Goddelijke en/of inzettingen (1)

1988-12-02
  • Jaargang 32
  • nummer 45
Het is alweer even geleden dat ons blad de korrespondentie publiceerde die ds J. Waagmeester, emeritus predikant te Lisse, en ds J. M. 'Mudde, predikant te Breukelen, met mij voerden over de stellingen die ik op de Opbouwjaarvergadering in maart van dit jaar verdedigde en die naderhand, samen met de toelichting die ik erop gaf, in ons blad verschenen zijn. Het daarin aangesnedene was en is van zodanig belang dat het niet vreemd is dat één van mijn opponenten, ds Waagmeester, het gesprek erover op een bepaald punt heropent. Ik ben hem daarvoor erkentelijk. Als er echte vragen opgeworpen zijn kunnen we er beter over praten dan dat we er het zwijgen toe doen.
Eerst publiceren wij dus wat ds Waagmeester ons heeft toegezonden en daarna knoop ik er een wat langere beantwoording aan vast. Het is niet moeilijk met mijn oudere kollega op een broederlijke wijze te diskussiëren. Zijn bijdrage is ook nu weer van een christelijk-zakelijk gehalte en ook deze keer zijn wij opnieuw hartelijk verenigd in de wil om te verstaan: eerst het Woord en vervolgens ook elkaars woorden.

SIijtage-proces?
Laat ik beginnen met een woord van dank aan ds De Jong voor zijn beantwoording van mijn bedenkingen tegen zijn causerie op de Opbouw-dag. Helaas zijn mijn bezwaren niet weggenomen.
We zijn elkaar niet genaderd, voor mijn gevoel.
Wel zou ik het op prijs stellen op één punt aanstonds nader in te gaan. Met verbazing las ik wat ds De Jong schreef over de mozaïsche wet. De wet van Mozes zou aan een historisch slijtage-proces onderhevig zijn geweest Ds De Jong beroept zich daarvoor op Kol. 2 : 22. Hij schrijft: "Er waren nu eenmaal dingen voorgeschreven die door het gebruik zelf teloor gingen, "zoals dat gaat met instellingen en leringen van mensen", naar de formulering van Paulus in Kol. 2 : 22."
Met die voorgeschreven dingen zou dan de wet van Mozes zijn bedoeld.
Me dunkt, als we vers 22 lezen in het verband, dan merken we, dat Paulus hier helemaal niet spreekt over dingen, die in de wet van Mozes waren voorgeschreven. De apostel stelt toch de wet van Mozes niet op één lijn met instellingen en leringen van mensen?
Boven de perikoop 2 : 16-3 : 4 staat: de dwaasheid van menselijke inzettingen.
Er zijn mensen, die de Kolossenzen geboden hebben opgelegd ten aanzien van spijs en drank. Niet vastpakken!
Niet proeven! Niet aanraken!
Dáárvan zegt Paulus, dat de spijzen, waarop die voorschriften betrekking hebben, door het gebruik teloor gaan.
Het voedsel wordt bij het gebruik tot onderhoud van het lichaam verteerd.
NIET: de voorschriften van de wet van Mozes zijn onderhevig aan een slijtage-proces, MAAR: de spijzen zijn bij het gebruiken onderhevig aan een verterings-proces.
Deze verklaring van J. A. C. van Leeuwen in de Korte Verklaring komt geheel overeen met die van Herman Ridderbos in de serie Commentaar op het Nieuwe Testament.
"Dat alles" is te verstaan van de spijzen etc., waarop de voorschriften betrekking hebben en die, wanneer ze gebruikt worden in de natuurlijke weg te gronde gaan.
Hetzelfde wat de Here Jezus zegt in Matth. 15 : 17: Beseft gij dan niet, dat alles wat de mond ingaat, in de buik komt en op een zekere plaats wordt verwijderd? (Vert. Willibrord). Daar waarschuwt de Heer tegen de waardeloze godsdienst van Farizeeën en Schriftgeleerden en Hij zegt, dat van hen geldt, wat Jesaja zei van het volk in zijn dagen: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij. Tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren, die geboden van mensen zijn.
Jezus heeft die woorden ontleend aan Jes. 29':13. En precies dezelfde woorden gebruikt Paulus ook hier in Kol. 2: voorschriften en leringen van mensen.

Paulus spreekt hier over het verterings-proces van de spijzen. Zie ook de Willibrord vert.: En dit alles betreft dingen die uit hun aard bestemd zijn om gebruikt te worden en te vergaan.
Van een slijtage-proces, waaraan de wet van Mozes onderhevig is geweest, is hier in de verste verte geen sprake.
Trouwens - voor onze Heiland stond de wet van Mozes op één lijn met het gebod van God. Zie Markus 7 : 9 en 10: het gebod Gods stelt gij wel fraai buiten werking..... want Mozes heeft gezegd.....
J. Waagmeester, Lisse

Het fijne van deze reaktie vind ik dat het over een konkrete tekst gaat. Daar kun je altijd beter over spreken dan over een schriftbeschouwing. Dat laatste kan zo gemakkelijk ontaarden in een soort lucht-fietsen. De uitleg evenwel van konkrete teksten, daar kun je de gemeente het best mee dienen.
Dat sluit ook het meest aan bij wat in de zondagse eredienst gebeurt.

Wat nu deze tekst uit de brief aan de Kolossenzen betreft, hoofdstuk twee vers tweeëntwintig, ik had beweerd dat voorschriften in de bijbel wel eens spontaan verdwijnen, onderhevig als ze zijn aan een natuurlijk slijtage- proces. Ik dacht daarbij aan de nogal vaak voorgeschreven doodstraf, zoals bijvoorbeeld op de zonde van het overspel. Niet natuurlijk het verbod tot overspel is in Israël in de loop van de tijd weggesleten, maar toen de Joden bij de Heiland aankwamen met een vrouw op overspel betrapt, die ze wilden gaan stenigen, haalden ze toch met die strafvordering een oud paard van stal. Zo streng straffen was allang in onbruik geraakt. Het was niet officieel afgeschaft, in de scholen gold het nog (er bestonden veel akademische doodstraffen), maar in de praktijk handelde men er niet naar, omdat het niet meer paste in de kultuur van later tijd. De Joden kwamen hier dan ook alleen maar mee om Jezus in de val te laten lopen. In dat verband nu haalde ik de uitspraak uit de Kolossenzen aan waar Paulus zegt dat dat zo toegaat met menselijke inzettingen.
Dat ze namelijk door het gebruik zelf te niet gaan.
Maar nu vindt ds Waagmeester dat ik mij ten onrechte op deze schriftplaats beroep. Mijn uitleg zit er naast. Hij is daar zeer stellig in en kan zich ook op klinkende namen beroepen. Hij schrijft: "NIET: de voorschriften van de wet van Mozes zijn onderhevig aan een slijtage-proces, MAAR: de spijzen zijn bij het gebruiken onderhevig aan een verterings-proces". En: "Van een slijtage-proces, waaraan de wet van Mozes onderhevig is geweest, is in de verste verte geen sprake". Toch blijf ik me op dit punt liever aansluiten bij de uitleg die de uitdrukking 'door het gebruik teloor gaan' op de voorschriften zelf laat slaan. Waarom? Wel, ik denk dat de verklaring die ds Waagmeester en anderen voorstaan, te veel onder de indruk is van de gelijkenis tussen wat de Here Jezus volgens Matth. 15: 17 (zie boven) zegt en wat de apostel hier schrijft: het voedsel 'dat in de buik komt en te zijner plaatse verdwijnt' en 'de dingen die door het gebruik teloor gaan'. Inderdaad lijken die woorden wel wat op elkaar, maar gelijkenis is nog geen gelijkheid. Paulus' woordkeus verplicht ons niet om aan een verterings-proces te denken.

Ik heb drie bezwaren tegen ds Waagmeester's uitleg. Het gaat over geboden als: raak niet, smaak niet en roer niet aan. De apostel neemt het de Kolossenzen kwalijk dat zij zich die laten opleggen. "Dat alles zijn dingen die door het gebruik teloor gaan", is zijn kommentaar. Het is toch wel het meest logisch dat hij daarmee op z'n minst óók die voorschriften zelf bedoelt.
Anders had hij moeten schrijven: dat alles gaat over dingen die door het gebruik teloor gaan. Bovendien, wat is de kracht van het argument als Paulus' opmerking alleen maar betrekking heeft op de dingen waarover het in die geboden gaat?
Het gebod: gij zult niet doodslaan bedoelt het menselijk leven te beschermen.
Maar de overweging dat dat menselijke leven zelf sterfelijk en vergankelijk is vecht toch de zin van dit gebod niet aan? En in de derde plaats, dat Paulus met de dingen die door het gebruik teloor gaan toch zeker ook de voorschriften zelf bedoelt, wordt nog bevestigd door het zinsdeel dat er achteraan komt: " ..... zoals het gaat met voorschriften en leringen van mensen. Dat kan toch niet op die spijzen slaan? Dat heeft de door ds Waagmeester genoemde dr J. A. C. van Leeuwen terecht ingezien en hij plaatst dan ook de omstreden woorden tussen gedachtenstreepjes. Als volgt: " ..... waarom laat gij u, als leefdet gij in de wereld, bepalingen voorschrijven: raak niet aan en proef niet en blijf af, - dit alles gaat teniet in het gebruik - volgens menselijke geboden en leer". Maar hoe gewrongen is dat, nog afgezien van het feit dat dat laatste stukje 'volgens menselijke geboden en leer', zo geen funktie heeft.
Ik vind derhalve dat ik mijn gebruik van Kolossenzen 2 : 22 kan staande houden. Paulus laakt het in de Kolossenzen dat ze als nieuwtestamentische gelovigen de hals (weer) gaan buigen onder die oude en aftandse voorschriften Wel ben ik van mening dat Paulus bij die voorschriften behalve aan het formeIe verbodskarakter ook aan de inhoudelijke kant ervan gedacht heeft.
Hij ziet namelijk die spijswetten, vanwege hun stoffelijk karakter, in verband staan met de 'wereldse elementen' (of: 'wereldgeesten'), waaraan de gemeente met Christus afgestorven is. En dat is behalve met die spijswetten ook het geval met de voorschriften betreffende feest, nieuwe maan en sabbat, die even eerder, in vs 16, genoemd zijn. Het heeft alles te maken met het bestel van deze wereld dat voor de verdwijning staat opgeschreven.
Het komt me daarom alles bijeen genomen voor dat het niet nuttig is om in deze hele passage een scheiding aan te brengen tussen het gebod zelf en datgene waar het in het gebod over gaat.
Maar ik begrijp ds Waagmeester en anderen met hun uitleg wel. Zij vragen zich af hoe de apostel Paulus hier kan spreken van menselijke inzettingen ('voorschriften en leringen van mensen') als er toch op z'n minst onder die voorschriften enige waren die door God zelf, door de dienst van Mozes, waren ingesteld. "De apostel stelt toch de wet van Mozes niet op één lijn met instellingen en leringen van mensen?", schrijft ds Waagmeester.
Dat is een veel belangrijker vraag.
Het lijkt me goed dat we daar een volgende maal breder op in gaan.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief