Terloops

1988-12-23
  • Jaargang 32
  • nummer 48
Als kind had ik het niet op kosters.
Ik vond de koster in de gereformeerde kerk van Zaltbommel nogal bazig en ging hem graag uit de weg. Dat was niet gemakkelijk voor me, want hij was de vader van een vriendje van me. Hoe dat zo is gekomen, weet ik niet. Misschien heb ik het boekje van Van der Hulst over de boze koster te vaak gelezen. En als er nu iemand is die denkt, dat ik een kwaad geweten had, die heeft het mis. Nooit heb ik een poging gedaan wat uit de collectezak te halen. Zelfs de begeerte daartoe is nooit bij me opgekomen. Bij één van m'n zussen wel. Ze zegt echter nooit tot de daad te zijn gekomen.
Opeens ging ik anders denken over kosters. Dat was toen ik verliefd werd op de dochter van een koster.
Alles werd toen anders en ik ging o.a. inzien, dat een koster eigenlijk geen gemakkelijk baantje heeft. Hij doet de dingen nooit voor iedereen goed. Er is er allicht één, die wat aan te merken heeft. De een vindt het te warm in de kerk, een ander vindt het te koud. Om maar iets te noemen! Ik denk, dat je het in het kostersvak alleen volhoudt, als je je eigen gang maar gaat. En ja, misschien lijkt dat dan wel wat bazig.
In Israël waren er dorpelwachters bij de tempeldienst en daarom noemen we onze kosters ook wel eens zo. In Psalm 84 zingen we over een dorpelwachter. 'Ik verkeer veel liever needrig aan uw drempel dan dat ik aanzit, hooggeacht waar men de HERE God veracht'. Deze psalm is 'van de Korachieten'. De Korachieten deden in de tempel dienst als zangers (2 Kron. 19: 19).
Ze namen een vooraanstaande plaats in en bij hun dienst vergeleken, was de dienst van een dorpelwachter een nederige. Ze zouden echter liever een dorpelwachter zijn dan te vertoeven in 'de tenten der boosheid'.
Mochten er zijn, die het kostersschap vandaag ook wat minder vinden dan b.v. het ambt van ouderling of diaken, dan vergissen ze zich. Het kon mijn schoonvader in ieder geval niets schelen wat de mensen er van dachten; hij zong het vers uit Psalm 84 altijd uit volle borst mee.
Vroeger hield het kostersschap meer in dan tegenwoordig. In Rijswijk (niet bij Den Haag, maar in Gelderland) moest in 1653 een koster worden benoemd en van hem werd verwacht, dat hij o.a. 'die jonghen (zou) leeren singhen, leesen und scriven ...' Ook had een koster toen geen vast salaris.
Dat was misschien niet zo erg, want met die vaste salarissen van kosters is het nooit zo best gesteld geweest.
De koster van Sint Maartenskerk te Zaltbommel kreeg vroeger per handeling uitbetaald. In een oude kerkrekening van 1534-1549 werd o.a. het volgende genoteerd:

'Item noch heeft die custer van die middach clock te cleppen en de te luijden, van die kerckmeijsters tweijntich Stuivers ...'

En dit: 'Item dat hij die tafel op doet van den ghilden weghen een mengelen (0.75 liter) wijns'

Met kostersbenoemingen ging het vroeger ook niet altijd even vlot.
Toen in 1562 in de algenoemde plaats Rijswijk een koster moest komen werd een zekere Willem Henricks gekozen. De pastoor dacht, dat hij paus was en probeerde de benoeming te verhinderen. De aanhangers vanWillem Henricks stelden kort en bondig, dat, als er een andere koster zou worden benoemd, zij die 'wolden slaen und mitten haere uyt der kercke sliepen'. Toch kreeg de pastoor gelijk, toen de zaak voor het gerecht kwam, met als gevolg, dat beide candidaten moesten worden geëxamineerd (vooral voor het schoolmeestersschap ). Toch lachte Willen Henricks het laatst en dus het best, want om een of andere reden kreeg hij de fel begeerde baan.

-0-

Wat is de les voor vandaag? Onder meer, dat de koster zijn loon waard is. Evenals - om er nog één te noemen - de organist.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief