Pastorale Notities
1988-12-02
De wet van het tegenwicht (2)- Jaargang 32
- nummer 45
De wet van het tegenwicht, waarover ik de vorige week schreef heeft eigenlijk een veel mooiere naam. De wet van de antholke, zo kwam ik de uitdrukking tegen in een boek van dr W. Aalders en die had hem weer van prof Gunning, als ik het goed heb onthouden.
Maar antholke is grieks en door de weergave 'tegenwicht' kan ik nooit al te grote ongelukken maken.
Je kunt aan het verschijnsel haast niet ontkomen.
Als er twee in een bootje zitten en de een neemt op het randje plaats zal de andere onwillekeurig van schrik opschuiven naar de andere kant. Het is een schrikreaktie.
Ik zie de werking van die wet niet alleen in onze reacties op films over het leven van Jezus, maar ook op andere punten, waarover wij met elkaar in gesprek zijn.
Ik denk nu aan de omgang met de Bijbel, dat broodnodige gesprek dat wij aan moeten durven om in zoveel gewichtige vragen verder te komen.
Daar stuiten we al gauw op het fundamentalisme. Een wijze van omgang met de Schrift die niet te localiseren is in een kerk, maar als een hinderlijke dwarslaag door het christendom heen loopt.
Ook dat fundamentalisme is in zijn ontstaan in zijn huidige vorm een schrikreaktie.
Toen Amerikaanse christenen zich in het begin van de vorige eeuw bedreigd voelden door het darwinisme, dat het gezag van de Schriften ondergroef, zijn ze uit reactie naar het andere uiterste gevlucht in een schriftbeschouwing die geen enkele ruimte meer liet voor enige nuancering en te weinig de menselijke factor in de Bijbel in aanmerking nam.
Naar zijn wezen en inhoud was dit fundamentalisme niet nieuw. Het kwam eerder in de kerkgeschiedenis voor, maar vast staat wel dat de reformatoren er niet door gehinderd zijn, ook niet in hun eigen denken.
Ds De Jong wees in ons blad enkele maanden geleden op Luther, die zulke vreemde dingen kon zeggen over de bijbelboeken Esther en Jacobus. Hij had ook rustig Calvijn kunnen noemen. Die is welliswaar voorzichtiger geweest maar schreef toch dingen die een fundamentalist de haren ten berge doen rijzen.
Calvijn beweert rustig dat een evangelist opzettelijk een onjuist getal neerschrijft omdat hij weet dat zijn lezers door hun bekendheid met de griekse vertaling van het oude testament met dat onjuiste getal vertrouwd zijn en hij schrikt voor het woord vergissing in de Bijbel niet terug.
Deze houding tegenover de Schrift, gepaard aan een diepe eerbied voor het gezag van het Woord van God, dat dat kan! Alleen maar doordat daar de reactie nog ontbreekt en men met een zekere onbekommerdheid denkt en schrijft.
Hoe vinden we tegenover elkaar iets van dat onbekommerde terug?
Rectificatie
In mijn vorig stukje staat een hinderlijke zet- of tikfout.
De gezangregel die ik citeerde moet niet zijn: ,,O Heer Jesu, God en Mensen ... maar ,,O heer Jesu, God en mense ... "