De dichter Revius (2)

1986-07-18
  • Jaargang 30
  • nummer 28
Revius werd vierhonderd jaar geleden geboren. In ons land is al op diverse plaatsen aandacht aan dat feit besteed en daarom is het goed dat er ook in Opbouw iets over hem wordt geschreven. De vorige keer had ik niet expres vermeld wat de aanleiding tot deze artikelen is, dat verzuim heb ik nu dus goedgemaakt;

In 1630 gaf Revius zijn gedichten uit in een bundel: ,OverIJsselsche Sangen en Dichten.
Het is geen groot succes geworden. Hoe groot de oplage is geweest, kan ik niet 'achterhalen, 'maar in elk geval was vier jaar later het grootste deel nog niet verkocht. De zogenaamde tweede druk van 1634 was in wezen niets anders dan het overschot van de oorspronkelijke uitgave, er waren 'alleen wat gedichten aan toegevoegd en op het titelblad stond nu niet meer de naam van' een drukker uit Deventer, maar van een Leidse uitgever. Kennelijk hoopte Revius met dat laatste te bereiken dat het 'lezerspubliek er wat meer vertrouwen in zou hebben, men keek in Holland ook toen al een beetje op de buitengewesten neer, maar, hoeveel dat slimmigheidje hem geholpen heeft, kan ik u niet vertellen. Het is alleen wel aardig ter vergelijking: De "TrouRing" van Cats is in de zeventiende eeuw in ruim tienduizend exemplaren verspreid.
Maar ja, dat was Cats, dezelfde van wie Busken Huet eens gezegd heeft: "De populariteit van Cats is een nationale ramp geweest!"

Hoe het kwam dat Revius geen geliefd schrijver is geworden, wie zal het precies kunnen aangeven?
Dat hij uit Overijssel kwam, zal wel meegespeeld hebben en dat zondebesef één van de belangrijke thema's bij hem is, zal zijn populariteit ook niet bevorderd hebben. Maar dat zegt natuurlijk niets van zijn werkelijke kwaliteit als dichter. Een vergelijking met Cats is bovendien een riskante zaak want ook de schrijvers die nu, ruim driehonderd jaar later, bij het protestantse volksdeel populair zijn, blinken in het algemeen niet uit door hun literaire niveau.' En het staat wel vast dat Revius wat dat betreft, ver uitstak boven Cats. Pas na driehonderd jaar, in 1930, verscheen een complete heruitgave van de Overijsselse Sangen en Dichten. Deze uitgave werd verzorgd door W. A.P. Smit die twee jaar daarvoor was gepromoveerd op' een proefschrift: De Dichter, Revius. Hij gaf de bundel als ondertitel mee: Het Epos der Godsgeschiedenis. De volgorde IS in grote lijnen dezelfde als in de Bijbel. De eerste afdeling begint met Lof Gods (overgenomen in mijn vorige artikeltje) en bevat o.a. gedichten over de schepping, de zondeval de gevolgen daarvan, personen uit het Oude Tesament, de tien geboden, het Hooglied en het einde is een treurspel, Haman, een bewerking dus van het boek Ruth.
Het tweede deel begint ook weer met een lofzang: Lof Jesu Christi. Er staan gedichten in over de geboorte en het leven van Jezus, zijn lijden en zijn sterven, de opstanding, Hemelvaart, Pinksteren, de verbreiding van het Evangelie, de kerk, de vervolging en tenslotte: het laatste oordeel. Een paar jaar later, in 1935 gaf Smit een tweede bundel uit: Overige Gedichten. Het belangrijkste deel daarvan wordt gevormd door "vaderlandse" gedichten die vooral betrekking hebben op de oorlog met Spanje. Omdat het mijn bedoeling is de lezers, van Opbouw een beetje kennis te laten maken met het werk van één van onze grote protestantse dichters, zal ik nu niet te veel theorie meer opdissen; ik wil proberen via een aantal gedichten enige kijk. op hem en op zijn tijd te geven. Als eerste kies ik deze keer:

GODS BESLUIT
Gelijk als in een kolk een steentje valt te gronde
Het water werpt terstond een ringsken in het ronde,
En van het ene komt een ander schieten uit,
Waarvan een ander straks, en wéér een ander spruit,
Zodat in korte tijd de ogen daarop dwalen,
De grootte noch 't getal niet kunnend' achterhalen;
Zo gaat het ook met mij, ogrote God en,Heer,
Van toen miin tong begon te stamelen uw eer.
Het ene denk ik na, het ander valt mij inne,
Uw wijsheid, uw gericht, uw waarheid, uw minne
Omringen mij tezaam in énen ogenslag;
En, wil ik van het één of 't ander doen gewag,
Uw raad en uw besluit mij zo geheel verslinden
Dat ik daarin noch grond noch oever weet te vinden.

We kunnen dit gedicht rekenen tot de "emblemata", een genre dat in de zeventiende eeuw erg geliefd was. Gewoonlijk zijn dat plaatjes met afbeeldingen van alledaagse gebeurtenissen of voorwerpen waaruit dan een algemene les wordt getrokken. Sommige zijn zelfs tot spreekwoord geworden zoals: Ter wille van de smeer (= vet) likt de kat de kandeleer. (Dat is van Cats, la, toch.) Heel eenvoudig gezegd; zijn emblemata: plaatjes met praatjes. In de zeventiende eeuw hield men ervan 'achter alles en nog wat een 'diepere betekenis, een symboliek te zoeken. Het woord zinnebeeld zegt dat ook: een beeld met aen zin, ,een betekenis.
Er ontstonden ook vaste, algemeen herkende symbolen zodat bijvoorbeeld iemand uit de zeventiende eeuw gemakkelijker de bedoeling van een schilderij uit die tijd, doorzag dan wij dat nu doen. Wie -daarvan meer wil weten, raad ik het boek aan, uitgegeven door Openbaar Kunstbezit: Zinne- en minnebeelden in de zeventiende-eeuwse schilderkunst. Hei is in de Openbare Leeszaal vast wel te krijgen.
Maar nu terug naar het gedicht van Revius. Ook hij gaat uit van iets dat we allemaal weleens hebben gezien: je gooit een, steentje in het water, er komen kringen die in elkaar overgaan en die je na een poosje met de ogen niet meer kunt volgen. Zo gaart het ons ook, zegt Revius, als we nadenken en iets willen zeggen over God, over zijn wijsheid, zijn liefde en zijn raadsplan. Nog sterker is de invloed van het literaire klimaat van die tijd te zien in het volgende gedicht over de zondeval:

VAL
Wat blindheid onbesuisd! Dat Eva die God diende
In 't zalig paradijs, uit weelde, zonder nood
Der hellen rojiiaan het ledig ore bood
En om te worden kloek des Heeren vloek verdiende!
Wat wederhorigheid! Dat Adam, niet ontziende
Noch tijdelijke last, noch eindeloze nood,
Zocht, opgeblaze puist, te worden even groot
Als God die hem bewaard en dien hij had te vriende!
Wat duivelser bedrog! Gij moorder, gij de verraar
Hebt smekende vervoerd de kinders met de vaar.
Wat voordeel meent gij dies,Ovijand, op te steken?
Wij liggen in 't verderf, doch hopen op gena.
Maar uwe boze raad brengt u de meeste scha:
Der vrouwe heilig zaad zal u de kop verbreken.

(Toelichting: weelde = lust, begeerte; nood = noodzaak, dwang; roffiaan =, booswicht, duivel; kloek = verstandig; wederhorigheid = ongehoorzaamheid; ontiiende = vrezende; puist = blaas; smekende, = vleiende; vervoerd = verleid; dies = daarvan)

Dit is niet de rustige nogal statige Renaissancestijl, dit is Barok, de stijl van de overlading, vol emotie. Ik wijs, op de uitroepen die samen een climax vormen: blindheid, ongehoorzaamheid, duivels bedrog. Zie ook de tegenstelling met binnenrijm in de vierde regel: kloek en daartegenover vloek. Let ook op het prachtig uitgebalanceerde contrast in:

Wij liggen in 't verderf,
maar hopen op gena!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief