Herinneringen (3)

1986-01-17
  • Jaargang 30
  • nummer 3
De vorige keer vertelde ik het verhaal van Geert Kammerke. Maar laten we ook die andere Geert niet vergeten, Geert Raap, een oude rijzige grijsaard, en alle kinderen in bet dorp noemde hem Geert.
Daar moestik in het begin wel aan, wennen, dat zelfs de oude mensen door de kinderen bij hun voornaam werden genoemd. Soms waren de achternamen niet eens bekend, omdat men bepaalde mensen alleen met hun bijnaam kende. De oude broeder Raap zat in mijn tijd al niet meer in de kerkeraad, maar hij bad er zólang in gezeten, dat hij na zijn laatste ambtsperiode zijn 'vaste plaatsje in de kerkeraadsbank mocht behouden. Hij troonde daar als een soort "ere-ouderling". Zo gemoedelijk ging dat in die tijd in ons dorp toe, daar werd geen probleem van gemaakt.

Na de kerkdienst fietste ik meestal met Geert terug naar huis, want het kerkgebouw stond in Wouterswoude en wij woonden allebei in Driesurn. Onderweg werd er wel eens een woordje gewisseld over de preek.
Maar op zekere zondagmorgen was Geert erg zwijgzaam, tegen zijn gewoonte in.
Ik was die morgen begonnen met een serie preken over de zegeningen van de zonen van Jacob. En ik was wel benieuwd, naar het oordeel van Geert over dit initiatiet' Maar hij zei er niet één. Op het laatst begon ik zelf maar: scheelt er wat aan, Raap? Geert slaakte een diepe zucht en toen kwam het hoge woord eruit: Wat heeft die Jacob veel zonen, dominee! - Meer niet. Ik moest het zó maar begrijpen. Hij zag het kennelijk niet, erg zitten ... 12 zondagen achtereen!
Maar ik had nu eenmaal a gezegden moet wel b zeggen. Ik hoop dat het hem op de duur toch nog meegevallen is. Maar ik had wel een lesje gekregen: een prekenserie nooit te lang maken.

Nu iets over de huisbezoeken.
Die werden in een bepaalde tijd van het jaar gebracht, als het niet te druk was in het boerenbedrijf.
Je ging dan met je ouderling al vroeg op pad, ongeveer 9 uur 's morgens werd hef eerste bezoek gebracht En zo ging het de hele dag door.
Onderweg deed je de kost wel op. Met het oog op mijn niet zo sterke maag was het oppassen om niet te veel koffie te drinken en een matig gebruik te maken van de borrel, die soms ook wel aangeboden werd.
De te brengen bezoeken werden van de preekstoel afgekondigd, want telefoon had maar een heel enkele, zelfs de pastorie had geen telefoon, evenmin als waterleiding!
Omdat dus afspraken niet telefonisch te maken waren moest het wel via afkondiging.
Het mooiste was dat men zich bijna altijd wel hield aan dag en uur, die afgekondigd waren.
Bovendien kon op deze manier heel de gemeente meeleven: ze wisten precies hoever het was met de huisbezoeken. Behalve deze jaarlijkse bezoeken werd iedereen ook nog 4 maal per jaar door de wijkouderling bezocht en dat in verband met de avondmaalsviering, Volgens een oud gebruik moest aan alle belijdende leden vóór de avondmaalszóndag gevraagd worden of er ook enige verhindering was om aan te zitten aan de Tafel des Heren. Eigenlijk wel een wijs gebruik, vooral in die streek, waar vanouds nogal vaak avondmaalmijding werd gevonden. Het is dan beter vooraf naar eventuele verhindering te informeren, dan achteraf te vragen: waarom misten wij u aan het avondmaal? Heel vaak waren hindernissen weg te nemen door een pastoraal gesprek.
Bij deze zelfde bezoeken werden en passant meteen de kwartaalbijdragen voor de kerk geïnd, want giroverkeer was er al even weinig als telefoon en waterleiding.
Ik heb de trouwe ijver van de broeders ouderlingen vaak bewonderd. Op deze wijze werd de gemeente eigenlijk zeer intensief bearbeid! Maar ik herinner me ook de trouw van gewone gemeenteleden. Mag ik een voorbeeld vertellen?
Zondagsmorgens hoorde ik na de dienst van de ziekte van een oude, alleenwonende broeder.
Onderweg naar huis dacht ik: kom, ik ga maar meteen even bij hem aan. Bij zijn huisie gekomen stommelde ik het half-duistere klompenhok binnen: maar kennelijk was iemand me al voor geweest, want ik hoorde een bekende stem van binnen komen. Toen ik even bleef staan luisteren, hoorde ik Jilles Bijlstra met verheven stem mijn preek vertellen aan de zieke broeder. En tot mijn grote verwondering kreeg ik hele stukken van mijn eigen preek weer te horen. Wat had deze broeder de gave van luisteren èn doorgeven!
Hier was ik totaal overbodig en op mijn tenen sloop ik weer weg. Ik moet nogal eens denken aan dit voorval als ik de mensen zo druk in de weer zie met preekbandjes.
Tot hoorcommissies toe. Je laat als hoorcommissie gewoon het apparaat het werk doen. Ik herinner me nog hoe één van mijn voorgangers in Heemstede, ds J. Keizer, later in Brouwershaven, een keer "hoorders" kreeg; die vóór de dienst vroegen of ze een bandopnameapparaat bij de preekstoel mochten plaatsen. Dominee weigerde, met het argument: Gods Woord gaat niet door draden.
Een typisch Jobke Keizerantwoord!
Overdreven, maar toch met een kern van waarheid.
In datzelfde Heemstede had ik een jonge vrouw in de kerk, die altijd zoveel mogelijk van de preek zat op te schrijven. Dat stoorde me niet in het minst, in tegendeel: het inspireerde me, evenals wanneer iemand je, jaren na dato nog kon vertellen, dat je toen over die en die tekst gepreekt had en wat toen opgevallen was en vastgehouden.

Wat ik ook nooit vergeten zal, dat waren de begrafenissen, zoals die in die streek pleegden gehouden te worden. Ik had in mijn leven toch al vele begrafenissen meegemaakt, maar nooit zoals in de friese wouden. Dat was een bizondere belevenis, die ik niet graag had willen missen, hoeveel vreemds en ongezonds er ook aan was.
Om te beginnen was er de gang naar en op het kerkhof in een lange stoet van bijna het halve dorp, want aan bruiloften en.
begrafenissen pleegde men zeer frequent deel te nemen. Op het kerkhof gebeurde er iets wonderlijks: de hele stoet trok driemaal het kerkhof rond, onder gebeier van de kerkklok. Niemand heeft me ooit dit vreemde gebruik kunnen verklaren, maar men hield er zich stipt aan. Volgens mij zat er iets gemengds heidens-rooms achter.
Heidens: de boze geesten moesten uit het versgedolven graf verdreven worden.
Rooms: deze uitdrijving geschiedde door 3 rondgangen om het graf, in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest.
Een ratjetoe van heidense en christelijke mystieke gevoelens en gebruiken.
Na afloop van de begrafenis trok de stoet naar een zaal in het dorp, waar men onder gebruik van broodjes en koffie nog uren bij elkaar bleef. Als predikant had je daar de leiding en dat vereiste een heel goede voorbereiding, want er werd een bijna complete preek van je verwacht, plus een brede nabespreking!
Je had uiteraard een interkerkelijk gehoor 'en je toespraak werd vooral door de zware broeders gewogen en vaak te licht bevonden.
Iedereen kon daar aan het woord komen en soms ontstond er wel eens een goede bespreking, maar soms ook ontaarde het in openlijk betwijfeling van het eeuwig behoud van de overledene. Heel pijnlijke situaties konden op deze manier ontstaan!
En er was veel wijsheid voor nodig om zo'n samenkomst in goede banen te leiden.

Nog even terug naar het kerkhof
Er mochten dan op het kerkhof daar in Driesum en in Wouterswoude vreemde dingen gebeuren, er werd tenslotte toch begráven.
Wat dat betreft gebeuren er tegenwoordig ook vreemde dingen: in vele gevallen wordt, er niet meer begraven, maar wordt de overledene ergens zwevend boven het gedolven graf achtergelaten.
Ik herinner me nog goed de indruk, die dat op me maakte op een prachtig aangelegd kerkhof in de buurt van Velp, met glooiende heuvels en dalen. Na afloop van "deze plechtigheid", zoals de begrafenisondernemer pleegt te zeggen, bewoog de stoet zich terug naar de aula, een lange wandeling en toen ik achterom keek zag ik ergens in een dal die kleine kist eenzaam boven dat graf staan. En ik dacht: we hebben iets vergeten, we hebben vergeten haar ter aarde te bestellen, we hebben het zaad niet in de groeve gezaaid. Sindsdien heb Ik groot bezwaar tegen deze manier van begraven.
Het helpt misschien, als ik de lezers van deze "herinneringen" hierop eens kan attenderen. Het is nl. de familie, die mag uitmaken, hoe het gebeuren zal.
Onlangs moest ik een begrafenis leiden, waarbij hierover door bizondere omstandigheden geen afspraak gemaakt was door de begrafenisondernemer met de familie. Terwijl we al van de aula naar het graf liepen kwam hij even naast me lopen en vroeg me fluisterend: zakken of erboven laten staan? Ik schrok ervan.
Moest ik dat ineens beslissen?
Er zat niets anders op. Zakken, fluisterde ik terug. Maar even later had ik er wel spijt van.
Want dat bleek ineens op technische bezwaren te stuiten.
Toen we bij het graf stonden was de begrafenisondernemer spoorloos verdwenen. We begrepen niet waar de man zo ineens gebleven was, maar durfden toch zonder hem "deze plechtigheid" niet voort te zetten.
Even later kwam hij aan met de apperatuur, die nodig was om echt te begráven. Maar deze werd kennelijk zo zelden meer gebruikt, dat het geknars ons door merg en been ging. Zo moet het dus duidelijk niet!
Begraven of.... verbranden?
Twee keer heb ik een crematiedienst moeten leiden. Zoiets doe je met een bezwaard gemoed. Ik had de oude mensen jaren lang bezocht. Ze gingen geestelijk hard achteruit. Waren op het laatst niet meer te handhaven in hun eigen huis. Toch zijn ze, op Gods tijd, beiden kort na elkaar, weggenomen. Hun enige zoon, ongelovig geworden, besliste tot crematie. Mocht ik de gelegenheid verzuimen om toch ook dáár het Evangelie te laten horen?

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief