Het Liedboek

1986-08-08
  • Jaargang 30
  • nummer 30
ied 362
Dit Lied, dat aanvankelijk werd geschreven als oogstgedicht, is in het Liedboeopgenomen in de reekst van de avondmaalsliederen, "Wel is de eerste strofe geheel veranderd en omgewerkt". De tekst van de laatste twee regels van strofe 1 is nogal onduidelijk, ook wanneer deze bezien wordt in het licht van Jes. 63 : 1-6. De melodie die enige overeenkomst vertoont met die van Lied 130 en ook nog doet, denken aan een psalmmelodie vertoont geen eenheid. Overigens is het mogelijk dit Lied te zingen op de wijze van Lied 363. Tekst: 3; melodie:.2.


Lied 363
Ook dit Lied is "evenals 362 en 382 als oogstgedicht geschreven". (Comp. p. 821.) Ons bezwaar geldt de tekst, van de eerste regel: "O God, Die stierf onschuldig". Dit kan vervallen door i.p.v. ,,O God", te zeggen ,,OHeer".
De mooie melodie is algemeen bekend en is ook gebruikt voor: Lied 174 en 285. Tekst: 3 (bij de voorgestelde wijziging): melodie: 3:

Lied 364
De gedachte van de broederlijke gemeenschap degenen die in brood en wijn deel krijgen aan hetzelfde heilsgeheim kan wel worden aangemerkt als het thema van dit Lied. Daarbij rijst dan aanstonds de vraag wie bedoeld zijn in strofe 2 met de 'armen en de zwakken mede in verband met "het vervullen van de laatste wil des Heren". Over 't geheel genomen is de tekst niet sterk te noemen en is de zinsnede: "eensgezind door de wereld trekken" (strofe 3) wel wat "alledaags". De melodie is goed zingbaar al zou kunnen worden overwogen het Lied te zingen. op de bekende wijs van Lied 181 ("eigenlijk veel beter", volgens het Comp.). Tekst: 2; melodie: 3.

Lied 365
Bij het overwegen van de tekst van dit Lied valt het op dat strofe 1 in vergelijking met strofe 2 objectiever, van strekking is. Strofe 2 heeft een enigszins piëtistische inslag, wat niet te verwonderen is wanneer we bedenken dat het oorspronkelijke (Duitse) lied "te vinden is in bundels uit Duits sprekende piëtistische kringen" (Comp. 823). Wel is het slot van strofe 2 weer duidelijk omgebogen naar strofe 1 ("Wij weten dat Hij ons vergeeft"). De melodie is van een zeldzame schoonheid. "Het is bekend dat men Bach en ook Mozart de uitspraak toegeschreven heeft, dat zij hun beste werk er voor zouden hebben willen geven, wanneer zij deze melodie .geschreven zouden hebben". (Comp. p. 866). Tekst: 3; melodie: 3.

Lied 366
Dit Lied is gemaakt voor een leerdienst over Numeri 13: 25; 14 : 20. Tegen deze achtergrond moet het Lied gelezen en ook gebruikt worden. "De verspieders hebben het land doorzien en alleen Jozua en Kaleb hebben een goed gerucht van het land gegeven. Het volk mort tegen 'het land. Het morren is het verzet tegen de genade. Ons verzet tegen de genade loopt te .hoop tegen Hem. Zo geeft de tekst 'van dit Lied geen moeilijkheden.
Alleen moet nog gewezen worden op strofe 5 ,,'t graf van mijn begeren": dit herinnert aan Num. 11 :31-35: het vleesverslindende volk wordt door God geslagen - Kibroth Taäva d.i. "graven der lusten", massagraf der begeerte". (Comp. p. 824). We merken nog 'op dat het subjectieve element hier minder sterk is dan bij het vorige Lied. "Ik" staat hier in goed verband met de gemeenschap. De melodie is dezelfde als van Lied 195. Tekst: 3; melodie.3.

Lied 367
Het is duidelijk dat we in dit Lied te maken hebben met een gebed van de gemeente bij de huwelijksbevestiging: bruid en bruidegom hebben, hun jawoord herhaalden wanneer dit in het geloof wordt waargemaakt is het' als een door God "omsloten" ja. Een bezwaar geldt de 4e regel van strofe 1, die de toekomst met een bepaald niet fraaie tekst onzeker maakt: "Nog kent geen mens het wat en hoe". Verder zou o.i. met de 2e regel eigenlijk de eerste zin moeten worden afgesloten en met de 3e regel de volgende zin worden aangevangen. De 4e regel van strofe 2 vertoont een wat gedrongen constructie: "dit woord behoudt het in geloof".
De melodie is die van Psalm 121.
Tekst: 3; melodie: 3.

Lied 368
Vergelijking van de tekst van dit Lied met die van Psalm 127, waarmede het, begin overeenkomst vertoont, laat zien dat van strofe tot strofe deze relatie sterk afneemt. En dit komt de tekst dan ook niet ten goede: de terminologie wordt te veel op het woonhuis zelfs met het (open?) haardvuur, betrokken.
Het is een te gemaakt lied zonder schoonheid. De dichter heeft dit zelf mogelijk ook al aangevoeld, daar hij opmerkt: "dit is' het enige van de' twee gepubliceerde huwelijksliederen, dat het gezangboek haalde naar mijn mening niet het beste". (Comp. p. 826). De melodie doet teveel herinneren aan fragmenten van andere melodieën om een goede eenheid te' vormen. In het bijzonder geldt dit voor de laatste regel die sterk doet denken aan het , slot van Lied 133. Tekst: 1; melodie: 2.

Lied 369
Als bezwaar tegen dit Lied mag gelden dat 'het teveel in de sacramentele sfeer wordt getrokken. Dat het hieraan ook niet vreemd is blijkt wel uit wat de dichter er zelf van' zegt: "bij een kerkelijke huwelijksinzegening die het zonder de viering van de "eucharistia" zou willend moeten stellen wordt Gezang 369 al te argeloos gezongen. Waar de jonggehuwden deze zegenbede toegezongen krijgen zijn omstanders verondersteld die aanstonds disgenoten worden" (Comp. p. 829). Los van deze, gedachtegang zou het Lied wel acceptabel zijn: man en vrouw zijn "elkaars eten en drinken", dus onafscheidelijk, De melodie' is dezelfde als die van Lied 247, een prachtige melodie, hoewel onbekend, niet moeilijk te leren. Tekst: 2; melodie: 3.

Lied 370
De inhoud van dit Lied, oorspronkelijk afkomstig van Ambrosius, wordt grotendeels bepaald door de destijds geldende tegenstellingen tussen nacht en dag, duisternis en licht. De mensen van toen leefden in een bedreigde werelden speciaal de nacht was voor hen een tijd van verschikking. Het thema van de haan als heraut van de' dageraad neemt een belangrijke plaats in hun liederen in en de associatie met de haan uit het verhaal van Petrus leverde vervolgens een gemakkelijke constructie op van alles wat zich daarin rondom de figuur van Petrus heeft afgespeeld, zoals daarvan sprake is in strofe 4 en 5". (Comp, p. 830). Petrus wordt daarin evenwel ten onrechte nog als de rots der kerk aangemerkt. Overigens is de tekst niet duidelijk aansprekend, waarbij' voorts een duidelijke vergeestelijking van de natuurlijke dingen een rol speelt (strofe 2 en 3). Voor die tijd mogelijk wel aanvaardbaar, maar thans te exemplarisch: strofe 5 slaat op Petrus en wordt op ons toegepast. " "De melodie, op de juiste manier gezongen, vleiend, zonder zwaarte, kan als de meeslepende kracht van de middeleeuwse hymnemelodieën als nieuw doen ervaren".
Tekst: 1; melodie: 3.

A. t.a.v. de tekst der liederen: het cijfer 1 bij niet voluit Schriftuurlijke tekst, b.v, vanwege het humanistisch karakter of door een sterke piëtistische inslag; het cijfer 2 bij een weliswaar Schriftuurlijke, maar niet direct begrijpelijke, en aanspreekbare tekst; het cijfer 3 als de tekst volkomen Schriftuurlijk en zonder meer verstaanbaar is.

B. t.a.v. de melodie der liederen: het cijfer 1 voor een niet-aanvaardbare melodie; het cijfer 2 voor een onbekende melodie die na enige oefening, eventueel met behulp van een koor, door de gemeente wel te zingen is en voorts ook voor een melodie die niet bepaald tot "de beste", behoort; het cijfer 3 voor "een goede" melodie, geschikt voor de gemeentezang.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief