Van Jozef naar Juda
2007-12-21
‘Juda, gij zijt het..!’, - overbekend woord uit de zegen van vader Jakob in Genesis 49! Een tekst die we als kind met Kerst in de kerk mochten opzeggen. We leerden deze en nog wel langere passages uit het hoofd, van buiten, maar ditmaal wil ik ermee naar binnen gaan.- Jaargang 51
- nummer 25
Ik wil me in de oude geschiedenis van Israël verdiepen, om te laten zien hoe daarin dat woord over Juda geklonken heeft. En hoe die profetie (want dat is het) in haar vervulling voor een tweedeling in die geschiedenis gezorgd heeft, zodat we daarin haast van tweeërlei bedeling kunnen spreken, eerst van Jozef en dan van Juda. Dat wordt in de zegen van de aartsvader Jakob al aangeduid als deze zijn vreemde voorkeur voor Juda uitspreekt.
De uitverkorene onder zijn broeders
De zegen van Jakob over zijn twaalf zonen staat in de prachtige geschiedenis van Jozef, een van de mooiste vertellingen van de wereld, zoals ook de Koran zegt. Die zegen is in de Jozef-geschiedenis een soort sluitstuk, een climax. En wat daarin over Jozef gezegd wordt bevestigt dat. Hij is daarin werkelijk de ‘uitverkorene onder zijn broeders’, zoals in vers 26 te lezen staat. Je zou dan ook verwachten dat deze zegen van Jakob de boodschap zou uitademen van: Jozef, gij zijt het! En waarom dan dat andere woord: Juda, gij zijt het?
Vader van de leidende stam
Wie was Jozef in de geschiedenis van Israël? Jozef was de zoon van Jakob, maar hij was ook de vader van Manasse en Efraïm, van wie de laatste de voornaamste was. De roem van Jozef straalde op Efraïm af, dat moet je bij het lezen van de Jozef-vertelling voortdurend bedenken. Efraïm namelijk was de leidende stam in de eerste periode van het volksbestaan van Israël in Kanaän. Denk maar aan hertog Jozua, de man die Israël het beloofde land binnenbracht. Hij kwam uit die stam voort. En je kunt de leidersrol van Efraïm ook opmaken uit het feit dat die stam zich in de tijd van de Rechters nogal eens gepasseerd heeft gevoeld. In de geschiedenissen van Gideon en Jefta lees je over die kapsones van Efraïm, de primus inter pares binnen de stammen van Israël. Het is daarom niet moeilijk je voor te stellen hoe de roemruchte geschiedenis van Jozef met name bij de Efraïmieten in ere werd gehouden. Hij was hun held.
Bedrieglijke boog
Maar het zijn sterke benen die zo’n weelde kunnen dragen. Israël is onder leiding van de stam Efraïm in Kanaän gekomen, maar Israël is ook onder Efraïm in de versukkeling geraakt. ‘Een bedrieglijke boog’, zo typeerde veel later de profeet Hosea Efraïms stam (7:16). En in Psalm 78 wordt ons het échec van Israël onder de leiding van Efraïm beschreven - in de nadagen van koning Saul. Toen versmaadde de Here God de tent van Jozef en verkoos Hij Efraïms stam niet langer, zoals die 78e psalm zich uitdrukt. Dit had menselijk gesproken het einde kunnen zijn van Israëls verbondsgeschiedenis.
De wissel genomen
Toch is er daarna een heerlijk vervolg gekomen, uitsluitend te danken aan het genade-initiatief van de Here God zelf. ‘Toen ontwaakte de HERE als een slapende’, heet het dan ook in diezelfde Psalm 78 (65). ‘Hij verkoos toen de stam van Juda’ (68) – en dan komen de namen van het Sionsheiligdom en van koning David.
Hier wordt dus de wissel in Israëls geschiedenis, van Jozef naar Juda, genomen. Toen bleek hoe profetisch vader Jakob gesproken had toen hij zijn zoon Juda boven zijn geliefde zoon Jozef verhief met de woorden: ‘Juda, jóu zullen je broers loven’. Een profetisch woord inderdaad, waarin de aartsvader boven zichzelf uit sprak. Vlees en bloed hadden hem dat niet geopenbaard, want naar vlees en bloed gerekend had Jakob zeker gezegd: Jozef, jij bent het! En wat zouden we het daarmee eens zijn geweest!
Nota bene Juda!
Want wat had Juda voor op Jozef dat God hem verkoos? Nu is dat een vraag waarop eigenlijk geen goed antwoord te geven is, want God neemt in zijn verkiezend handelen ‘redenen uit zichzelf’, zoals onze vaderen niet onaardig zeiden. En toch stel ik de vraag: Waarom ging de Here God, nadat Hij het met Efraïm gehad had, met Juda verder? Nota bene met Juda! Juda is in het begin van het verhaal over Jozef de cynische man die tegen zijn broers zegt: Nee, we moeten Jozef niet doodslaan, we verkopen hem gewoon aan de Ismaëlieten, dan zijn we van hem af en verdienen er ook nog wat aan (Genesis 37:27-28). En in Genesis 38 komen we Juda tegen als hoerenloper. Ook al niet aantrekkelijk. Juda boven Jozef? Gods verkiezing mag dan boven-zedelijk zijn (in die zin dat je haar niet begrijpt), on-zedelijk is ze toch nooit? Nergens in de bijbel kom je toch de voorstelling tegen dat de Here God een verbintenis aangaat met het kwaad?
Juda’s bekering
Zo is het! En daarom blijf ik nog even bij hoofdstuk 38, het hoofdstuk dat zo’n ongelukkige onderbreking van het Jozef-verhaal lijkt. Maar het geeft antwoord op de vraag hoe het met de hoofdschuldige van het verkoopschandaal verder is gegaan. In deze geschiedenis met Tamar zijn we namelijk getuige van Juda’s bekering.
Juda zegt daar over Tamar, de vrouw die hem in de val liet lopen: ‘Zij heeft gelijk, zij is rechtvaardiger dan ik’ (Genesis 37:26). Opmerkelijk, want dat gebeurde in die tijd niet. In oude tijden had de man altijd gelijk, zeker in seksuele aangelegenheden. Echt een omslag. Het cynisme van Juda is hier verdwenen in een daad van zachtmoedigheid, die je van zo’n bikkelharde man niet zou verwachten. Hier blijkt dan ook dat de Here God die van Jozef in Egypte zijn hand niet aftrok, ook Juda in Kanaän niet losliet.
Plaatsvervanging
En van een bekeerde Juda kunnen we helemáál spreken, als we letten op wat hij veel later tegen Jozef zegt, als Benjamin in Egyptische hechtenis dreigt achter te blijven. Het is dan Juda die het met een prachtig pleidooi voor zijn halfbroer opneemt: ‘Maar uw knecht is borg geworden voor de jongen bij mijn vader met deze woorden: indien ik hem niet tot u breng, dan moge ik te allen tijde tegenover mijn vader in de schuld staan. Nu dan, laat toch uw knecht in de plaats van de jongen als slaaf voor mijn heer achterblijven’ (Genesis 44:32-33). Dit zijn prachtige, ontroerende woorden en het is geen wonder dat de edele Jozef op het horen van dit getuigenis in tranen uitbarst (Genesis 45:2). Hier is Juda de drager geworden van het geheimenis van de plaatsvervanging. Hij voor zijn broer. Wat toch ook het kenmerkende van onze Heiland is, en dan nog op een veel diepere wijze, dat Hij niet maar in onze plaats slaaf wilde zijn (zoals Juda voor Benjamin), maar dat Hij de straf van de Godverlatenheid voor ons wou dragen. Hij in onze plaats.
