De dichter Revius (3)

1986-08-01
  • Jaargang 30
  • nummer 29
In publicaties over Revius wordt nogal gauw gezegd dat we in hem een calvinist bij uitstek aantreffen. Ik heb daar zo mijn twijfels over 'en kom daar nog wel op, maar dat hij oog had voor de praktische zielszorg kan duidelijk worden uit het gedicht waarmee ik vandaag wil beginnen:

Verdorvenheid
Een man lag in een gracht, zijn nabuur tot hem naakte
En zei: "Hoe komt het, maag, dat gij hierin geraakte?".
"Ach", riep de ander, "Vriend, en vraag daar nu niet na.
Maar helpet mij hieruit, eer ik te gronde ga."
In Adam zijn wij al verdorven en verloren,
Der vragers is geen eind' die scherpelijk na-sporen
En zoeken door wat weg en hoe dat kon geschien;
Maar (wat het nodigst is) zeer weinig daarnaar zien
Hoe zij uit deze kuil eens mogen zijn geheven
En treden tot een nieuw en God-gevallig leven.

(Toelichting: maag is eigenlijk familielid, ik zou hier vertalen: vriend. En verder: in de zeventiende eeuw maakt men geen verschil tussen na en naar.)

Revius wist genoeg van theologie en van "dogmatiek", maar hij houdt ons hier praktische wijsheid voor: aan al die theorie hebben we niet zo veel, het is veel belangrijker dat we weten hoe we uit onze ellendige situatie kunnen komen. Dàt is ook het thema dat zijn religieuze poëzie voor een heel belangrijk deel beheerst: ellende en verlossing. Maar is dat typisch calvinistisch? Onwillekeurig dringt zich aan mij 'Opde bekende trits van de Heidelbergse Catechismus: ellende, verlossing en dankbaarheid; ik vind het merkwaardig dat ik dat laatste woord bij Revius eigenlijk niet aantref. Of reageer ik vanuit onze eeuwen heb ik geen goed beeld van het theologisch denken in die tijd? Dat is natuurlijk heel goed mogelijk en in elk geval signaleer ik wèl dat Revius spreekt van een "nieuw en God-gevallig leven". Dat men in de zeventiende eeuw dacht en reageerde 'Opeen manier die niet bepaald de onze is, kan blijken uit:

Brandende Bos
Hoe komt het dat de bos tot aan de hemel blaket
En door zo grote vuur tot asse niet geraket?
Verwondert u des niet, O Mozes, lieve man,
Want God is in den bos die ze bewaren kan.
Hoe komt het dat de kerk als in een oven gloeiet,
Vervolged, onderdrukt, en even heerlijk bloeiet?
Verwondert u des niet, O Christen, want de Heer
De Heer is in zijn kerk: die laat ze nimmermeer.

Zouden wij een dergelijke toepassing van de brandende braamstruik (Exodus 2 :2) nu nog verwachten? In elk geval ik niet, en ik denk dat de predikant die nu zoiets in zijn preek zou brengen, terecht enige kritiek te horen zou krijgen. Toch zijn dergelijke toepassingen dnderdaad wel van de kansel verkondigd, Ik herinner mij nog altijd de preek van de beroemde ds Durnarebde over de blinde Bartimeüs. "Hij, zijn mantel afwerpende", was b.v. aanleiding tot de aansporing dat we er allemaal geestelijk naakt voor komen te staan, het geestelijke jasje moet uit, gemeente! Zulke, dwaze toepassingen hoor ik gelukkig niet in onze kring, maar wat Revius als predikant misschien (?) niet deed, kon hij zich als dichter wèl veroorloven. En er ging wel degelijk troost van dit gedicht uit. Vergeet niet dat de brandstapels nog rookten en de strijd met Spanje nog in volle gang was~ Vandaag wil ik u ook nog kennis laten maken met een gedicht dat mijns inziens één van de meest typerende uit de tijd van de Renaissance is. Het is de tijd van een bijna grenzeloze bewondering voor wat de klassieken, de Romeinen en Grieken, hebben gepresteerd. Ook Revius heeft de klassieke cultuur terdege gekend en hij .beeft die bewonderd en nagevolgd. We moeten, zegt hij, die cultuur integreren in de onze, maar we moeten die dan eerst wel ontdoen van alle verkeerde elementen. En de dichter-theoloog verbindt die gedachte opnieuw aan een bijbelgedeelte, Deuteronomium 21:10-13. Daar staat dat een Israëliet een krijgsgevangen vrouw tot de zijne mocht maken, maar dan moest zij eerst haar hoofd scheren, haar nagels afknippen, andere kleren aantrekken en een maand lang moest zij gelegenheid krijgen haar vader en moeder te bewenen. Zie hier wat Revius daarover schreef:

Heidens Houwelijk
Zo wie een schone vrouwvan griek of ander heiden
Ving in de oorlog en daarvan niet wilde scheiden,
Haar nagels korten-moest, afsnijden al haar haar,
Veranderen haar kleed, en trouwen ze daarnaar.
o dichters, wilt gij u vermaken in de minne
Van de Romeinse of Griekse Piërinne,

Snoeit af al wat ze heeft van weidse dertelheid,
Van domme afgodij, en spitse schamperheid,
Omhelzet ze daarna, zij zal u kinders geven,
Die uw gedachtenis in eeuwigheid doen leven.

(Toelichting: minne = liefde; Piërinne = muze, kunstgodin; dertelheid = weelderigheid; spitse schamperheid = hatelijke spot. De "kinders" zijn natuurlijk de gedichten die daarna ontstaan.)

Deze "toepassing" vinden we al bij enkele schrijvers uit de vroege christelijke tijd. Revius was een belezen man, hij kende ook de oude christelijke schrijvers. Voor vandaag zullen we' het hier maar bij laten; na de vakantie hoop ik de draad weer op te nemen. Revius kende weliswaar dat begrip vakantie niet, maar het is toch wel aardig af te sluiten met het volgende:

Reizen
Wat baat het, veel gereisd in landen wiid-gelegen,
Zo gij niet in en gaat des Heeren smalle wegen?
Wat baat het te bezien zo menig schone stad,
Zo gij het hemelrijk in 't harte niet bevat?
Wat baat het dat gij roemt van velerhande spraken,
Indien des Geestes taal u niet en kan vermaken?
Wat baat het dat gij weet, en vele daarvan kout,
Hoe hier of daar een waard zijn gasten onderhoudt,
Indien gij niet en weet hoe dat gij moet onthalen
Die gast die in uw ziel komt van de hemel dalen?
Reist vrij ter plaatsen daar gij vreemde dingen ziet,
Maar wacht u en vervreemdt van uwe Schepper niet.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief