De weg naar slavernij (2-slot)

1986-09-12
  • Jaargang 30
  • nummer 35
De veronderstelde onafwendbaarheid van centrale planning. Centrale planning en de rechtsstaat.
De meeste voorstanders van centrale planning van de economie stellen met nadruk, dat wij niet langer te kiezen hebben, maar dat de omstandigheden buiten onze macht ons dwingen planning in de plaats van concurrentie te stellen, schrijft Hayek (blz. 59). Vrije concurrentie zou op natuurlijke wijze uitgeschakeld worden door de technologische veranderingen. Maar volgens Hayek is de tendens tot monopolievorming en centrale planning niet het gevolg van "objectieve faktoren", die buiten onze macht liggen, maar het resultaat van een opinievorming, die gedurende een halve eeuw werd aangemoedigd en verbreid tot zij onze gehele politiek begon te beheersen.

Uit onderzoek in de Verenigde Staten blij·M, dat de hogere efficiency - van grote bedrijven niet is aangetoond; de voordelen, waarvan wordt verondersteld dat zij de vrije mededinging vernietigen, hebben gefaald zich op menig gebied te manifesteren. Noch dwingen -de aan massaproduktie inherente besparingen, waar zij optreden, onveranderlijk tot monopolie... Het niveau of de niveaus der optimale. efficiency kan of kunnen reeds lang bereikt zijn, alvorens het belangrijke deel van .het aanbod aan een dergelijke beheersing wordt onderworpen. De gevolgtrekkingen dat de voordelen, verbonden aan massaproduktie, onvermijdelijk tot vernietiging van de concurrentie moeten lei- den,' kunnen niet worden aanvaard.
Hierbij zij bovendien nog aangetekend, dat een monopolie veelvuldig het resultaat is van geheel andere faktoren dan de lagere kosten die met grotere omvang van produktie samengaan. Een monopolie komt door heimelijke onderlinge afspraken tot stand en.
wordt door de overheidspolitiek bevorderd. Wanneer deze overeenkomsten ongedaan worden gemaakt en een dergelijke politiek wordt herroepen, kunnen de voorwaarden voor vrije concurrentie weer worden hersteld.
Een onderzoek in Engeland heeft tot overeenkomstige , resultaten geleid, schrijft hij, (blz. 62).
De redenering, dat vrije concurrentie door technologische ontwikkeling uitgeschakeld wordt is volgens hem gebaseerd op een volledige misvatting omtrent de werking der concurrentie.
De complexiteit van de arbeidsverdeling maakt de concurrentie volgens hem juist tot de enige methode om coördinatie van alle economische aktiviteiten tot stand te brengen. Niemand is in de moderne omstandigheden in staat alle daadwerkelijke belangrijke feiten te overzien.
Alleen als de faktoren, waarmee rekening gehouden moet worden; zo talrijk worden, dat het onmogelijk wordt een overzichtelijk beeld hiervan te verkrijgen, wordt decentralisatie een gebiedende eis, schrijft hij, (blz. 65). Het· prijzensysteem onder het stelsel van vrije concurrentie doet wat geen enkel ander systeem zelfs maar belooft te volbrengen.
Het maakt het volgens hem voor ondernemers mogelijk, door de fluktuaties van betrekkelijk weinig prijzen gade te slaan, zoals ‘n machinist de beweging van een paar cijfers op een meter gadeslaat, hun aktiviteiten aan te passen aan die van de andere. Vergelijken met deze methode om de economische problemen op te lossen door middel van decentralisatie plus automatische coördinatie is de methode van centrale planning ongelooflijk stuntelig, primitief en beperkt in de mogelijkheid tot ontplooiing, aldus Hayek, (blz. 66).
Wat centrale planning en de rechtsstaat betreft schrijft Hayek (blz. 90), dat ontdaan van alle technische franje, het beginsel van de rechtsstaat inhoudt, dat de Overheid voor al haar daden gebonden is aan regels, die vooraf zijn vastgesteld en bekend gemaakt, regels, die het mogelijk maken om vrij zeker te voorzien hoe het gezag onder bepaalde omstandigheden van zijn dwingende macht gebruik zal maken, zodat op basis van deze kennis een ieder zijn persoonlijke zaken hieraan zal kunnen aanpassen. Onder het regime van de rechtsstaat benaalt volgens hem de Overheid zich ertoe de regels vast te stellen die de voorwaarden inhouden, waaronder de beschikbare middelen van bestaan gebruikt kunnen worden, terwijl aan de individuen de beslissing wordt overgelaten waarvoor deze zullen worden aangewend. Onder het regime van de centrale planning daarentegen geeft de regering leiding aan het gebruik van de produktiemiddelen ter verwezenlijking van specifieke doeleinden. De eerste categorie kan van tevoren.
worden vastgesteld in de vorm van formele wetten, die niet de behoeften en noden van bepaalde groepen betreffen. Zij beogen slechts dienstbaar te zijn bij het nastreven van de uiteenlopende persoonlijke doeleinden van mensen. En zij zijn (of behoren, althans te zijn) bedoeld voor zulke ruime perioden, dat het mogelijk is te weten of pepaaide groepen er meer door bevoordeeld zullen worden dan andere.
De staat moet volgens Hayek zich dus bepalen tot het vaststellen van regels, die gelden voor algemene grondvormen van situaties en zij moet de enkeling de vrijheid in alles laten, omdat slechts het individu ten volle de omstandigheden van een bepaald geval kan beoordelen en zijn maatregelen aan deze regels kan aanpassen.
Centrale planning daarentegen brengt met zich mee, dat er weloverwogen discriminatie tussen de bijzondere behoeften van verschillende mensen wordt toegepast, d.w.z. dat de een iets wordt toegestaan wat een 'ander wordt verboden.
Wanneer de Overheid rechtsreeks in het economische leven ingrijpt, bijvoorbeeld door lonen en prijzen vast te stellen zonder daarbij onvoldoende rekening te houden met marktfaktoren, het prijs- en marktmechanisme dus uitschakelt, discrimineert zij, bevoordeelt zij sommige burgers ten koste van andere. De formele wetten van een liberaal stelsel zijn, daarom zo belangrijk volgens hem (blz. 99), omdat het typerende van dit stelsel is, dat het uitgaat van de stelling, dat het onmogelijk is bepaalde gevolgen van te voren te voorzien.
Het stelsel stelt ons in staat een andere misvatting inzake de aard ervan op te helderen. nl. het geloof, dat afzijdigheid van de staat karakteristiek zou zijn voor het liberalisme.
De vraag of de staat al dan niet ,,handelend” moet optreden of moet interveniëren, stelt een volkomen onjuist alternatief, en de term laissez-faire is een in hoge dubbelzinnige en misleidende omschrijving van de beginselen, waarop een liberale politiek is gebaseerd. Uiteraard moet elke staat handelend optreden en elke daad zal in een of andere toestand ingrijpen, maar dat is niet het punt waar het om gaat. De belangrijke vraag is of het individu het optreden van de staat kan voorzien en van deze kennis gebruik kan maken als een gegeven voor het vormen van zijn eigen plannen, met als gevolg dat de staat het gebruik dat zijn eigen mechanisme wordt gemaakt, niet kan reguleren en dat het individu precies weet in hoeverre hij beschermd zal zijn tegen tussenkomst van anderen, of in hoeverre de staat in een positie verkeert om individuele inspanningen te verhinderen. De staat die gewichten en maten controleert (of op enige andere wijze bedrog en misleiding voorkomt), treedt ongetwijfeld handelend op, terwijl de staat die het gebruikt van geweld toestaat, bijvoorbeeld door posten bij stakingen toe te laten, passief is. Toch neemt de staat in het eerste geval liberale beginselen in acht, in het tweede echter niet. Dit geldt eveneens ten opzichte van de meeste algemene en permanente bepalingen die de staat kan vaststellen met betrekking tot het produceren, zoals bouwverordeningen of veiligheidswetten: deze kunnen in het bepaalde geval verstandig of onverstandig 'zijn, zij zijn echter niet in conflict met liberale beginselen, mits zij bedoeld zijn een permanent karakter te dragen en niet gebruikt worden om bepaalde mensen te bevoorrechten dan wel te benadelen.
Het is waar dat er in deze voorbeelden, afgezien van de gevolgen op langer termijn die niet te 'voorspellen zijn, ook gevolgen op kortere termijn zullen optreden die bepaalde mensen raken en die heel duidelijk bekend zijn. Maar bij dit soort wetten vormen de gevolgen op korte termijn in het algemeen niet (althans zij worden het niet geacht te zijn) het leidende beginsel. Naarmate deze onmiddellijke en te voorspellen gevolgen belangrijker worden vergeleken met de' gevolgen op lange termijn, naderen wij de grens waar het onderscheid; hoe duidelijk ook in. beginsel; in de praktijk wordt uitgewist, aldus Hayek, (blz. 100).

Slotopmerkingen
Het is onmogelijk in het kader van één artikel al zijn visies, die Hayek in het boek bespreekt de revue te laten passeren. Ik heb mij bepaald tot zijn meest centrale stellingen en hem daarbij zoveel mogelijk zelf aan het woord gelaten. Ten aanzien van de sociale verzekeringen schrijft hij (blz. 142), dat er geen enkele reden tegen is dat de staat buiten en aanvullend aan het marktsysteem helpt bij het organiseren van een uitgebreid stelsel van sociale verzekeringen. Er zijn twee soorten zekerheid: de zekerheid van het bestaansminimum voor allen en de zekerheid van een bepaalde levensstandaard of van de relatieve positie, die een ieder of iedere groep ten opzichte van andere in de maatschappij bekleedt. De eerste zekerheid kan volgens Hayek best in een maatschappij, die het algemene welvaartspeil van onze maatschappij heeft bereikt, aan allen worden gegarandeerd, zonder dat daarmee de algemene vrijheid in gevaar wordt gebracht. Ook bestaat er volgens hem geen enkele reden voor waarom de staat het individu niet zou bijstaan in de voorzieningtegen" risico's van het leven, waarvoor, juist door hun onzekerheid,' slechts weinigen voldoende voorzieningen kunnen treffen. In beginsel is de op deze wijze door de staat verkregen grotere zekerheid niet onverenigbaar met het behoud van de individuele vrijheid.
Wanneer maar niet onder het mom van sociale verzekering maatregelen worden geïntroduceerd, die ertoe leiden, dat de concurrentie wordt uitgeschakeld.
Hayek's pleidooi is tegen het collectivisme dus gericht en vóór het individualisme. Met dit laatste bedoelt hij dat het individu de vrijheid moet hebben zijn beslissingen in het ruilverkeer te kunnen nemen zonder dwang van bovenaf. Tot het collectivisme moet volgens mij ook gerekend worden het optreden van belangenorganisaties en pressiegroepen, die het individu beletten zijn bovenbedoelde beslissingen te kunnen nemen.
Een markteconomie veronderstelt naar mijn mening wel een min of meer hoog ontwikkelde samenleving, waarin 'Zich niet al ie grote schokken voordoen.
Wetgeving tegen o.m. monopolievorming is daarin wel een vereiste. In de praktijk zal dat niet altijd eenvoudig te verwezenlijken zijn. De Overheid heeft in een markteconomie corrigerend, aanvullend en stimulerend DP te treden. Een sociaal verzekeringsstelsel is een correctie op de resultaten behaald in de markteconomie.
De Overheid heeft ten aanzien van ,de infrastructuur van het land een taak en treedt dan stimulerend op. Ook zijn er waarden, zoals bijvoorbeeld onze veiligheid, die alleen op collectieve wijze kunnen worden geregeld; de Overheid.
treedt dan aanvullend op.
Het prijs- en marktmechanisme werkt bepaald niet altijd feilloos, een aanvullenda macroeconomische politiek is volgens '. mij eveneens niet te ontberen.
Dat in concreto uit te werken vereist een grondige analyse van de macro-economische processen.
Maar bij Hayek staat voorop, dat de enig waarlijk progressieve politiek een politiek is, die de vrijheid van het individu centraal stelt. Op de omslag is de opmerking van Keynes vermeld, dat hij het in ethisch en filosofisch opzicht volledig eens is met het gehele boek van Hayek.

Haarlem, 5 Juli 1986.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief