Het wordt een tweeling!
1986-01-17
- Jaargang 30
- nummer 3
Verrassing en verwarring
"En Rebekka werd zwanger. En de kinderen .... "
Ja, de verteller plaatst ons voor verrassingen: het wordt meteen al een tweeling! Maar wat volgt is voor Rebekka ook verrassend" om niet te zeggen verwarrend: en de kinderen stieten in haar binnenste tegen elkander. Zij stieten, duwden elkaar met kracht weg, zij zetten zich tegen elkaar af. Dr A. v. Selms "vertaalt" dit zo: “Hier blijken de kinderen reeds in de moederschoot tegen elkaar gekant, te zijn" (Prediking v.h. O.T., t.p.). Het is ons wèl, zolang hieraan geen moreel oordeel wordt verbonden. Bovendien staat er: zij stieten tegen elkaar - het ging wederzijds. Er staat niet: Jacob duwde Ezau weg - alsof Jacob van meet af aan al in een kwaad daglicht moest staan. Of omgekeerd!
Uiteraard merkt Rebekka het en het brengt haar in verwarring: als het zo gesteld is - wat hangt, mij dan boven het hoofd? (vert. B. Holwerda). Juist omdat "dit bijzondere moederschap een verbondszaak is, waarvan openbaring is gegeven, en een zaak die alleen op het gebed werd verleend, juist nu veronderstelt Rebekka dat dit een zin moet hebben." (id.).
Daarom gaat zij de HERE "vragen" (bij de heilige plaats van Lachai-Roï of Berseba?). Enzij krijgt antwoord. Ook daaruit blijkt het unieke, het niet op elke willekeurige zwangerschap overdraagbare, toepasbare. Het gaat om een uitzonderlijk geval (zoals ook bij Johannes, Luc. 1 : 44).
Ver reikend voornemen
Het antwoord, dat Rebekka krijgt, laat ook al zien dat het hier om een uitzonderlijke situatie gaat. Want nu maakt. God haar zijn “voornemen" bekend, om met Paulus te spreken (Rom. 9 : 11, 12). En dat nog "vóór de kinderen geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan."
Er vallen dus geen verwijten te maken aan het ene adres noch van verdienste te spreken aan het
andere adres. Het gaat alleen om Góds voornemen, en, dat reikt verder dan die twee nog ongeboren kinderen: twee volken zijn in uw schoot, en twee natiën zullen zich scheiden uit uw lichaam.
God gaat de geschiedenis, bepalen van twee (broeder)volken: de ene natie zal sterker zijn dan de andere, en de oudste zal de jongste dienstbaar zijn.
Zijn souverein voornemen bepaalt de toekomstige onderlinge verhouding. En op dat punt liggen de zaken anders dan bij Ismaël-Izaäk. Immers, Ismaël was de zoon "van het vlees" (verwekt en geboren volgens de loop der natuur), door Abraham gezien en aan God voorgedragen , als de dan nog enig mogelijke erfgenaam (20: 18). Maar het "nee" van God ging gepaard met de belofte van een zoon (de "zoon, der belofte", door Abraham te verwekken en door Sara te baren. Het "zoon der belofte zijn" maakte alle verschil.
De maatstaf: Gods eigenkeuze
Van Selms maakt een behartenswaardige opmerking: "In de lijn van Ismaël kwam het één generatie eerder dan in die van Izaäk tot vorming van een volk, een twaalf stammenbond" (a.w. pag. 58). De "ontwikkelingsgeschiedenis" van Ismaël gaat dan ook als een afgesloten hoofdstuk (25: 12-18) aan die van Izaäk (25 : 19 e.v.) vooraf.
Maar bij "de zoon der belofte" is er eerst nog a.h.w., een tussenstation: het wordt een tweeling en die tweé zijn beiden kinderen der belofte! Ook vanuit die gezichtshoek is wat Izaäk en Rebekka overkomt, geen zinloze herhaling van wat Abraham en Sara was overkomen. Nu komt een verdergaande openbaring , aan de orde, om ons een dieper inzicht te verschaffen inzake Gods doen en laten m.b.t. de heilsgeschiedenis. De kerk krijgt onderwijs inzake Gods, "voornemen" en over de uitwerking daarvan.
Bij die uitwerking hanteert God "het principe van verkiezing" (B. Holwerda). Maar die keus is niet bepaald door iemands "werken", schrijft Paulus (Rom. 9 : 11), dus eerstgeboorte, geaardheid, geschiktheid, aanleg, - kortom wat een mens maar als menselijk motief of verworvenheid zou kunnen aanvoeren.
Ezau zal bijv. niet kunnen aanvoeren: ik ben de eerstgeborene; dus komt het mij toe. Maar evenmin (dat moet er in ónze tijd wel bijgezegd worden!) kan Jacob zich presenteren met als motief: .ik ben de mindere, het minste kind, en dus ga ik voor.
We noteren voorlopig: het principe dat God hanteert, is dat, van de keus, van zijn verkiezend ingrijpen. God maakt een keus - en die keus, dat nu juist wel gaat in tegen de menselijke verwachting.
Wordt Ezau de dupe?
Beide kinderen zijn kinderen der belofte. En toch maakt God een keus. Die keus raakt niet hun "persoonlijke zaligheid".
Die keus raakt hun bestemming in hun kwaliteit van "vader van een volk" en samenhangend daarmee de belofte van 'het kerkzaad.
God kiest met het oog op een bepaalde taak, opdracht, bestemming.
En Hij bepaalt dat de mindere (de jongste) de positie van de meerdere zal krijgen.
Het eerstgeboorterecht blijkt geen vanzelfsprekend recht als het gaat om de aanvangen der kerk.
Ezau wordt "verworpen" (gepasseerd) voor een bepaalde taak en bestemming, Jacob wordt "verkozen". Daarmee is niets ten goede van Jacob of ten kwade van Ezau gezegd: God openbaarde zijn keus vóór de kinderen geboren waren en goed of kwaad hadden gedaan.
Beiden zijn "kinderen der belofte" en beiden zijn kinderen van het verbond. Ezau wordt (vervolg op pag. 18 - 1e kolom) niet de dupe van Gods keus niet voor niets staat voor de "ontwikkelingsgeschiedenis" van Jacob (37: 2) uitgebreid die van Ezau beschreven (36 : 1-43).
Het wordt een tweeling - maar daardoor komt de mens oog in oog te staan met Gods vrijmachtige verkiezing, Hij. wil ieder, Israël en allen die er van horen, tonen' dat het aan Hèm is, om te kiezen. Voor zijn keus zal ieder moeten bukken. De "strijd", tussen, heide volken, natiën zal dan, ook blijken voort te komen uit het niet willen accepteren van Gods souvereine vrijmacht. Dáár valt de principiële beslissingen die verantwoordelijkheid dragen de betrokkenen zèlf. Daar kan niemand Gód de schuld van geven: Ezau is niet per se "gedoemd" om ten onder te gaan.
Verkiezen en verwerpen (soms parallel met liefhebben en haten, Mal. 1 : 3) kan betrekking hebben op een keus uit meerderen (Ps. 78: 67 v.v.). Maar soms raakt het een en dezelfde: Eli (1 Sam. 2 : 30 v.v.), Saul (1 Sam. 15 : 23) maar ook.... Israël (Jer. 6 : 30, 7 : 29; vgl. 33 : 24!). Gekozen zijn, is in dezen geen garantie voor gekozen blijven. De eigen, menselijke verantwoordelijkheid blijft voor ieder bestaan. Iets om te onthouden als God ons laat meekijken naar de geschiedenis van de kerk, van haar oorsprong tot aan haar voleinding.