Het Liedboek

1988-12-23
  • Jaargang 32
  • nummer 48
Lied 484
"Een beeldend gedicht", zo kan in 't kort dit Lied worden getypeerd. Maar de mystieke, mysterieuze zelfbeschouwing: "Waarom moest ik Uw stem verstaan?" (strofe 1); Mijn God, mag ik niet eens mijzelf behouden?" (strofe 2); "Ben ik wel Uw beminde?" (strofe 3); "Spreek Gij dan in mijn hart en zeg, dat het zo goed is". (strofe 4), maakt het als kerklied niet aanvaardbaar. Daarbij is het beeld zo hier en daar wel wat overtrokken (strofe 3) en spreekt 't geheel negatiever aan dan de bijbel zelf doet, al is veel verstaanbaar tegen de achtergrond van ellende en verdriet. De melodie is goed, maar niet gemakkelijk en enige oefening is dan ook wel gewenst.
Tekst: 1; melodie: 3.

Lied 485
De bijbelse achtergrond is in dit Lied wel aanwijsbaar, maar de tekst is erg vlak: "Dat wordt nog niet geweten, dat is sinds lang vergeten", (strofe 1); "Gij enige bevrijde, die, toen Gij werd verzocht, uw ziel en zaligheid aan de duivel niet verkocht" (strofe 2); "Geef dat wij als bevrijden nu zonder vrees of blaam met deze vijand strijden ... terwille van wie smachten of niet de vrijheid komt" (strofe 3). Het geheel maakt sterk de indruk dat de lengte van de strofen, zoals die werd bepaald door de lange melodie, werd verkregen door een opeenstapeling van woorden en gezegden. Daarom achten we dit lied voor de gemeentezang niet geschikt.
De melodie is ook erg zwak vanwege de lengte en de herhaling: de wijs van de eerste 4 regels wordt herhaald bij de laatste 4.
Tekst: 1; melodie: 1.

Lied 486
De inhoud van dit Lied wordt volgens de dichter bepaald door het feit, "dat de rijkdom waarom het hier gaat niet zozeer onze materiële rijkdom is, als wel onze rijkdom aan geestelijke goederen, die wij op zo'n onbegrijpelijke wijze hebben laten verslonzen en waarmee wij geestelijk én materieel maar zo weinig hebben uitgericht, -weinig wat er aanspraak op zou maken, in de navolging van Christus te zijn gedaan. Dat wij daarvoor te boeten hebben, moest ons toch duidelijk zijn. Ja, misschien zullen wij in onze tijd de bittere ervaring moeten verwerken, dat het Evangelie ons Europeanen wordt afgenomen, nadat we er zoveel eeuwen lang zulke afschuwelijk slechte rentmeesters van zijn geweest". (Comp. p. 1113). De vraagstelling in diverse strofen doet denken aan die van b.v. Ps. 77:8-10 en Jes. 63 : 15-17. Het is duidelijk dat dit lied, gezien de tekst, steeds in zijn geheel moet worden gezongen.
De melodie is o.i. jammer genoeg te moeilijk om als kerkzang goed te kunnen functioneren. Tekst: 3; melodie: 2.

Lied 487
Dit Lied is bijzonder goed van stijl en inhoud. "Het is een zeer persoonlijke confessie, waarin (juist vanwege het "ik" der zingende gemeente) de HEER in alle opzichten de eerste Persoon is,en de dichter heeft zijn tekst dan ook welbewust gehoord "in het verlengde van Psalm 139". Zonder ergens direct te citeren maakt de auteur in bijna iedere regel toespelingen op schriftuurlijke zegswijzen, zoals "opnieuw geboren" (regel 2, Ie strofe), zie Joh. 3: 3; "een levend hart" (regel 4), zie Jer. 31 : 33, 2 Cor. 3 : 3; "mijn onvermogen" (regel 6), zie Ps. 103: 12-14". (Comp. p. 1114 ).
De melodie is voortreffelijk, "waard om veel gezongen te worden". Vooral letten op de rusten aan 't begin van de 3e en 5e regel.
Rustig tempo.
Tekst: 3; melodie: 3.

Lied 488
De tekst van dit Lied is een goed voorbeeld van een passend lied in onze tijd.
"Het lied is zonnig en kinderlijk, schijnt uit het zingen van de vogels en het bloeien van de bloemen tot Gods tegenwoordigheid te concluderen; dat doet het intussen op eenzelfde manier als Jezus in de Bergrede (Matth. 6 : 25-
30), in de laatste regel van de 3e strofe geassocieerd met Matth. 10: 29-32.
Wie verder doorgraaft ontdekt dan ook veel dieper wortels, die vooral in de 4e strofe worden blootgelegd: "Gij zijt ons licht, ons eeuwig leven, Gij redt de wereld van de dood". (Comp. p. 1117).
Voor dit lied zijn 2 melodieën aangegeven: de eerste is die van Psalm 140, de tweede is nieuw, maar verdient o.i.
wel de voorkeur. Er moet op worden gelet dat de 2e en 4e noot niet te lang worden aangehouden!
Tekst: 3; melodie: 3.

Lied 489
Het Liedboek sluit af met een 5-talliederen (487 t/m 491) van Huub Oosterhuis, waarin de bijzondere, dichterlijke gaven van de schrijver wel duidelijk aan het licht treden. Zijn dichtwerk is goed getypeerd door Schulte Nordholt: "Oosterhuis heeft een heel eigen taalgebruik.
Heel eigenzinnig en weerbarstig vertaalt hij de bijbel in moderne spraak, voor zijn vertrouwde aanhang heel herkenbaar, maar voor buitenstaanders wat onwennig" (Trouw 15/1 '87).
Maar een goed gedicht betekent, mede gezien tegen deze achtergrond, nog geen aanvaardbaar kerklied. Dat wordt wel duidelijk in dit lied, dat naar het oordeel van het Compendium "zich in een aantal bewoordingen op de rand van het kerklied beweegt". O.i. is het te beschouwend, filosofisch van aard en te weinig gericht op Gods trouwe Vaderzorg en het heil gegeven in Christus Jezus. Naar de inhoud lijkt het in de lijn van het boek Prediker te komen, maar dit laatste biedt toch meer.
De melodie is zeer goed en niet moeilijk.
Tekst: 1, melodie: 3.

Lied 490
Ook van dit gedicht moet worden gezegd dat het te weinig een Lied is voor de kerkelijke gemeenschap. Het geeft uitdrukking aan een eigentijds. levensgevoel van verlangen, maar spreekt niet of nauwelijks van verwachting. "Voor wie het oor goed te luisteren legt, is ook lied 490 daarom wel door een brede rand van twijfel omgeven, meer zelfs dan 163, waar de verschijning van het levenwekkende licht althans middenin-
staat". (Comp. p. 1121). Het afsluiten van het lied met een vraag bevestigt deze conclusies: het is te negatief.
De melodie is prachtig, maar niet direct geschikt voor de gemeentelijke samenzang.
Tekst: 1; melodie: 2.

Lied 491
Bij het overwegen van de tekst van dit Lied "wordt meteen de vraag opgeworpen, in hoeverre een zo poëtische tekst inderdaad als kerklied kan functioneren.
Het lied is in zoverre een gebed, dat het helemaal geschreven is "van man tot man": blijkbaar worden deze tastende, ootmoedige, mediterende, bewonderende, smekende woorden tot de Messias Jezus gezegd, - maar Hij wordt nergens met name genoemd .....
Hij wordt gezocht en blijkbaar laat Hij zich ook vinden, maar de grond waarop die zekerheid rust, geeft de dichter nergens aan. Hij gebruikt bijbelse beelden, maar de opzettelijke verwijzing naar bijbelse woorden of daden blijft achterwege.
Men kan denken aan bepaalde Schriftplaatsen, maar het wordt nergens expliciet gemaakt". (Comp. p. 1122, 1123).
De melodie is goed, al is vooraf oefenen wel gewenst. Door de begeleiding zoals deze in het 4-stemmige Liedboek is aangegeven, verliest ze helaas aan waarde.
Tekst: 1; melodie: 3.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief