"Dus bleef Izaäk in Gerar" (Gen. 26: 1-6)

1986-08-15
  • Jaargang 30
  • nummer 31
Izaäk. Eén enkel gezin in heel de wijde wereld. Drager van Gods belofte. Alleen. Kwetsbaar. Zwak. Hoe zwak, dat blijkt: er kwam een hongersnood in het land. In het BELOOFDE land... Zoals in Abrahams dagen, toen Abraham nog maar net in het beloofde land verbleef.

Een gebruikelijk, toevallig natuurverschijnsel? Maar de natuur is geen zelfstandige, persoonlijke macht.: Het boek Genesis verhaalt ons van twee machten van meet aan. Beide zijn personen: God en satan. De laatste vergeten we vaak - hij houdt zich vaak verscholen. In Gen. 12 : 10 v.v. zien we de prille band tussen Abraham (de zegen der volkeren) en Kanaän (de werkplaats van Gods heil) verbroken. Abraham trekt naar Egypte om zich en de zijnen van de hongerdood te redden. In Gen. 26 herhaalt de geschiederris zich: Izaäk gaat op weg naar Egypte.
Wie wil de geschiedenis van Gods heil ombuigen, op dood spoor zetten? Wie anders dan Gods tegenstander - de mensenmoordenaar van den beginne? Hoeveel mensenlevens dat gaat kosten in Kanaän, raakt hem niet. Hij leeft van de haat - koste wat het (een ander) kost.

Zwakke positie
De zoon der belofte vormt .een karavaan en trekt met zijn gezin (Ezau en Jacob) richting Egypte, de korenschuur van toen. Gerar is een halteplaats op de route: Izaäk kan als erfgenaamgebruik maken van de rechten, die Abraham kreeg toegezegd van Abimelech, de koning der Filistijnen. Onderweg verschijnt hem de HERE. Hij is er en waakt. Hij bepaalt de 'geschiedenis van vhet heil: .daal niet af naar Egypte, vestig u in het land, dat Ik u zeggen zal (vgl. 12 : 2): "Dat Ik u zeggen zal... ": God heeft het voor het zeggen. Ook en juist als het gaat om de zoon der belofte en allen die in zijn verbond delen. Abraham, Izaäk en Jacob mogen groten in Gods rijk heten, niettemin gebruikt God hen - hun leven is onderworpen aan Gods plan. Daarnaar hebben ze zich gevoegd.
God heeft Izaäk nog meer te zeggen: vertoef in dit land als een vreemdeling. Met dit bevel bepaalt de HERE de positie van de zoon der belofte in het land der belofte. Zijn status wordt die van een rechteloze, onbeschermde, . soms vogelvrije vreemdeling. Geen landsbezit, geen verzwagering met de koning van Gerar ofwie ook: geen gekochte veiligheid of bescherming. Vreemdeling en (gedulde) bijwoner - meer niet. Alléén tegenover velen. Kwetsbaar. Zwak. Maar hoorde Paulus later God 'niet zeggen: mijn kracht wordt juist ontplooid in (jouw) zwakheid (2 Cor. 12 :9)?

De prijs der lankmoedigheid
Kwetsbaar? Alléén? Maar onderwerpt Izaäk zich aan het bevel, "dan zal Ik met u zijn en u zegenen”, zegt God. Zo wordt "vreemdeling zijn" geen hachelijk waagstuk, maar een zaak van zekerheid des geloofs: Hebreeën 11 staat er vol van. Waarom maakt God het Izaäk ZJO moeilijk? Waarom geeft Hij hem het land niet meteen, i.p.v. hem te laten leven bij de belofte? Het antwoord ligt in het verleden: de maat der ongerechtigheid der Amorieten is nog niet vol (15: 12-16). Incidenteel kan dat wèl het geval zijn: Sodom en Gomorra. Daar heeft het kwaad de grens overschreden: een duidelijk signaal voor Kanaäns bewoners.
Maar. Gods lankmoedigheid, geduld met de Amorieten betekent, zoals wijlen prof. B. Holwerda het formuleerde, ook uitstel der verlossing en dus verzwaring (hongersnood o.a.) voor Izaäks leven. God werkt zijn heil op zijn tijd, rechtvaardig en lankmoedig zelfs tegenover "goddelozen": zij mochten zich eens (zoals Iater Nineve) bekeren! Niet de Amorieten (of wie ook) worden de dupe van Gods heilswerk. Eerder worden dat de kinderen der belofte, des verbonds. Weliswaar is het heil met het, werk van Christus en de komst van de Geest nu al veel verder ontplooid. Maar in de .situatie van het vreemdeling-zijn is onder andere omstandigheden nog niet veel veranderd: geliefden, ik vermaan u als vreemdelingen en bijwoners, schrijft Petrus (I, 2 : 11). Paulus wijst erop dat we burgers zijn van een rijk in de hemelen (Fil. 3 : 20). Leven bij de belofte kan sommigen tot spotten verleiden: van uitstel komt afstel. Maar, opnieuw Petrus, God is lankmoedig. Hij wil niet dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen (11, 3 : 9).

De weg van het geloof
God laat, ook nu niemand de dupe worden van de (volle) vervulling van zijn beloften. Hij geeft de wereld de volle tijd. Dus neemt Hij voor de inlossing de tijd. Elke nieuwe generatie zal lankmoedigheid moeten leren: ook. dat is een geloofsopdracht. En dat terwijl Gods geduld in feite verzwaring van het bestaan met zich meebrengt. Weliswaar delen de kinderen des verbonds in Gods herhaalde verzekering: Ik zal met u zijn, te zegenen. Maar het uitstel vande dreiging (van Gods toorn) voor de één is uitstel der belofte voor de ander" (B. Holwerda).
Aan Izaäk en de zijnen ging de hongersnood niet voorbij: hij mocht niet eens naar Egypte, zoals Abraham. Hij kreeg de last van het vreemdeling-zijn in eigen beloofd land opgelegd. In het verlengde daarvan ligt ook ons vreemdeling zijn. Misschien nog treffender dan bij Izaäk: “Ons is de hele wereld beloofd. Tegelijk delen we in alle ellende die over en door de wereld gaat. En wij kunnen noch mogen ons heil ergens anders zoeken.” Daarmee wordt een zware wissel getrokken op ons geloof, maar "het geloof is de enige weg tot de erfenis". Dat ervoer Abraham - God wijst Izaäk op hem - toen hij het schijnbaar absurde bevel kreeg; de zoon der belofte te offeren. Zijn geloof werd gestaald. Izaäk gaat in de weg van zijn vader: dus bleef Izaäk in Gerar een geloofsbeslissing. Een waardige zoon van Abraham, de vader aller gelovigen. Mogen wij, niet door afkomst maar door geloof, waardige kinderen van Abraham blijken. Gehoorzaam, vol lankmoedigheid, de vreemdelingschap aanvaardend, En gelovend: wij zullen het aardrijk beërven.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief