Goddelijke en/of inzettingen (3)

1988-12-16
  • Jaargang 32
  • nummer 47
Er zijn dus instellingen die zowel goddelijk als menselijk kunnen heten, zo hebben we de vorige maal gezien. Het overheidsgezag is er zo een. Maar ook van veel bijbelse voorschriften kunje zowel het een als het ander beweren.
Een verordening in vroeger tijd gegeven kan ook door een later geslacht als met goddelijk gezag bekleed ervaren worden, wanneer ze aansluit bij een algemeen levend besef.
Maar dan komt er een andere tijd, bepaald door nieuwe gebeurtenissen, en opeens ziet men het menselijk karakter van zo 'n verordening in en zet men haar met een tamelijk verbazend gemak opzij. Denk maar aan de konkretiseringen van het sabbatsgebod waarmee de ouderen onder ons zijn opgegroeid. Zo gaat dat met menselijke inzettingen en verordeningen, hoorden we Paulus lakoniek vaststellen, en hij heeft het dan over voorschriften waaronder zich echte Mozaïsche bevonden, zij het ook dat de latere traditie deze soms tot in het wanstaltige toe had aangedikt. Nu had de apostel vanuit het geloof in Jezus Christus een geheel nieuwe kijk op de werkelijkheid gekregen waarin deze geboden niet meer pasten, maar soms ontgaat het ons geheel hoe het komt dat het ene voorschrift uit de bijbel nog wel aanslaat en het andere gewoon niet meer.

Willekeur
In mijn eerste gemeente te Gees in Drente had ik de gewoonte de boeren op hun land op te zoeken. Ik genoot van de trots waarmee ze over hun werk vertelden en van hun vakmanschap dat zij ter plekke konden tonen.
Zo stond ik eens met een broederouderling voor een akker van hem waarop gerst en haver door elkaar heen groeiden, gereed voor hun toekomstige bestemming als kippevoer.
Ik zei: weet u dat Mozes er niet voor is dat het land met tweeërlei zaad bezaaid -wordt (Dtn 22: 9)? Nee, dat wist hij niet. En nu u het weet, wat gaat u nu doen? Rustig laten staan, zei hij. Goed, maar als uw dochter vraagt of ze een regenbroek op de fiets mag dragen, dan zegt u nee op grond van een voorschrift dat daar vlak bij staat (Dtn. 22 : 5; beide voorschriften gaan terug op dezelfde gedachte dat 's levens verscheidenheid een groot goed is en dat mengzucht dit grote goed bedreigt). Ja, zei hij, maar dat is iets anders. Het ging me in dat gesprekje eigenlijk noch om de ene noch om de andere gewoonte. 's Lands wijs 's lands eer, zeg ik van zulke dingen.
Nee, ik wilde dat we samen voelden dat er in ons bijbelgebruik een graad van willekeur zit. Waar we ook niet uitkomen door te zeggen dat het ene voorschrift oudtestamentisch en dus vervallen is en het andere nieuwtestamentisch en dus blijvend. Het is veeleer zo: het een spreekt aan (het was rond 1960) en het andere niet, om redenen die ons ten diepste ontgaan. Ik hoopte met dergelijke konversaties die ik wel meer voerde te bereiken dat de mensen iets niet te gauw voor 'schriftuurlijk' of 'onschriftuurlijk' zouden houden. Dat ze, om het een beetje plagerig te zeggen, met het schriftgezag een stapje terug zouden gaan. Natuurlijk om het werkelijke schriftgezag op te sparen voor dingen die er toe doen.

Het zwaarste der wet
J a, maar daar heb je het nu weer: wat doet er toe en wat niet? Ontkom ik zo zelf wel aan de willekeur in het bijbelgebruik?
Nu, ik erken dat ook ik een kriterium hanteer waaraan een subjektieve kant zit. Maar is dat te vermijden?
Paulus zegt toch ook dat de wet goed is op voorwaarde dat ze wettig wordt toegepast (I Tim. 1: 8)?
Daarmee is toch het gezag van de Schrift in handen gelegd van wie haar toepast? Tenminste tot op zekere hoogte, want die toepassing moet de gemeente wel overtuigen. Daarin ligt al een krachtig verweermiddel tegen de eigenmachtigheid. Verder is er ook nog zoiets als de natuurlijke evidentie van wat de Schrift wil. Daar werken de belijdenis geschriften ook mee en ook dat stelt aan die toepassing paal en perk. Zekeringen genoeg dus, maar ze nemen het subjektieve niet weg. Daarom zeg ik: wanneer maar voorzichtigheid en het aansturen op het zwaarste der wet (Matt. 23 : 23) het belangrijkste gevolg zijn van wat ik over deze dingen schrijf, dan ben ik dik tevreden. 'Het zwaarste der wet'er is evenwel een schriftbeschouwing die het zelfs aan de Here Jezus verbiedt zulke woorden te gebruiken, omdat alles in de bijbel even belangrijk zou zijn.

Vrede
Onlangs koos ik in de dienst als wetslezing één van de zogenaamde huistafeIs uit de brieven. Vrouwen, weest uw man onderdanig... slaven, gehoorzaamt uw heren ..., dàt gedeelte, Kol. 3: 18-4: 6. Nu weet ik dat onze huwelijken in het algemeen geen onderdanigheidsrelaties meer zijn en de slavernij is ook allang afgeschaft.
Met zo'n schriftgedeelte zou ik dus de serieus luisterende gemeente in verwarring kunnen brengen. Anderzijds wil ik zulke passages van de bijbel in de gemeentelijke samenkomst ook niet doodzwijgen, omdat er zo prachtig de zorg van de Here voor onze onderlinge verhoudingen uit spreekt. Wat dus gedaan? Wel, ik leidde deze lezing als volgt in: gemeente, hier spreekt de Schrift in een kultuur die de onze niet (meer) is.
Eerbiedig luisteren betekent hier dus ook historisch luisteren. En dan valt uit dit gedeelte voor ons deze boodschap op te maken, dat onze God vrede wil in alle verhoudingen waarin het leven ons stelt. Vrede. Ik weet ook wel dat ik zo de heikele gezagsvraag die dit gedeelte oproept omzeilde, maar wat is het alternatief? Wanneer je zulke woorden zonder kommentaar voorleest, roep je dan geen schijnwerkelijkheid op? Een schijnwerkelijkheid omdat niemand zijn huwelijk of zijn werk nog zo beleeft? Daar ben ik nog het meest bang voor: dat wij in onze zorg om een bijbelse levensstijl langs het werkelijke leven heenpraten.

Steen en natte kalk
Maar waarom lees je dan ook niet gewoon de Tien Geboden, zal iemand zeggen. Dan heb je zulke moeilijkheden niet. Afgezien van het sabbatsgebod is dat waar. De Tien Woorden trekken zich op heel basale waarden van het leven terug. Dat is, ook liturgisch gesproken, het grote voordeel van de Dekaloog. Deze verbondswoorden treden niet in détails en zijn daardoor ontheven aan het al te tijdelijke. Dat is dan ook de reden waarom de Schrift zegt dat ze op steen geschreven zijn en destijds in de ark gedeponeerd zijn geworden.
Daarnaast weet de Schrift van verordeningen die op de natte kalk werden aangebracht (Dtn. 27 : 8) en terzijde van de ark gelegd (Dtn. 31 : 26). Een kenmerkend verschil dat de Schrift niet zozeer zelf maakt maar dat toch uit haar valt op te maken. En trouwens, bijna is dat eerste toch het geval, in Dtn. 4: 13, 14 waar Mozes over de Horeb-openbaring zegt: "En Hij maakte u het verbond bekend, dat Hij u gebood te houden, de Tien Woorden, en Hij schreef ze op twee stenen tafelen. En mij gebood toen de HERE u inzettingen en verordeningen te leren, opdat gij die zoudt nakomen in het land, waarheen gij trekt om het in bezit te nemen". Duidelijk maakt het boek Deuteronomium hier verschil tussen de Tien Woorden die God zelf rechtstreeks tot het volk sprak, en de inzettingen en verordeningen van Mozes met het oog op het land waar Israël lange tijd zou wonen.
Die Mozaïsche inzettingen en verordeningen hadden iets goddelijks: ze maakten deel uit van de Horebopenbaring, en tegelijk iets menselijks, omdat ze een toepassing vormden van de Tien Geboden op de konkrete situaties van Kanaän. De apostel Paulus is zich van hetzelfde verschil bewust als hij in I Korinthiërs 7 de ene keer zegt (ik haalde dat al eerder aan): dat zegt de Here, niet ik (vs. 10), en de andere maal: dat zeg ik, niet de Here (vs. 12). Jammerlijk fout is het wanneer men uit zulke formuleringen de konklusie zou trekken: 0, 't is Mozes of Paulus maar die dat zegt. Want beiden spreken in zulke situaties als gevolmachtigde dienaars van God met een meer dan menselijk gezag. Het eigenaardige is alleen dat een andere tijd of kultuur dat spreken duidelijk in z'n tijdelijke of plaatselijke strekking onderkent en zich vrij voelt er afstand van te nemen. Het later komende geslacht herkent dan Gods wil in weer andere toepassingen en gestaltegevingen, die ook zeker door de bijbelse boodschap gevoed zijn, maar in een meer indirekte en zoekende zin; men is geen apostel meer. En zo begint dan de Heilige Schrift, afgezien van haar centrale inhoud en haar kemgeboden, meer als wijsheids dan als wetboek te funktioneren.
Dat geldt voor zowel het Oude als het Nieuwe Testament.

Ongehuwd samenleven
Inde diskussie van deze zomer sprak ds Waagmeester mij aan op het besluit dat de kerkeraad van Amsterdam-Centrum destijds ten aanzien van het ongehuwd samenleven genomen heeft. (Hij maakte mij er in een brief attent op dat ik in onze eerste gedachtenwisseling daar niet op ingegaan was.) Zelf heb ik daar ook een werkzaam aandeel in gehad door op dit besluit een brede toelichting te schrijven die later als brochure bij Opbouw verschenen is. Welnu, zegt ds Waagmeester, bij die besluitvorming hanteerden jullie toch ook de Schrift als het boek van Gods geboden voor de konkrete levenspraktijk?
Jullie lietenje daar toch niet van atbouden door een zogezegde kultuurgebondenheid van de bijbel? Een duidelijke vraag van mijn kollega.
Heeft hij geen gelijk? Wel, ik heb dat besluit en die toelichting er nog eens op nagekeken. En mij bleek dat het tekstmatig argumenteren met bijbelse voorschriften daarin toch een bescheiden rol speelde. Zelfs werd ten aanzien van het konkrete schriftbewijs een verlegenheid opgebiecht, al viel er toch wel iets te oogsten. Het is waar, "Dit wil God, uw heiliging" (I Thess. 4: 3), dat zegt de apostel en daar knoopten wij bij aan. Maar het hoofdbezwaar dat tegen de opkomende gewoonte van het voorechtelijk samenleven wordt ingebracht is toch niet zozeer deze of gene tekst, maar veel meer het argument dat op deze manier het huwelijk - een publiekrechtelijke zaak omdat het zo'n kostbaar goed is! - door de samenlevenden in eigen beheer genomen wordt en dat dat een geweldige zelfoverschatting is. Het huwelijk is te belangrijk dan dat het door twee mensen gedragen zou kunnen worden; daar heb je de samenleving, de gemeente en de aanroeping Gods bij nodig.
Daarom kunnen we in de totale privatisering van het huwelijk niet berusten.

Schrift en verstand
Het staat er dus mee als met de verdediging van de kinderdoop. Een letterlijke bijbeltekst, zoals de fundamentalisten daar altijd weer naar vragen, kun je voor de zuigelingen-besprenkeling.
niet leveren. Maar vanuit een besef dat je je met behulp van het geheel der Schriften hebt eigen gemaakt, beoordeel je zulke verschijnselen op hun waarde of onwaarde en zegje tegen de kinderdoop ja en tegen ongehuwd samenleven nee. Of is dat te vaag?
We moeten ons van zulke letterknechterige kritiek maar niets aantrekken.
We hebben de bijbel en we hebben ons verstand. Ten aanzien van beide bidden we God dat zijn Geest ze verlichten en naar elkaar toe openen mag, zodat we de wet wettig kunnen toepassen - om nog eenmaal Paulus aan te halen. Vandaar dat ik in mijn zoëven genoemde brochure tegen het aanvoeren van bepaalde teksten een duidelijk nee heb gezegd omdat het voortvloeide uit een onoordeelkundig lezen van de Bijbel. Wel brengt deze benadering mee dat over veel onderwerpen diskussie en verschil van mening mogelijk is zonder dat de vreze Gods in het geding komt.
Laat men zijn argumenten en zijn tegen-argumenten maar naar voren brengen, of het nu over geloofsdoop of over ongehuwd samenleven gaat.
We hoeven er niet bang voor te zijn.
Ons onderling geploeter staat trouwens onder een belofte: samen zullen we verstaan (Ef. 3 : 17b-19).

De volgende maal iets afsluitend, bij leven en welzijn.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief