Het "Bangui-project" (4)

1986-08-08
  • Jaargang 30
  • nummer 30
In dit laatste artikel wil ik nog wat dieper ingaan op het probleem van de contexualiteit van de theologie in Afrika. Op de vraag dus in hoeverre de theologie Afrikaans kan en mag zijn, in hoeverre de Afrikaanse context medebepalend is voor net geloofsdenken daar. Dat is natuurlijk ook een vraag geweest toen het evangelie in onze streken gebracht werd. Het midden in de winter gevierde Kerstfeest zouden wij niet kennen als de Europese context of levensverbandelijkheid had moeten zwijgen bij de fundamentlegging van de kerk alhier. Tegelijk laat dit voorbeeld iets van het probleem zien want tot op heden toe is datzelfde Kerstfeest omstreden en zijn er christenen die het als een heidens overblijfsel afwijzen, Wat moet in Afrika als heidendom bestreden worden en wat komt voor kerstening in aanmerking?

Op een heel diepe manier kwam ik in Bangui met deze vraag in aanraking toen ik met de studenten daar Genesis 22 las. Ik stelde dat we deze geschiedenis van Abraham’s gang naar Moria moesten lezen tegen de achtergrond van het in die wereld bestaande gebruik van het kinderoffer. Maar hoe maak je nu in de uitleg van dit gegeven gebruik? Men kan er bijvoorbeeld de psychologische kant mee uitzwenken. Dat gaat dan als volgt: Abraham, wiens geest doordrenkt was van de kinderoffer-gedachte, kan op een gegeven moment niet anders dan menen dat God deze ingrijpende daad ook van hem vroeg. Aanvankelijk gevolg gevend aan dit gewaande bevel kwam echter de aartsvader allengs tot meer verlichte gedachten omtrent de wil van God. Op dramatische wijze vertelt Genesis 22 ons nu van deze doorbraak naar een meer acceptabel Godsgeloof. Het is duidelijk dat wij op deze wijze dit geweldige hoofdstuk niet als een heilsgeschiedenis maar als een zielgeschiedenis lezen. Niet dat dit nu altijd een volstrekte tegenstelling zou moeten zijn (ook onze ziel immers vaart wel bij Gods heilsgeschiedenis) maar wanneer de eerste voor de laatste wordt ingeruild geschiedt er toch echt een ramp.

Een eigenaardig gevolg nu van deze psychologische benadering en verklaring is dat je het heidendom leert verachten in plaats van te begrijpen. Dat werkt door in de zending die zo tot een instrument van de veel geroemde Verlichting wordt. ‘De mensen daar zijn niet wijzer; we moeten ze helpen hun onzinnige angsten te overwinnen”, luidt dan het parool. En wéér geschiedt zo wat maar al te vaak plaats grijpt, dat namelijk de psychologie (dat prachtige middel om het menselijk hart nader te komen!) wordt overvraagd en tot een alverklaarder bevorderd waardoor zij het omgekeerde bereikt van wat ze bedoelt. In plaats van de mens te kennen miskent zij hem ten diepste. Reden waarom op zulke psychologische benadering niet zelden in grote woede wordt gereageerd. De menselijke waardigheid is in geding.

De menselijke waardigheid is ook in de zending in het geding. Immers, het zijn geen onzinnige angsten waaronder het heidendom gebukt gaat. Abraham moest niet van een ziekelijke waan afgeholpen worden. Het is naar luid van de duidelijke tekst van het verhaal de Almachtige zelf die tot Abraham komt met het bevel Hem zijn zoon te geven, “Uw enige, die gij liefhebt, Isaäk”. Daarmee zegt God in de eerste instantie ‘ja’ tegen het kinderoffer. Ja, Abraham, die gruwelijke gewoonte van jouw cultuur die slaat ergens op. Dat jij, dat jullieop zegeningen reageert met een kwaad geweten en vanuit een besef: dat komt mij niet toe, dat is terecht; daar sluit Ik me bij aan. Alleen, Ik ga er vervolgens een heel eigen kant mee op. Ik ga je laten zien, Abraham, dat Ik die offerverplichting nu van je overneem en zelf op ,Mij neem. "Ik zal Mijzelf een lam ten brandoffer voorzien". Al je angsten gaan op schuld terug ,eri die ga Ik wegdoen. God zegt dus 'ja’ en vervolgens 'nee' tegen het menselijke kinderoffer. 'Ja' tegen het probleem dat er achter steekt en 'nee' tegen de oplossing. Zo kritiseert Hij het heidendom zeer diep (kritiseren is eigenlijk een veel te licht woord en neemt het niettemin serieus). Hij lacht en veracht het niet weg.

Tijdens het college waarin ik deze dingen uiteen zette bereikten wij een emotioneel hoogtepunt in onze samenwerking. Zonder dat ik het daarop toegelegd had voelden deze jonge mensen wier ouders of grootouders nog heidenen geweest waren zich door de Bijbel in hun diepste bedoelingen gekend. Niet geaccepteerd, niet over de bol gestreken ("Jullie hebt het allemaal erg goed bedoeld"), maar serieus genomen en in hun diepste angsten heus te woord gestaan. Wat is, dacht ik later, de Bijbel toch een levensecht boek en wat is met name het 'evangelie van de verzoening een werkelijkheidsgetrouwe boodschap, 'vooral die harde kern daarin: verzoening door voldoening. Juist vanwege de voldoening voelden mijn studenten zich voldaan. Bewogen uitten zij dat.Natuurlijk zijn hiermee niet alle vragen betreffende het overnemen en kerstenen van vroegere gebruiken 'beantwoord. of beter gezegd, daarmee is zo nog niet eens een begin gemaakt. Eigenlijk is alleen op een voorvraag ingegaan: hoe staat – het met ons respect voor de culturen waarin wij het evangelie verkondigen? Trachten wij wel te verstaan? Zijn wij in staat waarheidselementen te ontdekken in gewoonten en gebruiken die ons primitief voorkomen?
'Eer is teer' - dat moet niet alleen de diaken maar ook de zendeling in het hart geschreven staan. En bij wie niet, trouwens?', "Wie zijn naaste veracht, zondigt", zegt de Spreukendichter (14: 21) kort en goed. Nog eens, het gaat er daarbij niet om dat men mooi praat wat niet mooi is, maar dat we door de misvormde taal van veel onmenselijke gebruiken weten heen te luisteren tot op de menselijke hartenkreet die daar dan luid wordt. En dan laat ik het graag aan de betrokkenen en hun deskundigen over om in bijzonderheden uit te maken wat dáárvan bruikbaar is voor het nieuwe leven onder het evangelie. Ik denk trouwens dat de oudtestamenticus daarbij moeilijk gemist kan worden, want juist dn het Oude Testament komt die vraag naar afstoring en overname zo rijk gevarieerd aan bod.

Op één puntje wil ik in dit verband nog wijzen. In het tweede artikel van deze reeks had ik het over de geloofszendingen van deze eeuw waaraan wel het verwijt, gedaan wordt dat ze wat ar te ijverig te werk zijn gegaan tin het doorsnijden van de Afrikaanse wortels. Wat zijn toch wel geloofszendingen, zal wellicht iemand zich hebben afgevraagd. Bevat dat woord geen overtol1igheid omdat toch iedere zending geloofszending is? Toch wordt het woord duidelijk als je er de term 'Woordzending' naast zet. De Woordzending (een term trouwens die ik nu maar voor het gemak even maak) zaait het Woord van het evangelie en oefent verder als de boer geduld totdat het Woord zelf 'zijn vruchten voortbrengt. Geloofszending echter lijkt op dat I proces wat vooruit te lopen doordat het niet het Woord maar het antwoord zaait. Het antwoord des geloofs. ieder voelt denk ik wat het gevaar daarvan is. Dat namelijk de vruchten iets opgeplakts en aangepraats krijgen.
Iets geforceerds ook. Men kan niet afwachten. Men kan 'niet in de vrome zin des woords de dingen op hun beloop laten. Men mist het vermogen om met Elisa tot Naäman te zeggen: ga in vrede, - op een uit bijbels oogpunt toch, wel heel vreemd verzoek (vgl. 2 Kon. 5 : 18, 19). Geduld is zulk een schone zaak. En behalve dat, men loopt ook kans op deze manier de mensen antwoorden te leren op vragen die zij zelf niet stellen, Westerse antwoorden op westerse vragen.
Ik weet wel dat ik de dingen nu erg scherp tegenover elkaar zet en dat ik daarmee aan de geloofszendingen onrecht doe, maar het gaat er mij om het principiële verschil duidelijk voor ogen te krijgen. Dan kunnen we verder' gevoeglijk vaststellen dat àlle zendingen het gesignaleerde gevaar lopen. Welnu dan, als de contextuele theologie bedoelt tegen het gevaar van de te snelle antwoorden te waarschuwen dan doet ze een nuttig werk. Maar laat ze zelf bedenken dat ook door geduld gerijpte antwoorden niet automatisch goed zijn. Men kan ook tot verkeerde aanpassing vervallen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief