Dr G. Puchinger .Kuyper-herdenking 1987"

1988-12-23
  • Jaargang 32
  • nummer 48
Dr G. Puchinger Kuyper-herdenking 1987"
Vijf opstellen en lezingen ter gelegenheid van de herdenking van de honderdvijftigste geboortedag van Abraham Kuyper, 29 oktober 1987, uitg. Kok, Kampen, 56 blz., prijs fI2,50.

In deze bijdragen legt de schrijver bijzonder het accent op 'het religieuze aspect van Kuypers persoon en werk, want eerst van daaruit is het mogelijk oog te krijgen op het veelzijdige levenswerk van de zozeer zelfstandige zoeker dr Abraham Kuyper, die gedurende zijn gehele leven van jaar tot jaar steeds zijn eigen weg zocht en vond.' (omslag)

De schrijver is sterk geboeid door de persoon van Kuyper en diens levenswerk; hij publiceerde verschillende studies daarover, o.a. een eerste deel van een meervoudige Kuyper-biografie, Daarbij heeft hij de beschikking over K's archieven, die bij de Vrije Universiteit te Amsterdam zijn ondergebracht.
We mogen wensen dat deze biografie compleet zal kunnen verschijnen, ook omdat daarin een tekening van de gereformeerde wereld van rond de eeuwwisseling een plaats zal krijgen en de relatie daarvan met onze geschiedenis zal blijken.

Dr Puchinger heeft zich als historicus niet alleen een omvangrijke, maar zeker ook een zware taak gesteld. Hij zegt daarvan: "Idealiter kan (...) alleen hij geschiedenis vertellen en schrijven, die de afschuwelijke en 'verheven' diepten der ziel enigermate uit eigen levenservaring kent; die niet alleen denkt over het verleden, maar er ook over heeft nagedacht.
Verdriet en vreugde, wanhoop en voldoening, tegenslagen en geluksmomenten, mislukkingen en succes werken er aan mee om ons te vormen tot historicus, waarbij wij moeten bedenken dat een ieder historicus is, zodra hij over het verleden en over personen uit het verleden nadenkt. Want of wij ons verleden willen vergeten of in stand wensen te houden, of wij het kwijt willen of er dankbaar voor zijn (ook de combinatie is mogelijk!), of wij het waarschuwend voor ons zien opdoemen of er op willen voortbouwen, geen onzer komt ooit geheel van 'zijn' verleden los, ook een 'geestesvolk' niet, dat wil zeggen een volksgroep die een zeer bepaald geestesleven heeft ondergaan of heeft voortgebracht" (41/2).

In het voor ons liggende boekje komt dit sterk tot uiting. De strijd van de jonge Kuyper, student aan de universiteit te Leiden, waar hij geleidelijk het modernisme en de gevaren die het met zich bracht ging onderkennen. Zijn 'eerste bekering', zodat hij ontdekt werd aan zonde, berouw, genade. Daarna zijn predikantschap te Beesd, waar hij door een deel van zijn gemeente de Waarheid van Gods Woord, zoals die in de reformatietijd is beleden, ging verstaan, zijn 'tweede bekering'. Dr. Puchinger tekent ons dit duidelijk en boeiend, voor een deel puttend uit brieven, die Kuyper aan zijn verloofde schreef. Daar, in die eerste gemeente, ging een wereld voor hem open; hij -rnan van de daadkwam onder de greep van Gods Woord en zag zich in idt land, waar liberalen en ethici het leven beheersten, een taak gesteld. In de kerk, in de politiek, in het maatschappelijk leven.
In de jaren nà Beesd, toen hij in Utrecht en Amsterdam predikant was, bracht Kuyper onvermoeid de eisen van Gods Woord naar voren, werd hij een strijder, die de anthithese - de steeds zich openbarende tegenstelling tussen de dienst van God en die van de door mensen ontworpen gedachtenspinsels en stelsels - stelde ('de religieuze Kuyper').
Kuyper was een 'spiritueel schrijver', die de bladen die hem ter beschikking stonden ("De Heraut" en "De Standaard") gebruikte voor zijn oproep tot reformatie en daarin leiding trachtte te geven aan op gang gebrachte ontwikkelingen en in concrete situaties.

Vragen we nu naar de betekenis daarvan voor het heden, dan laat dr Puchinger ons o.m. zien dat Kuyper "in 'zijn' kerk trouwe volgelingen schiep tot in het tweede en derde geslacht, die echter veelal meer gekenmerkt werden door confessionele discipline rondom de door Kuyper opgebouwde theologie, dan door theologische creativiteit, terwijl het politieke instituut dat hij schiep tegen zijn onderdom geleid werd door hoogbegaafde talenten (...), maar die moeilijk met Kuyper samenwerkten, omdat Kuyper ze nauwelijks een eigen politieke creativiteit en de daarvoor nodige speelruimte toestond." (50) Tegenstanders van hem zagen niet dan "een drijver en een volksmenner, die mogelijk met de beste bedoelingen maar tevens op wereldse wijze het werk Gods voorstond en volgens hen dus in geestelijke zin tegenstond" (53).

Op dit punt ben je geneigd de auteur te vragen waarom hij enkel ons een beeld van de strijdende Kuyper voorschotelde.
Er is toch in dit leven méér op te merken. "De religieuze Kuyper" betoonde (soms ook) een diepe afhankelijkheid van de HERE. Dat komt wel bijzonder uit in de bundel meditaties, die hij naliet. Bladerend in het boekje "Voor een distel een mirt" (6e druk, 1927) kwam ik de volgende passage tegen: "En telkens rees in uw zoekend hart weer de bange vraag op: Hoe kan het bestaan, dat die Heere des hemels en der aarde naar zulk een nietig en doemschuldig wezen de hand van trouwe als naar een bondgenoot zou uitstrekken!"
(29) en hij gaat dan verder met er op te wijzen hoe het zwakke geloof gesterkt wordt door de sacramenten. Dat accent, die nederige afhankelijkheid vind je in Puchingers geschrift niet. Opmerken wat God de HERE doet, we signaleerden het reeds in een vorige bespreking (in het nummer van 25 november jl.) lijkt de historicus minder tekenend voor de figuur Kuyper. Maar ook zó is hij instrument in Gods hand geweest, de grote Kuyper.
Dat na te gaan is ook de moeite waard.

M. de Jonge, Voorburg

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief