Duizend jaren als één dag
1986-01-10
"Waar Blijft De Tijd?" Deze verzuchting, blijk van grote diepzinnigheid, slaakte ook Wim Kan in één van zijn oudejaarsconferences. Hij wist ook het antwoord: "Helemaal opgeslokt door de Maasbode!" Ziedaar een heel eigensoortige relativiteitstheorie, voor menigeen beter te begrijpen dan die van Einstein. - Jaargang 30
- nummer 2
Eigenlijk had ik mijn bespiegeling over het begrip Tijd moeten inzenden voor het laatste nummer van Opbouw in 1985, maar juist de betrekkelijkheid van dat begrip is een argument om in het begin van het nieuwe jaar er nog eens iets over te schrijven. Is het overbekende "Uren, dagen, maanden, jaren" oorspronkelijk ook niet een "Nieuwjaarslied"?
In ernst: hóe betrekkelijk het begrip "Tijd" is, weten wij uit de Bijbel: Duizend jaren zijn bij God als één dag. Zie Psalm 90 : 4 en 11 Petrus 3: 8. Er zijn verschillende oude legenden die laten zien hoe de mensen ook vroeger hebben getracht zich dat in te denken: duizend jaren als één dag! Luister maar:
Lang, héél lang geleden was er eens een vrome monnik die nadacht over wat hij gelezen had: "Bij God zijn duizend jaren als één dag." Ongemerkt, in gedachten verzonken, liep hij het bos in. Opeens hoorde hij daar een vogeltje zingen. Hij bleef staan, luisterde aandachtig, vol bewondering. Na een poosje, hooguit een paar uur dacht hij, besloot hij terug te keren naar het klooster.
Maar dat zag er ineens heel anders uit! Het was helemaal verbouwd, sommige gedeelten die vroeger uit hout bestonden, waren nu van steen. En toen hij naar binnen ging, herkende hij ook de portier niet: wie was dat? De portier verging het net zo; hij vroeg: "Wie bent u? Waar komt u vandaan?" De monnik noemde zijn naam en vertelde dat hij een paar uur geleden was gaan wandelen; hij sprak er ook zijn verwondering over uit dat alles zo was veranderd. Toen vroeg men hem wie de abt van het klooster was op het moment dat hij was weggegaan. De monnik noemde de naam van de abt; men zocht die op in oude kronieken en toen bleek dat die meer dan honderd jaar geleden had geleefd. Wat in werkelijkheid zo veel járen had geduurd, dat had de monnik maar enkele uren geleken!
Zoals ik al zei: er zijn verschillende versies van dat verhaal. De éne keer wordt gesproken van honderd jaar, de andere keer van duizend. Maar het thema is steeds hetzelfde.
Ook dichters hebben zich ermee bezig gehouden.
Eén van hen was Albert Verwey en van hem is het volgende gedicht: daarin vertelt hij het verhaal op zijn manier.
DE LIJSTER
Duizend jaar? - Hij had het klooster
Vroeg verlaten: op de paden
Lag de dauw: de hyacinten
Hingen blauwgetrost te bungelen
In de scheemring tussen 't hakhout.
Leeuwriken, die luchte-krekels,
Tsjierpten hel in hoge hemel:
Web van klank in web van stralen.
Neuriënd liep hij: gonsde een kever
Langs zijn voorhoofd?
ruchtte een haasje Hem voorbij? –
De bodem helde:
Onder hoge bomen ging hij
Waar zijn stappen 't mos verdofte.
Tot een watertje aan een weide
Blonk: op hoge stengels vlindrend
Pinksterbloemen aan de randen.
Stond hij daar te zien, te spieglen,
Zag het blauw in blauwe vijver?
Hoor! nabij begon de lijster,
Op een boom wel·tussen 't lover
Zoet en vol, dan teder fluitend,
Tu-tu-tu, eerst hoog, dan lager,
Een toonladder, klaar en zuiver.
Doodstil stond hij, dorst niet roeren.
Zag de hemel en de bloemen,
Hoorde op 't laatst alleen die tonen.
Hoe lang stond hij? Duizend jaren.
Aan het klooster, toen hij weerkwam,
Deed een vreemde waker open.
In de boeken van voor eeuwen
Vond - zodra hij in zijn cel trad
Lag en stierf hij - vond -de Prior
Bij de naam die hij genoemd had
Jaar en dag - een lentemorgen
Toen hij ging, voor duizend jaren.
Albert Verwey
Het gedicht begint met een vraag: duizend jaar? Eigenlijk is dat een heel vreemd begin.
Als iknu niet die oude legende verteld had, zou u zich afvragen: waar slaat dat op? Het is ook niet duidelijk wie die vraag stelt: is het de monnik, is het de verteller? Of zijn - wij het, de lezers? Er staan meer van die vragen in het gedicht: gonsde daar 'een kever, ging daar een haasje, stond hij daar te kijken?
Het is alsof de verteller zichzelf en de lezer vraagt: hoe zal dat met die monnik zijn gegaan, wat heeft hij ervaren? In de tweede helft is de beschrijving ánders, beslister: wat daar verteld wordt klopt met het oude verhaal. Ook dáár staat een vraag: Hoe lang stond hij? Maar die vraag is toch van een andere soort; het is meer zoiets als: nou, raad eens, hoe lang zou dat geduurd hebben?
Het eerste gedeelte van dit gedicht is fantasie; de dichter stelt het zich voor, leeft het zich in: hoe kan het gegaan zijn? Duizend jaar? Dat vroeg de monnik zich af. En tegelijk vragen wij ons dat af. Duizend jaar als één dag? Ga eens duizend jaar in de geschiedenis terug. Dat is nog vóór het begin van de kruistochten, en de kustlanden hier worden geteisterd door Denen en Noormannen.
Wat is er in die duizend jaar niet allemaal gebeurd! En voor God is dat allemaal als één dag?
Onbegrijpelijk! Onvoorstelbaar!
De dichter, Verwey, plaatst het gebeuren in een voor hem bekende omgving, waarschijnlijk de duinen bij Noordwijk. Er zijn daar ook nog herinneringen aan een oud klooster en Verwey was in oude geschiedenis geïnteresseerd.
Zo kon hij het zich voorstellen: de monnik kwam bij de binnenduinen, hij zag daar onder andere de wilde hyacintjes, hij onderging de hele sfeer van de vroege ochtend.
Hij hoorde de leeuweriken hoog in de lucht. Ze zijn niet te zien, net zo min als je een krekel in het gras ontdekt. Over dat woord “luchte-krekels" zou heel wat gezegd kunnen worden, maar ik volsta met erop te wijzen dat hiermee een verbinding wordt gelegd tussen wat boven en wat beneden is. Ik zie er een voorbereiding in op wat straks komen zal, als de monnik de lijster hoort.
Iets dergelijks is er bij de regel: web van klank in web van stralen. Klank en licht vermengen zich! De indrukken van verschillende zintuigen lopen dooréén.
Laat ik niet elke regel met u nagaan. Ik wijs erop hoe de monnik bij het water een mystieke ervaring heeft: de "hemel ziet hij in de vijver en tegelijk de bloemen aan de randen; aarde en hemel versmelten als het ware en dán begint de lijster te zingen. Is het zo vreemd te denken aan de extatische vervoering van de middeleeuwse mystici? Verwey kènde ze. De monnik heeft hier inderdaad een eeuwigheidservaring, zijn geest raakt los van de gewone realiteit en ontstijgt het aardse leven.
Eén van de middeleeuwse legenden geeft ons de volgende les: Zo veel jaren leken hem maar enkele uren; wat een vreugde zou hij dan in het eeuwige leven ondervonden hebben!