Iets van de Here Jezus
Kun je nu zeggen dat dit de reden is waarom de Here God aan Juda boven Efraïm voorrang verleende? Ik denk het niet, Gods verkiezing is niet gegrond op menselijke kwaliteiten. Ik zou het liever zo zeggen dat de Here in Juda’s optreden iets waarnam dat Hem deed denken aan het offer dat zijn Zoon eens zou brengen. Een verklaring voor Juda’s verkiezing zou ik dit niet durven noemen, maar de Here God zag daar doorheen iets van de Here Jezus. En dat stond Hem zo machtig aan! Want er is niets dat de Here God meer aanspreekt dan dat iemand met zijn leven voor een ander wil instaan. ‘Hierom heeft de Vader Mij lief’, horen we de Heiland zeggen, ‘omdat Ik mijn leven afleg voor mijn schapen’ (Johannes 10:15,17).
Heden en toekomst
Wie de zegen van vader Jakob leest, die merkt dat er twee zegenspreuken zijn die de andere eromheen in lengte overtreffen, die van Juda en die van Jozef. Twee torens in dat landschap, twee pijlers onder die brug. Maar bij alle gelijkheid van die twee in lengte is er toch een opvallend verschil. Die van Jozef gaat meer over het heden, die van Juda meer over de toekomst. Bij Jozef is het: er is dit en er is dat, bij Juda wordt het: er zal dit en er zal dat. Vader Jakob keek over Jozef heen naar Juda. En in die toekomst van Juda wordt dan nog bovendien gekeken naar een figuur die ook deze stam zou aflossen: ‘…totdat Silo komt en hem zullen de volken gehoorzamen’. Vader Jakob keek dus, behalve over Jozef, ook nog over Juda heen naar Silo, welke naam een aanduiding is voor de Here Jezus. Jozef, Juda, Silo – zo is het gegaan: eerst Jozef, de stam van Efraïm, met zijn uitbundige glorie van opgaan, blinken en verzinken, dan Juda, de stam van Juda, met de belofte voor koning David van een blijvende dynastie in zijn zoon, en dan Silo, in wie we een aanduiding van de Messias mogen zien die groot zal zijn door het geheimenis van de plaatsvervanging, de Christus die voor ons onder de toorn van God is gaan staan.
Grootmoedig en zachtmoedig
Jozef is de grootmoedige. Hij heeft zijn broers vergeven. Dat is veel. Juda is de zachtmoedige. Hij heeft zich borg gesteld voor zijn broer. Dat is meer. Zo klimt Juda boven de edele Jozef uit. In Juda breekt, meer dan in Jozef, het Nieuwe Testament door. Vandaar dat ik in het begin zei dat er reeds in het Oude Testament iets zit van die tweedeling van oud en nieuw testament. Het is de overgang van Jozef naar Juda, van grootmoedigheid naar zachtmoedigheid. ‘Ik heb mij borg gesteld’, horen we Juda zeggen. ‘Niemand heeft groter liefde dan dat hij zijn leven stelt voor zijn vrienden’, zei de Heiland (Johannes 15:13). Het meerdere van Juda bestaat in het beeld zijn van Jezus Christus, in de verwijzing naar Hem.
Juda boven Jozef
De geschiedenis van Israël overziende zeggen wij daarom, bij alle bewondering die we voor Jozef hebben, toch met vader Jakob: Juda, gij zijt het! En we kijken dan over Juda heen naar Christus. Want is dat niet precies de reden waarom we zoveel van de Heiland houden? Dat Hij zich voor ons heeft borg gesteld? Dat Hij zijn leven gesteld heeft voor zijn schapen? Ik geef toe dat wij mensen veel liever op Jozef dan op Juda lijken. Dat nobele van Jozef, daar leg je eer mee in. Juda heeft veel minder in huis en draagt zelfs afzichtelijke trekken uit zijn verleden mee. Maar toch, dat inzetten van zijn leven-in-vrijheid voor zijn broer… ‘Ook wij behoren dan voor de broeders ons leven in te zetten’, schrijft Johannes (1 Johannes 3:16). Mochten wij toch met onze levens een verwijzing naar dit mooie van Christus zijn! Zoals Juda dat was! Wat zou dat een rijke inhoud aan ons bestaan geven!
Drs. Henk de Jong is emerituspredikant van de Nederlands Gereformeerde kerk van Zeist en voormalig studiebegeleider van de TSB.