe wij vanuit Nederland de Afrikaanse christenen een 'geestelijke handreiking zouden kunnen bieden. Laat ik in dit verband dan eerst maar iets zeggen over hoe het mijns inziens niet moet. De lezer zal zich herinneren dat ik de vorige maal een opmerking maakte over een twijfelachtige invloed die met de Amerikaanse geldstroom mee het Afrikaanse continent binnenkomt.- Jaargang 30
- nummer 28
Ik doelde daarmee op de rigoureuze opvattingen aangaande de 'foutloosheid' van de Heilige Schrift. Het Is natuurlijk 'zonder meer terecht dat ook de Afrikaanse christen er een strikte belijdenis omtrent Gods Woord op na houdt, want het evangelie is ook daar niet naar de mensen de menselijke arglistigheid dingt ook daar op de goddelijke openbaring af. Toch is er een foutloosheidsdrijverij die onder de christenen veel kwaad sticht. In de Verenigde Staten zelf al, is mijn indruk, maar zeker ook in de landen waarheen men deze overdrijving exporteert. Men is volgens 'die leer gehouden de gehele Pentateuch aan Mozes toe te schrijven en voor het boek Jesaja dat bij hoofdstuk 40 zo kenmerkend in tweeën valt, één enkele auteur aan te nemen - om maar een paar geliefkoosde ideeën op te pakken. En het zijn juist de geschoolde exegeten die men daarmee in moeilijkheden brengt en die men daardoor van zich vervreemdt, Vandaar dat. evangeIisch-theologische inrichtingen in de regel kampen met een tekort aan vaklui op het gebied van met name de uitleg van het Oude Testament.
Het zou mijns inziens wijzer zijn wanneer christenen op dit terrein elkaar een zekere speelruimte toestonden. Het is immers nog niet ze lang dat wij de Bijbel en dan vooral het Oude Testament behalve als Gods Woord ook lezen als een boek dat een historische wording achter de rug heeft. De zwarigheden die daarin - naast de grote winst! - meekomen moeten wij niet onderschatten, Het is echt heel moeilijk voor het menselijk denken om de werkelijkheid van de openbaring te combineren met die' van historische ontwikkeling. Het is zoiets als het aan elkaar knopen van eeuwigheid en tijd, Zoals .gezegd bestaat deze opgave voor de kerk nog niet zo lang. Dat verplicht ons tot geduld met elkaar en tot het openhouden van een zoekruimte. En zeker de uitleggers van de Schrift wier taak het is de tekst van de Bijbel voorzichtig en gewetensvol te lezen moeten niet gehinderd worden door geforceerde 'oplossingen. Zoals zij van hun kant natuurlijk gehouden zijn de gemeente niet op te schrikken met onbekookte 'resultaten' van exegese. Voorbede en onderling vertrouwen zijn hier de aangewezen weg.
Wij merkten dat in Bangui de strijd over dit punt mede door Amerikaans toedoen was ontbrand en wij hebben geprobeerd olie op de -golven te gooien. Wij hebben gezegd' dat wij de. gelovige bedoeling van de belijdenis de foutloosheid van de Heilige Schrift (die ook in de confessie van de faculteit terecht was gekomen; 'exempte d'erreur', in 'het Frans) van harte konden delen en bijvallen.
Achter dit belijden staat toch immers óók een argeloze liefde tot -en een onbekommerde vreugde over het Woord van onze God. Maar we hebben daarnaast een waarschuwing laten horen. Deze opvatting leidt er namelijk gemakkelijk toe dat er een hele literatuur ontstaat van boeken die proberen alle plooien van de Bijbel glad te strijken. Wij hebben onze vrees Uitgesproken dat er teveel kostbare tijd en moeite in dit bedrijf zou gaan zitten.
Tijd en moeite die aan nuttiger zaken zouden moeten worden onttrokken. En dan hebben we het er nog niet eens over dat deze leer niet zo zeer de Heilige Schrift als wel bepaalde geliefkoosde maar toch uiterst aanvechtbare conclusies uit de Heilige Schrift in bescherming moet nemen. Bijvoorbeeld dat wat men uit de Bijbel meent te kunnen opmaken inzake het duizendjarigrijk. Maar dat kwamen we aan de FATEB gelukkig niet tegen.
Interessanter was wat er onder de Afrikaanse studenten leefde.
Zij vormen duidelijk de kritische generatie die na het tot geloof komen van ouders of grootouders aan de zendelingen vragen begint te stellen: "Jullie hebt ons de weg gewezen naar de hemel. Duizend maal dank!
Maar kunt U ons nu ook nog vertellen wat we als christenen moeten doen in de tijd dat de Here Jezus nog niet teruggekomen is?" Een belangrijke maar ook een gevaarlijke vraag. Belangrijk omdat ze de structurering van dit leven raakt waar de Bijbel inderdaad hevig in geïnteresseerd is, maar ook een gevaarlijke vraag omdat ze zich als een alles verslindend monster kan gedragen dat geen aandacht voor het toekomstige leven overlaat. 'De zendelingen hebben hun bekeerlingen radicaal losgesneden van hun Afrikaanse wortels. Uit :sommige verhalen krijg je wel de indruk dat ze daarbij wat overijverig te werk zijn gegaan. Vooral aan de geloofszendingen van deze eeuw wordt dat wel verweten. Het past mij niet daarover een afgerond Oordeel te geven. In ieder geval ontstaat er nu een terugvragen naar die wortels. Was alles van vroeger wel zo fout of is er plaats voor kerstening? Een sterk Afrikaans gevoel is in opkomst, getuige de meer dan eens gehoorde en niettemin aanvechtbare opmerking: "Wij zijn inde eerste plaats Afrikaans en vervolgens christenen aanvechtbaar, want: in Christus is noch Europeaan noch Afrikaan”. En wat je in deze van de nieuwe Adam zegt, geldt ook voor de oude; ook vóór het geloof uit zijn wij eerst mensen vervolgens zwarte of blanke mens. Dit universele gezichtspunt is met de hele Bijbel gegeven. Van de andere kant moeten we er evenzeer voor oppassen dat we het Afrikaan-zijn en het christen-zijn niet tegenover elkaar gaan stellen. Dat zou immers betekenen dat wij de Afrikaanse mens als zodanig met de oude Adam gelijk stellen. Die moet dan enkel maar gedood worden. Ook dat is onjuist. Welnu, als ik zie hoe onze zendelingen in Zuid-Afrika met dit probleem omgaan, dan geeft mij dat moed voor de gedachte dat wij vanuit onze rijke traditie hierover verlossende woorden zouden kunnen spreken. Het bekende in de wereld maar niet van de wereld moet hierbij het Uitgangspunt zijn.
Het verblijdende was dat de studenten die wij aan de FATEB ontmoet hebben, in overgrote meerderheid het hierboven aangeduide probleem met z'n twee kanten scherp zagen liggen. Geen sprake van dat ze een ongenuanceerd ja of nee tegen de zogenaamde contextualisering van de theologie lieten horen. Er was juist in tegendeel een eerlijk vragen hoe op een bijbels verantwoorde wijze aan die raciale en sociale Afrikaanse context recht gedaan zou kunnen worden. De belangstelling en de betrokkenheid was trouwens in het algemeen groot. Zelf heb ik als oudtestamentisch onderwerp het Exodusthema behandeld. Een geliefd gegeven in de bevrijdingstheologieen voor de jonge naties van het Afrikaanse kontinent onmiddellijk herkenbaar. Ik heb geprobeerd te laten zien dat de Bijbel de, uittocht als een aanvankelijke verlossing voorstelt. Het is Mozes zelf die het bevrijde Israël dit besef meegeeft.
Hierbij, valt te denken aan een woord uit het slot van het Lied van Mozes aan de Schelfzee: "Gij brengt hen en plant hen op de berg die Uw erfdeel is;, de plaats die 'Gij HERE tot Uw woning gemaakt hebt; het heiligdom HERE door Uw hand gesticht" (Ex. 15: 17). Hier blijkt dat de verlossing uit Egypte slechts een stadium is op de weg naar een nog veel, dieper gaand heil: de verzoening op de Sion. Ook in het Psalmboek wordt deze voortgang in het heil betuigd: "Toen Israël uit Egypte toog...werd Juda tot zijn heiligdom" (Ps. 114 : 1,2). Het boek Exodus loopt trouwens zelf al uit op het geheimenis der goddelijke inwoning, voorafgebeeld in de tabernakel: "En zij zullen weten, dat Ik de HERE hun God ben, die hen uit het land Egypte geleid heb, opdat Ik in hunmidden wone….' (Ex. 29: 46). Steeds die relatie tussen uittocht en verzoening! De Bijbel leert Gods' volk niet alleen het Lied van Mozes aan de oever van de Schelfzee te zingen maar in vervolg daarop ook het Lied van het Lam, zoals in het visioen van de glazen zee beschreven staat (Opb. 15: 3). Als men derhalve na de aanvankelijke verlossing de vraag stelt: en wat nu nog verder in dit leven, dan is in ieder geval ook dit een antwoord dat de Here God de tijd die nog rest in het vlees gebruikt 'Om ons dichter bij het Immanuël-mysterie te brengen. Blijkbaar kunnen wij niet genoeg onder de indruk worden gebracht van de prijs die voor onze bevrijding en verlossing betaald is: Het is dan trouwens niet zo dat het Lied van het Lam het Lied van Mozes vervangt.
Elk van beide houdt z'n waarde, want de Here God blijft naast het grote dat Hij voor ons gedaan heeft ook de God van onze kleinere verlossingen.
Nu, als deze boodschap niet of slechts gebrekkig overgekomen zou zijn aan hun belangstelling heeft dat in ieder geval niet gelegen. Het was zeer bemoedig end om de honger van deze studenten naar het Woord op te merken!