Preken voor de gemeente van Christus (3)

1986-01-17
  • Jaargang 30
  • nummer 3
Aan het eind van de artikelen van ds Slagboom komt een opmerking voor, die ik hier nog wil citeren. Hij vindt het jammer, dat Bouterse niet ingaat op wat hij het eigenlijke bezwaar noemt, namelijk "dat er een geslacht opgroeit dat vreemd is aan het werk Gods in eigen hart, en niettemin denkt: het is wel in orde". Nu betwijfel ik of men dit met recht de heer Bouterse kan verwijten. Maar die bezorgdheid wil ik wel serieus nemen door er nog afzonderlijk op in te gaan. Want ik voel wel aan, dat dit inderdaad de eigenlijke zorg is, die de brs. van de Calvijnkring hebben tegenover eigen mensen en tegenover onze kerken: lopen jullie niet het gevaar van oppervlakkig leven en toch zo zeker zijn? En dat gevaar bestaat wel degelijk. Dat we ongemerkt meegaan in de verwereldlijking van het denken en dat dat evenzo vrolijk gepaard gaat met een gevoel van heilszekerheid. Ik ga daar tenslotte in twee punten op in.

1. Zekerheid en afhankelijkheid
"Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus Jezus".
Dat schrijft Paulus in Efeze 1: 3.
We mogen God danken voor een onafzienbare hoeveelheid zegeningen.
In de rest van het hoofdstuk gaat hij ze opsommen: onze verkiezing in Christus, onze aanneming tot zonen; de verlossing door zijn bloeden nog veel meer. Maar van al die zegeningen zegt Paulus nu: we hebben die zegeningen niet in handen.
Niet als een onvervreemdbaar bezit. Maar we hebben die zegeningen in de hemelse gewesten, in Christus Jezus. Het is iets, waar Paulus veel op terugkomt in deze brief: wat we hebben, hebben we in Christus. En Christus is in de hemel. Om precies te zijn heel hoog in de hemel, boven alle machten die ons in deze tijd nog aanvechten. En dat wij nu onze zegeningen hebben in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, dat betekent twee dingen.
Ten eerste dat die zegen onvergankelijk en onaantastbaar is, vgl. 1 Petrus 1: 4, omdat hij bij God in de hemel is. Geen mens komt er nog aan. Sterker:"
geen van de boze geesten "kan er nog bij, want Hij is hoger dan de machten. Hierin ligt onze zekerheid.
Maar ten tweede betekent het, dat we die zegen buiten onszelf hebben, in Christus. In Hem zijn we gezegend. En Hij is daar in de hemel, dus we hebben die zegen alleen wanneer en zolang wij met Hem verbonden blijven.

Zoals Jezus dat ook duidelijk maakte in het beeld van de wijnstok en de ranken. Daarin ligt onze afhankelijkheid.
En die twee begrippen: zekerheid en afhankelijkheid, die zijn voor mij sleutelwoorden. Het gaat er in de preek en in het geloof om, dat we deze twee zullen vasthouden: zekerheid en afhankelijkheid.
Het is een heilloze tegenstelling als aan de ene zijde onzekerheid en afhankelijkheid, gepreekt wordt, en aan de andere zijde zekerheid en onafhankelijkheid.
Want zekerheid preken zonder het besef van voortdurende afhankelijkheid, dat wordt een pedanterig gereformeerdendom.
En afhankelijkheid preken zonder het voortdurende besef van zekerheid, dat leidt tot lijdelijkheid en ongeloof, al komen er nog zoveel vermaningen in de preek voor om niet lijdelijk te zijn. Zekerheid en afhankelijkheid horen beiden tot het geloof, zoals bijvoorbeeld ook in1 Petrus 1: 17: "Wandelt dan in vreze, wétende dat gij zijt vrijgekocht".

2. Het licht van de Heilige Geest
In die spanning tussen zekerheid en afhankelijkheid nu tenslotte iets over de Heilige Geest.
Het is bijna de unanieme mening van Christelijk Gereformeerden dat in onze preken het werk van de Heilige Geest is weinig aan bod komt. Men zegt dan (en niet alleen vanuit de rechterflank): het is goed om over het volbrachte werk van Christus te preken. Maar wij moeten daar toch deel aan krijgen.
Wij zijn toch afhankelijk van de Heilige Geest; die ons daarin doet delen? Maar over de Geest hoor je zo weinig.
Zelf denk ik, dat er op dit punt inderdaad iets mis zit in een deel van onze traditie. Dat we last hebben van reactie-denken. Reactie op een prediking waarin de Heilige Geest altijd voorkwam als de grote onzekere factor, om de stellige beloften van God daarmee krachteloos te maken. Ik heb het wel horen gebeuren, ook in hedendaagse christelijke gereformeerde preken: "u zult zeggen: Christus is toch voor ons gestorven.
Maar... hoe weet u dan of de Geest het ook in uw leven waar wil maken?"
Daartegen is bij ons de reactie gekomen: wij hèbben de Heilige Geest gewoon, punt uit. De Geest is niet de grote onzekere factor, maar de Geest is uitgestort op het Pinksterfeest, als een eenmalig heilsfeit. En verder?
De Geest is hier, in de Bijbel, In dat verband heb ik ook horen verdedigen, dat het eigenlijk God beledigen zou zijn om te bidden om de verlichting van de Heilige Geest. Gods woord is duidelijk, Gods beloften zijn duidelijk, dus ga je niet bidden om het licht van de Geest of om zijn leiding in ons leven. Dit noem ik nu reactie-denken, waarop we ons ernstig moeten beraden. Ik wijs op hetzelfde Efeze 1 waar ik eerder over sprak, maar nu vs. 17 en 18.
Paulus bidt daar de gelovigen toe "dat God u geve. de Geest van wijsheid en van openbaring om Hem recht te kennen: verlichte ogen uws harten, zodat gij weet welke hoop zijn roeping wekt". Waaruit toch in alle duidelijkheid blijkt; dat ook van gelovige mensen het duistere hart verlicht moet worden, willen ze de Here recht kennen. Het is immers een ervaring die ook gelovige mensen kennen: dat in een bepaalde periode Gods Woord langs je heen glijdt. Dat Gods rijke toekomst je niks zegt, zoals eenmaal alle genade van God en liefde van mensen door Naomi afgestoten werd.
Dan gaat Paulus ons voor in gebed "dat God u geve de Geest van wijsheid en openbaring om Hem recht te kennen".
Hij werkt dat zo uit, dat het betekent dat Gods .roeping voor je gaat leven, dat de erfenis gaat trekken en dat Gods kracht je gaat bezielen. Daarvoor ben je afhankelijk van Gods Geest (Efeze 1 : 18-21).
In de preken is het nu volgens mij zaak om deze afhankelijkheid van de Geest duidelijk te maken, zonder aan de zekerheid die we over zijn bijstand mogen hebben afbreuk te doen. Dus niet zonder meer een beetje meer over de noodzaak van de Heilige Geest. Maar over het belang van de Geest, die ons beloofd èn geschonken is. Van wie we zeker mogen zijn èn van wie we afhankelijk blijven, bij iedere preek, bij ieder lezen van de Bijbel.
Deze houding is de gelovige ook niet onbekend. Zoals je bij een gedekte tafel nog bidt "Geef ons heden ons dagelijks brood", zo moet je bij een geopende Bijbel nog bidden "Geef ons heden uw Heilige Geest". Om het woord te verstaan, om God als "Abba, Vader" te kennen.
Jezus gaat ons hierin voor in de gelijkenis uit Lukas 11: 9-13.
Over een vader, die zijn zoon toch geen slang voor een vis zal geven. Jezus eindigt dan: "Hoeveel te meer zal uw Vader uit de hemel de Heilige Geest geven aan hen, die Hem daarom bidden?"
Het is treffend, dat Jezus hier de verhouding van vader en zoon gebruikt. Daarin ligt zekerheid en afhankelijkheid. Als je bij het G.A.K. een uitkering aanvraagt, ligt dat precies andersom.
Dan is er eerst onzekerheid (zou ik 'm krijgen?), maar als de uitkering je toegekend is ben je onafhankelijk (je hebt er recht op). Maar als een zoon zijn vader om brood vraagt mag hij zeker weten dat zijn vader naar hem luistert, terwijl hij daarna afhankelijk blijft, want ook morgen moet hij er weer om vragen.
Zo is het ook met de Geest.
Juist omdat God Hem zéker geeft, zullen we er morgen weer om bidden. zeker en afhankelijk.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief