Een detective rondom het ambt en de plaats van de vrouw in de gemeente (1)

1986-08-01
  • Jaargang 30
  • nummer 29
Vorig jaar verscheen een boek, waarin veel speurwerk wordt gedaan naar de verhouding van man en vrouw in de gemeente. Het brengt verrassende exegeses, maakt informerende uitstapjes met toekomstige vergezichten en historische terugblikken, het leidt niet op dwaalwegen, maar blijft op het goede spoor. Het' roept de hedendaagse kerken van Gereformeerde origine op om op creatieve en bijbelse wijze naar wegen te zoeken om de vrouw in de gemeente de plaats te geven die haar toekomt, en dat niet alleen in het diaconaat, maar ook in catechese, pastoraat, apostolaat (zending) en ouderwijs. Het pleit voor een gedifferentieerde ambtsinvulling voor dat van diaken, ouderling en herder en leraar. Toch is de ontknoping anders dan verwacht. Om met de woorden van de voorzitter van de Landelijke Vergadering, dit voorjaar op een der vergaderingen geuit, te spreken: "Het is net een detective, het loopt anders af dan je denkt." De auteur concludeert dat in kerken van Gereformeerde origine gemeente en vrouwen achterbleven bij wat zij, bijbels gezien, konden zijn (p. 180). En wie is dan die auteur? Dat zullen we nu verklappen.

Studiecommissie Gereformeerde Bond in de N.H. Kerk
De auteur is ds C. den Boer, onder wiens leiding een studiecommissie van zes leden (m.n. predikanten), onderzoek heeft gedaan naar het vraagstuk van de vrouwen de kerkelijke ambten. Maar het resultaat van dit, onderzoek omvat aanzienlijk meer dan in bovengenoemde titel tot uitdrukking is gebracht. Ds Den Boer is ook de samensteller van dit boek. In een Ten Geleide wordt gezegd, dat de standpunten ten aanzien van de vrouw in het ambt in de Nederlandse Hervormde Kerk nog net zo verdeeld zijn als in de jaren vijftig, zestig. Maar het inmiddels opgekomen feminisme noodzaakt tot weerlegging.
Vandaar de bredere aanpak. Wie dus over het feministisch denken wil worden geïnformeerd, kan goed in dit boek terecht, met name in de excursen.

Inhoud
Het boek wjl een exegetische oriëntatie bieden inzake de verhouding van man en vrouw in de Bijbel. Het boek is overzichtelijk opgezet.

Twee hoofdgedachten kenmerken het betoog, nl. die van eenheid in verscheidenheid en die van inclusieve representatie. Hoofdstuk I laat vanuit een Gereformeerde traditie, die het zelfgetuigenis van de Schrift als onvoorwaardelijk uitgangspunt kiest, de omgang met de Bijbel zien. Het geeft enkele hermeneutische (uitlegkundige) regels, zoals een gelovige luisterhouding; de erkenning dat de Schrift een eenheid in verscheidenheld is. Dit roept om een genuanceerde benadering van ieder bijbelboek. In hoofdstuk II komt de verhouding van man en vrouw in het Oude Testament ter sprake.
De auteur begint bij de schepping en exegetiseert "een hulpe als tegenover hem" uit Gen. 2 : 18, zoals de Statenvertaling preciseer weergeeft dan de NBG-vertaling. Den Boer ziet de man als "hulpbehoevend" en de vrouw als degene die. de man voorrang geeft en die zijn leiding aanvaart naar Gods bedoeling. Zij doet dat als gelijkwaardige bijstand van de man, zijn tegenover, zijn overeenkomst, zijn verantwoording. Ze is voor hem toevlucht en schuilplaats. Dat hulpe als tegenover hem" zijn, is de grandeur van de vrouw. Er is geen sprake van inferioriteit van de vrouw, wel van inclusiviteit. Ze is in de schepping van Adam begrepen. Er is geen rangorde! Wel is er een orde in het scheppingshandelen van God, waarbij man en vrouw hun eigen plaats krijgen. Man en vrouw participeren beiden in het beeld Gods. Er wordt ook ingegaan op de (wetten ter) bescherming van de vrouw in het oude Israël.
Vrouwen kunnen profetes zijn (Hulda), ook richteres (Debora), maar geen priesteres. Dat heeft volgens de auteur niets te maken met de tempelprostitutie in de landen rondom Israël, maar met Gods verkiezend welbehagen. De priesters waren representatief. Op deze regel heeft God nooit een uitzondering gemaakt.

Vrouwen in het Nieuwe Testament
Het volgende hoofdstuk gaat ever vrouwen in het Nieuwe Testament. Het laat zien dat Jezus kaders doorbreekt, die worden gekenmerkt door minachting voor de vrouw. Wel kiest Jezus geen vrouw in de kring der apostelen, maar dit hangt samen met de symbolische waarde van het twaalftal, zijnde de representatie van Israël.
Het is geen zaak van exclusiviteit, maar van inclusiviteit. Vrouwen en haar activiteiten in de (huis)gemeente worden voor het voetlicht gehaald. Van Febe wordt gezegd dat ze diakonos en' voorstandster (St.V.) van de gemeente te Kenchreae is geweest (Rom. 16: 1, 2). Een voorstander geeft (mede) leiding aan de gemeente. Zie ook 1 Tim. 3 : 4 en 12 waar het als werkwoord wordt gebruikt in het kader van de vereisten voor opzieners en diakenen (in vertaling: regeren, bestieren). Febe's leiding geven wordt niet in ambtelijke zin opgevat, hoewel er naar mijn mening weinig verschil is tussen de uitdrukking "diakonos van de gemeente" en "de oudsten van de gemeente" (zie Hand. 20 : 17 en Jac. 5: 14) waarvoor dat wel zou gelden. Den Boer erkent dat Febe diaken kan' zijn geweest, hij meent echter dat deze tekst niet als bewijstekst voor vrouwelijke diakenen kan worden gebruikt, maar dat de tekst wel duidelijk maakt dat vrouwen een taak in het kerkenwerk hadden. Ook de actieve betrokkenheid van Euodia en Syntyehe bij de Evangelieverkondigîng wordt besproken. Misschien zijn beide vrouwen door haar onenigheid buiten de gemeente gesloten, en wordt. de gemeente opgeroepen 'haar "behulpzaam" te zijn, zodat zij weer binnen de gemeente kunnen worden aanvaard.

Gal. 3 : 27-28, de tekst die vaak wordt aangehaald als een bewijsplaats voor de openstelling van het ambt voor de vrouw, wordt ook onder de loep genomen. In deze tekst wordt gezegd dat in Christus noch mannelijk, noch vrouwelijk is. Paulus geeft de vrouw hier eerherstel. Vanuit het "één-zijn" in Christus doet de vrouw voluit mee, net zo waardevol als de man. Maar deze geheiligde houding heft niet iedere onderscheiding op in de ordening van het gemeenteleven.

"Zwijgteksten" in het Nieuwe Testament
Hoofdstuk IV gaat nader in op de zgn. "zwijgteksten" in het N.T. Den Boer pleit er sterk voor om de gedeelten, waarin Paulus de vrouw verbiedt in de gemeente te spreken en/of te leren (1 Cor. 14 : 34-35 en 1 Tim. 2: 11 vv) te verstaan tegen de brede achtergrond van het NT-ische getuigenis met betrekking tot de vrouw. Een centraal gegeven als van Gal. 3 : 28 mag daarom als een brandglas boven deze tekstgedeelten worden gehouden. Paulus laat zonder onderscheid man en vrouw delen in de veelheid van de charismata. De auteur is overtuigd, dat Paulus in 1 Cor. 11 op geen enkele manier het bidden en profeteren van de vrouw in de gemeentelijke samenkomst ter discussie stelt, maar dat Paulus ook drie hoofdstukken later schrijft dat vrouwen in de gemeenten moeten zwijgen. Daarom is de vraag, wat Paulus in 1 Cor. 14 met zwijgen bedoeld kan hebben, een des te moeilijker vraag geworden. Verschillende oplossingen passeren de revue. Den Boer concludeert dat Paulus in 1 Cor. 11 waarschuwt tegen een wereldse emancipatiedrift, en tegen een misbruik van haar in Christus verworven vrijheid. In 1 Cor. 14 kan geen absoluut spreekverbod voor de (gehuwde) vrouw bedoeld zijn. De reden waarom vrouwen in de Corinthische gemeente niet mogen spreken, is misschien omdat deze vrouwen extra moeilijke vragen stelden, waardoor ze (haar) mannen voor ondoordachte problemen stelden. Paulus ziet volgens de auteur het stellen van lastige vragen als ordeverstorend gedrag. Paulus vermaant de vrouwen in de samenkomsten der gemeente niet te domineren door een interrumperend spreken. Zo'n verrassende exegese kent het boek niet ten aanzien van 1 Tim. 2 : 11 vv. Daarvoor moeten we bij dr D. Holwerda zijn. Den Boer maakt duidelijk dat "didaskein" (leren in de zin van onderricht geven) in het N.T. bij Paulus enerzijds betekent een apostolisch bevolmachtigd leren (2 Thess. 2 : 15, Col. 2 : 7) en anderzijds een bezigheid van christenen onderling lijkt te Zijn (Col. 3 : 16, Rom. 12 : 7). De gemeente Hoofdstuk V gaat in op de gemeente: haar fundament, haar charismatische geleding, haar toerusting, haar opzicht en haar diaconaat. Erkend wordt, dat er vrouwelijke diakenen zijn geweest (1 Tim. 3: 11), maar uit deze tekst kan niet worden afgeleid, dat er door vrouwen en mannen op dezelfde wijze als diaken werd gediend. Ook 1 Tim. 5: 9 vv wordt genoemd als voorbeeld van samenwerking tussen mannen en vrouwen in het diaconaat. De weduwen in dit vers zijn leraressen van het goede.

(wordt vervolgd)

N.a.v. C. den Boer, Man en vrouw in bijbels perspectief; een bijbels-theologische verkenning van de man-vrouw verhouding met het oog op de gemeente. Kok, Kampen 1985, 214 pagina's. Prijs ± 29,75.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief