Een interessant boekje
1986-01-17
In bibliotheken kun je soms belangwekkende geschriften tegenkomen.- Jaargang 30
- nummer 3
Van een opgedane ervaring wil ik graag verslag doen.
Bij het lezen van een pocketboekje over de doop vond ik in de literatuuropgave verwezen naar: Joachim Jeremias, Die Kindertaufe in den ersten vier jahrhanderten. Het boekje van 127 pagina's is een uitgave van Vandenhoeck & Ruprecht te Göttingen en dateert van 1958.
Reeds eerder, in 1938, heeft de auteur over hetzelfde onderwerp geschreven: Hat die älteste Christenheit die Kindertaufe geübt?
Bij gesprekken bleek dat deze uitgaven in mijn omgeving weinig bekendheid genieten. Mogelijk kan ik dus met dit berichtje de broederschap van dienst zijn.
Die Kindertaufe in den ersten vier jahrhunderten vangt aan met een 12 pagina's omvattend overzicht van de bronnen: bijbelplaatsen, maar ook oude geschriften en synoden, met de daaraan toegekende ouderdom.
De uitgave bevat vijf hoofdstukken, waarvan de titels (vertaald) luiden:
I. De doop van kinderen bij overgang van de ouders (tot het christendom) in de nieuwtestamentische tijd.
II. De doop van in christelijk huwelijk geboren kinderen in de nieuwtestamentische tijd.
III. De ontwikkeling tot aan het einde van de derde eeuw.
IV. De crisis en haar overwinning.
V. Slot.
In het "Vorwort" merkt de schrijver op dat het materiaal voor de geschiedenis van de kinderdoop in de eerste vier eeuwen zich de laatste tientallen jaren (vóór 1958, het jaar van publikatie uiteraard) op onverwachte wijze heeft vermeerderd. In de eerste plaats door verrijking van de kennis over de proselietendoop, voorts door de benutting van vroeg-christelijke grafopschriften.
Vervolgens door het (toeschrijven?) van de zgn.
Egyptische kerkenordening aan Hippolytus, alsmede enige vroeger ten onrechte aan Chrysostomus toegeschreven psalmenuitleggingen aan Asterins.
Dit zegt mij niet veel, maar ik vermeld het om de theologisch geïnteresseerden in te lichten.
De auteur gaat op grondige wijze in op de gegevens. Uitvoerig wordt gehandeld over de betekenis van de uitdrukking: zijn of haar huis bij de doopberichten in het N.T. Daarvoor wordt verwezen naar plaatsen in het O.T. Voor wat de toepassing op kinderen betreft wordt de christelijke doop vergeleken met de proselietendoop.
In het tweede hoofdstuk wordt uitvoerig aandacht gegeven aan 1 Kor. 7 : 14, waar van de kinderen uiteen - door overgang van een der echtgenoten tot het christendom - gemengd geworden huwelijk wordt gezegd dat ze niet onrein, maar heilig zijn.
Bij de proselietendoop werd de "heiligheid door geboorte'" geacht de doop overbodig te maken.
De schrijver wijst daarop en vermeldt de mening dat ook Paulus eenzelfde gevolg zou hebben willen geven aan de heiligheid bij christenkinderen. Dat lijkt hoogst onwaarschijnlijk.
Wij zijn gewoon de tekst als een motief vóór de doop te gebruiken (doopsformulier).
Voorts komt de pericoop waar Jezus de kinderen zegent aan de orde (Matth. 19. Markus 10 en Lukas 18). Die werd reeds zeer vroeg als een steunpunt voor de praktijk van de kinderdoop verstaan.
In het derde hoofdstuk (de ontwikkeling tot het einde van de derde eeuw) worden eerst de kerken in het Oosten, vervolgens die in het Westen besproken.
Veel wordt afgeleid, uit grafopschriften van gestorven kinderen, soms van zulken die in een der eerste levensjaren stierven. Uit die grafteksten kan blijken dat ze reeds zeer vroeg gedoopt werden. Dit lijkt me een belangrijk hoofdstuk, al kon ik slechts met spijt op de voor mij onleesbare grafopschriften (in het Latijn) staren!
Het vierde hoofdstuk spreekt over een crisis. Reeds in het begin van de derde eeuw is door sommigen de doop nagelaten, aanvankelijk door heidenen, die weliswaar "van de waarheid van het evangelie overtuigd waren", maar toch de beslissende stap van zich te laten dopen uitstelden.
Dit gedrag was een gevolg van de bijgelovige gedachte dat de doop, min of meer automatisch, de zonden afwies die men vóór zijn doop had bedreven, maar dat ze geen effect had voor het kwaad, begaan na de toediening ervan. Later kwam ook in christelijke kringen het gebruik in zwang, de doop van kinderen uit te stellen (bijv. tot na de puberteit), maar ook als men reeds volwassen was, te talmen, ook vanwege dezelfde mening. Dat er voor zonden begaan na de doop geen vergeving was.
Dergelijk uitstel tot zo kort mogelijk voor de dood is bekend van keizer Constantijn. Van Augustinus las ik dat zijn moeder de doop van haar zoon uitstelde.
Toen hij echter ernstig ziek werd, zodat voor zijn leven werd gevreesd, meldde de moeder (Monica) haar zoon aan voor de doopsbediening, doch ze stelde die opnieuw uit, toen bleek dat het levensgevaar geweken was.
De crisis nu ontstond toen in de vierde eeuw de verkeerde praktijk door vele voorgangers heftig werd bestreden. Dit heeft er gelukkig toe geleid dat de doop van de kleine kinderen weer als normaal gebruik in ere werd hersteld.
De crisis werd tenslotte overwonnen in de strijd met de Pelagianen. De 16e synode van Carthago heeft ieder met het anathema getroffen, die de doop van pasgeborenen wilde nalaten.