Ingezonden
1986-01-17
- Jaargang 30
- nummer 3
Nieuwe liederen voor de gemeente
Enige tijd geleden verscheen de bundel "Een lied voor de Bruidegom" van Joop Klein. Mijn waardering voor deze liederen is groot en daarom was ik blij met deze uitgave. In "Opbouw" d.d. 15-11-'85 heeft broeder T. Hoekstra een artikel aan deze bundel gewijd. Hij spreekt in dat artikel zijn waardering uit, maar plaatst daarbij nogal wat kritische opmerkingen over zowel de vorm als de inhoud van deze liederen. Achter zijn kritiek op de vorm plaats ik enkele vraagtekens; zijn kritiek op de inhoud vind ik echter in het geheel niet terecht.
Broeder Hoekstra stelt allereerst vast dat de literaire kwaliteit van de liederen zwak is. Zo'n uitspraak aan het begin wekt de indruk dat de literaire kwaliteit één van de belangrijkste, zo niet de belangrijkste maatstaf voor de beoordeling is. Waarom zou je voor de beoordeling van een bijbel-lied deze maatstaf hanteren?
Ik denk in dit verband aan 1 Cor. 2, waar Paulus schrijft dat hij in zwakte (van woorden) de kracht van Christus verkondigt.
Een schittering van woorden kan de eigenlijke boodschap in de weg staan. Zelf vind ik dat je bij de beoordeling in de eerste plaats nagaat in hoeverre Gods Woord rechtstreeks in deze liederen aan het woord komt. Ik lees op de omslag dat Joop Klein ook deze bedoeling heeft. Daarna zou ik het lied beoordelen op de eenheid tussen tekst en melodie en op correct taalgebruik.
Heeft het lied een zekere literaire kwaliteit, dan is dat meegenomen voor de fijnproevers. Ik moet trouwens nog het eerste lied tegenkomen dat Gods Woord rechtstreeks, dus zonder een stuk uitleg of meditatie van de schrijver/dichter, vertolkt en bovendien een zekere literaire kwaliteit heeft. Daarom ook vind ik bovenstaande uitspraak, over een debuut nota bene, onredelijk.
De literaire zwakte blijkt o.a. uit het gebruik van stoplappen en opvullingen in de liederen; dat lees ik tenminste in het artikel van T.H. Als voorbeeld wordt de uitroep ,,0", genoemd; Deze uitroep vinden we drie maal in het eerste lied van de bundel: "Bede bij de wet". Is deze uitroep een stoplap in het lied? In psalm 51 komt dit ,,0" vier keer voor; in psalm 57 zelfs vijf keer.
Deze uitroep in het eerste lied is bovendien functioneel omdat hiermee benadrukt wordt dat het lied een gebed is.
De derde strofe van dit lied krijgt ook de nodige kritiek.
Deze strofe luidt:
Wij waren slaven van de zonde:
Uw zoon heeft ons daarvan bevrijd,
opdat wij nu geen andre goden
maar U alleen zijn toegewijd.
Het woordje "nu" is zwak en het woord "opdat" is onjuist. Is dat waar?
Het woordje "nu" benadrukt de overgang van "waren" naar "zijn": we waren (eertijds) slaven van de zonde, maar nu zijn we Hem alleen toegewijd.
De boodschap van deze strofe is in overeenstemming met bijvoorbeeld Col. 3, waar ook over deze overgang gesproken wordt en bovendien het woordje "thans"
gebruikt is. Bevrijding uit de slavernij van de zonde met als doel (=opdat) toewijding aan de Here alleen is dacht ik ook voluit evangelie. Ik denk dat T.H. een te enge betekenis toekent aan het voegwoord "opdat".
Hij omschrijft dit woord als "met dat doel allereerst of alleen". Ik denk dat het beter is om de woorden "allereerst of alleen" uit deze omschrijving weg te laten. Dan heb je ook minder moeite met het "opdat" it de derde strofe. Het evangelie van de bevrijding uit de zonde vind je niet expliciet in Exodus 20 terug; toch past het wel als dankgebed bij de wet. Nogmaals: dit lied is als bede bedoeld.
De zevende strofe luidt:
Leer ons al wie gezag moet
dragen te eren door gehoorzaamheid,
opdat wij leven vele dagen
in voorspoed en veiligheid.
In de eerste twee .regels van deze strofe wordt volgens T.H. de Bijbel niet goed nagesproken, want eren is niet hetzelfde als gehoorzaam zijn. Eren = gehoorzaam zijn lees ik echter niet in de tweede regel. Wat ik wel lees is: gehoorzaamheid is een blijk of vorm van eren. Deze gehoorzaamheid is geen natuurlijke eigenschap of houding van mij, maar moet ik leren. Wat in deze strofe, staat is in overeenstemming met bijvoorbeeld Rom.
13 en 1 Petrus 2. De huisslaven krijgen zelfs te horen dat ze ook de verkeerde meesters onderdanig moeten zijn. En beeft Paulus ook niet de goddeloze Romeinse overheid voor ogen gehad?
In deze strofe mist T.H. ook de gedachte dat je God mèer moet eren dan de overheid.
Op zich is deze gedachte natuurlijk juist. Lees je echter gedeelten in de Bijbel over gehoorzaamheid, onderdanigheid en eren (bijv. Rom. 13 en 1 Petrus 2) dan wordt bovenstaande gedachte (bijna) nooit uitdrukkelijk genoemd. Daarom vind ik deze kritiek niet terecht. De gedachte dat je gezagsdragers gehoorzaamt met als doel een voorspoedig leven in veiligheid kan bij T.H. niet door de beugel.
Waarom niet? Is deze gedachte misschien egoïstisch? In 1 Tim. 2: 2- lees ik dat Paulus voorbede voor hooggeplaatsten vraagt, "opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden... ".
Een verlangen naar voorspoed en veiligheid hoeft echt met verkeerd te zijn.
Ook op de kritiek op het derde lied valt nog wel het een en ander af te dingen. In verband met de lengte van dit artikel zal ik dat maar nalaten.
Over de eenheid tussen tekst en melodie zou ik nog het volgende willen opmerken: helaas hebben niet alle liederen een passende melodie. Zo vind ik het ongelukkig dat lied 20 (Wees blij te allen tijde, naar Fil. 4) in mineur begint. Lied 24 over de bruiloft van het Lam is een geweldig goed lied over een geweldig gebeuren.
In de derde strofe staat: "Hun loflied dat het Lam begroet, klinkt als het daavren van de vloed .... ". De melodie (Liedboek 157) is mooi, maar niet daverend, Al met al denk ik dat deze bundel een aanwinst voor de gemeentezang) is, in de eerste plaats omdat in deze liederen de gebruikte bijbeltekst of liever gezegd Gods Woord zo duidelijk herkenbaar is. Voorts klinkt door al deze liederen heen een toon van eerbied, vreugde en aanbidding. Wie dat wil proeven schaffe zich deze bundel aan.
P. Kraaijeveld, Ermelo
Commentaar
Nadrukkelijk had ik geschreven de normen te zullen hanteren die ook in de gezangencommissie zijn gebruikt; vandaar o.a. het bezwaar tegen stoplappen, opvullingen, onjuist taalgebruik en verkeerde beeldspraak. De lezers van Opbouw moeten nu zelf maar uitmaken hoe zij over deze liederen denken, ze hebben nu twee verschillende meningen gehoord. De opmerkingen die Kraaijeveld maakt in verband met de melodieën, moeten de lezers er dan ook maar bij betrekken.
En misschien is er nog eens gelegenheid van gedachten te wisselen over dat gehoorzamen aan de overheid. Het wordt een dringend probleem in een tijd van maatregelen en wetten op het gebied van bewapening, abortus, euthanasie en zogenaamde antidiscriminatie.
T.H.