Een oratie in Utrecht

1988-12-02
  • Jaargang 32
  • nummer 45
Een menselijke wetenschap?
"Mijnheer de Rector Magnificus, Dames en Heren, Hoe kan de wetenschap menselijk zijn?
De titel die ik heb gekozen voor mijn oratie deze middag roept direct enkele vragen op: Wat is wetenschap? Is het nog mogelijk over de grote verscheidenheid van wat tegenwoordig met de term wetenschap wordt aangeduid te spreken alsof het om één verschijnsel gaat: dè wetenschap? Er is een veelheid van wetenschappen. Er is ook een veelheid van opvattingen over wat wetenschap is of zou moeten zijn.
En: wat is menselijk? Is er t.a.v. de wetenschap bij alle verschil van mening nog sprake van een zekere consensus, op de vraag: Wat is de mens? Wie is de mens? worden in onze pluriforme samenleving antwoorden gegeven die fundamentele verschillen in levensovertuiging tot uitdrukking brengen.
Nu zou iemand kunnen zeggen: De wetenschap die wij kennen, is wetenschap van mensen. Wetenschap is dus, hoe dan ook, altijd menselijk. Dat is juist.
Hoewel, er is een eeuwenoude traditie waarin de mens door de wetenschappelijke kennis zijn eindige, menselijke conditie te overstijgen in de richting van het absolute, goddelijke bestaan. Daaruit blijkt, dat mens-zijn niet alleen een te constateren feit is, maar ook leven met verwachtingen, met normatieve overtuigingen, met opvattingen van goed en kwaad.
De vraag die ik vanmiddag aan de orde wil stellen, impliceert een verband tussen de wetenschap en de normatieve overtuigingen, vanwaaruit mensen leven.
Zij probeert de wetenschap te plaatsen in het perspectief van goed en kwaad, toegespitst op de menselijkheid van de mens. De veelheid van vragen die zich hier voordoet, nog toegenomen door de verscheidenheid van opvattingen en overtuigingen - ik duidde daar al op - is voor mij een reden niet te proberen een afgerond verhaal te houden.
Ik zal slechts een aantal, zij het ook ietwat uitvoerige, omerkingen maken over het onderwerp."

Onder vele getuigen
Zo begon dr Henk Geertsema op donderdag 3 november j.l. zijn oratie. Hoewel hij al geruime tijd als bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Utrecht doceerde, viel op genoemde datum de plechtigheid van zijn officiële ambtsaanvaarding. Met, zoals in Utrecht gebruikelijk is een oratie - zeg maar een "officieel college" - in de aula van het "universiteitsgebouw aan het Domplein. Dat is (bijna) "gewijde grond"; in deze gotische zaal werd in 1579 de Unie van Utrecht getekend, waarbij de Zeven Verenigde Provincies een begin kregen van hun bestaan als zelfstandige politieke eenheid. Hier doceerden sinds de oprichting van de Universiteit in 1636, vele prominente geleerden, waarvan de 17e-eeuwse theoloog Voetius een der eersten was.
Velen waren bijeen om nu de bijdrage van de hooggeleerde Geertsema te beluisteren.
Een stoet hoogleraren - volgens academisch gebruik uitgedost met toga en baret - begeleidde de (feitelijk niet meer zo) kersverse Utrechtse hoogleraar naar het spreekgestoelte. Een forse afvaardiging van studentenverenigingen was eveneens aanwezig. Ook vele belangstellenden, uit het hele land, vulden de zaal. Uit chauvinistische motieven maak ik, net als de orator zelf, apart melding van een grote afvaardiging van de (overigens numeriek kleine) gemeente van Eek en Wiel in de Betuwe, de thuisgemeente van dr Geertsema.

Reformatorische Wijsbegeerte
Dr Geertsema is bijzonder hoogleraar aan de Utrechtse Universiteit, vanwege de Stichting Reformatorische Wijsbegeerte, die hij, tussen haakjes, in dezelfde hoedanigheid ook aan de Universiteit van Groningen vertegenwoordigt De titel van de oratie "Hoe kan de Wetenschap menselijk zijn?", gaf aan hoe de nieuwe hoogleraar (opvolger van prof. dr. Dengerink) een brede en ruime invulling geeft aan het doceren van de vaak nog als "Wijsbegeerte der Wetsidee" bekend staande filosofie van geleerden als Dooyeweerd, Vollenhove, Mekkes en vele anderen.

Vele stemmen
Dat het niet alleen een ruime en brede, maar ook een diepe invulling was, blijkt uit de 104 noten die bij de uitgave van de oratie - die spoedig verschijnen zal gevoegd zijn. In de tekst wordt geciteerd uit, of rechtstreeks verwezen naar, werk van zulke uiteenlopende filosofen als Kant, Heidegger, Popper, Horkheimer, Polanyi, Popma, Capra en VanPeursen (nu heb ik me tot en met noot 17 beperkt!).
Dat allemaal zónder dat zijn betoog vol zat van zware of onbegrijpelijke volzinnen zodat zijn gehoor niets beters te doen had dan de blik op oneindig zetten of te hopen op de spoedige wederkomst van de in vol ornaat geklede (vrouwelijke) pedel. Veel aandacht in het betoog kreeg overigens de in dit artikel nog niet genoemde Jean-François Lyostard, schrijver van Het postmoderne weten.
Een verslag. Deze heeft een aantal belangrijke tendenzen vermeld die "het huidige wetenschapsbedrijf kenmerken": "het proces van informatisering", "de macht van het geld" en ,,het criterium van de përformativiteit". Op deze tendenzen werd in de oratie nogal ingegaan.

Het slot
Interessant is trouwens dat de titel niet luidde "Hoe Christelijk moet de Wetenschap zijn?", maar hoe "menselijk"?
En de manier waarop Geertsema met vele denkers "in gesprek" ging.
Dat Geertsema echter zijn oratie niet slechts een monument van denk-arbeid wilde laten zijn, maar ook (in zekere zin) een geloofsbelijdenis, blijkt uit het slot van zijn oratie:

"De wetenschappelijke activiteit heeft daarom binnen de structuren van de werkelijkheid als schepping het karakter van antwoord aan de Schepper.
In dit licht gezien kan de wetenschap slechts ten volle menselijk zijn, indien de intieme tegenwoordigheid van de Schepper in zijn schepping wordt geleerd.
De wetenschap kan menselijk zijn, indien zij niet in de eerste plaats gekenmerkt wordt door het streven naar macht over de werkelijkheid, ook al blijft macht intrinsiek met wetenschap verbonden, maar door eerbied, eerbied voor de zin van de werkelijkheid als schepping, in heel de verscheidenheid van structuren en entiteiten, eerbied vooral voor God als de Schepper.
De menselijke zelf-opvatting, ook die welke tot uitdrukking komt in de beoefening van de wetenschap, heeft uiteindelijk het karakter van geloof.
Daarom wil ik mijn opmerkingen over de menselijkheid van de wetenschap eindigen met de woorden waarmee de grote kerkvader Augustinus zijn Belijdenissen begon: Groot zijt gij, Heer, en ten zeerste lovenswaardig! Groot is uw macht en uw wijsheid heeft geen getal! En loven wil u een mens, een deel van uw schepping, ja een mens, die zijn sterfelijkheid met zich omdraagt, die met zich omdraagt het bewijs van zijn zonde en het bewijs, dat gij de hovaardigen weerstaat.
En toch wil hij u loven, die mens, een deel van uw schepping. Gij zet hem aan om er vreugde in te vinden u te loven, want gij hebt ons gemaakt naar u, en rusteloos blijft ons hart totdat het zijn rust vindt in u..

P.S. De tekst van de oratie verschijnt binnenkort in boekvorm (brochurevorm is wellicht een beter woord) en kan worden besteld bij Stichting Reformatorische Wijsbegeerte, Nieuwe Gracht 23,3512 LC Utrecht, tel. 030-342030.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief