Het Goddelijk

1986-09-05
  • Jaargang 30
  • nummer 34
"Waarom zegt gij, O Jakob, en spreekt, O Israël: mijn weg is voor de HERE verborgen en mijn recht gaat aan mijn God voorbij?" (Jesaja 40: 27-31)

Wij mensen hebben onze vragen aan God, onze waaroms, God heeft ook een vraag aan de mens, een waaromvraag. In een heel mensvormig spreken over God toont de profeet ons de goddelijke verbazing over het onbegrijpelijke, dat Zijn volk God verruild heeft voor de afgoden, terwijl er toch een heel bijzondere relatie bestaat tussen de Here en Zijn volk. Zowel de Godsnaam als de namen, waarmee het volk genoemd wordt (Jakob en Israël) geven uitdrukking aan die relatie, dat verbond. God is niet de onbekende God, maar Hij is degene, die het initiatief voor die relatie genomen heeft en steeds Zijn volk te kennen gegeven heeft, wie Hij is en wat Hij voor Zijn volk kan en wil zijn.

Bestraffend of vertroostend
Als wij, mensen, tegen iemand zeggen: "W1aarom heb je dat gedaan?", hangt het van de toon af, die we bezigen, of het een verwijt of een bemoediging is. Het is in Jesaja 40: 27 niet uit te maken of het nu of-of is, dus we houden het maar op èn-èn, zowel bestraffing als vertroosting.
De Here reageert met Zijn "waarom" op een klacht van Zijn volk in ballingschap: dat zijn weg voor de Here verborgen zou zijn en zijn recht aan God voorbij zou gaan. Uit die klacht spreekt klein geloof, maar tegelijk toch ook heilbegeerte, klagen, maar ook een niet geheel vertwijfelen. Als God dan vraagt naar het “waarom" van die klacht, betekent dat, dat Israël zo niet mag spreken, bestraffen dus, maar tegelijk ook dat Israël zo niet hoeft te spreken, troost dus. Klein geloof, gebrek aan vertrouwen is niet te vergoelijken en moedeloosheid mag bij Gods kinderen nooit gevonden worden. Maar toch treedt de Here kleingelovigen en moedelozen niet alleen met opgeheven vermanende vinger tegemoet. Maar Hij zegt: "Het is niet nodig, kinderen, dat jullie zo klein denken over Mij en Mijn weg, en omdat het niet nodig is, màg het ook niet." De Here is barmhartig in Zijn beoordeling van onze geloofsstrijd en van .onze inzinkingen.
Maar als het gaat over de afgodendienaars en hun ongeloof, dan wordt er een heel andere toon aangeslagen, dan klinkt meer de toon van onbarmhartige, bijtende spot (vers 19 en 20). Niet het ongeloof, maar wel het klein geloof treedt de Here op een tere, pastorale manier tegemoet. En hoe doen wij dat? Geven wij, in prediking en zielszorg, op barmhartige wijze troost aan de "armen van geest" of op onbarmhartige wijze alleen vermaningen dreiging met straf aan iemand met geloofsmoeiten?

"Breder onderwijs"
Om uit te leggen, waarom er geen reden tot klagen en moedeloosheid is, wordt in vers 28 v.v. herinnerd aan de grootheid van God, aan Zijn eeuwigheid, aan Zijn macht, zoals die bekend is uit Zijn scheppingswerk, aan Zijn wijsheid. De volgorde van vers 28 moeten we niet gaan omkeren. Niet: de Schepper is de God van 'Israël, maar Israëls God, de Vader van onze Heer Jezus Christus is de almachtige en de boven elk menselijk verstand verhevene. Die grootheid van onze Vader houdt in: "wat Zijn liefde wil bewerken, ontzegt Hem. Zijn vermogen niet", maar ook dat Zijn wegen voor ons niet na te rekenen zijn. Wel weten we, dat de wegen, die God gaat met Zijn vork, altijd wegen van bevrijding zijn. De weg door Egypte, de weg ook door de ballingschap was uiteindelijk de weg naar Christus. En Zijn weg door de duisternis van Golgotha was de weg naar het licht van de opstanding. Maal" wij kunnen er met ons verstand niet bij. Van die verheven God, die tegelijk de Verlosser Is, moeten wij niet te aards willen (blijven) denken, maar ook niet aan Zijn liefde twijfelen, als we letten op de wegen, die de wereld gaat, of die de gemeente van Christus gaat, of die we persoonlijk hebben te gaan.

Verwachting
God is niet alleen de Machtige, Hij geeft ook kracht, kracht om te dragen en te dulden zolang Zijn reddende hand nog niet zichtbaar is. Hij is de Bron van kracht voor allen, die Hem verwachten, voor ballingen, verschoppelingen, verworpenen, die hun hoop niet op menselijke kracht stellen maar op Hem, die door Zijn Geest in Christus naar mensen toe komt.
Zij varen op met vleugels als arenden, zo luidt de belofte uit vers 31. Daar klinkt iets van de "wiekslag van de Geest" in door, de Geest, die mensen brengt in de gemeenschap met Christus, die met Zijn Iiefde ons leven omringt en ons in 't licht als op adelaarsvleugels geheven heeft (Gez. 424: 2, Liedboek). Op Hem, onze Heer zelf mag de verwachting van de ballingen (en ook van ons) gericht zijn. In geloof, hoop en vertrouwen, dat het anders zal worden, dat het niet altijd zo moeilijk zal blijven als het in de gegeven omstandigheden is.
Van menselijke moed is niet veel te verwachten, als alles tegenzit of schijnt te zijn. Ook niet van de menselijke moed van de kinderen Gods. Hoe vergaat het jongelingen en jonge mannen, die toch een toonbeeld' zijn van moed, fierheid en uithoudingsvermogen? Ook zij raken aan het eind van hun krachten, zodat ze nauwelijks meer op hun benen kunnen staan. Maar "de Here verwachten" is ook iets totaal anders dan menselijke moed en menselijke kracht of uithoudingsvermogen. Het is het geloot in Gods beloften, het zich vastklemmen aan Zijn liefde en Zijn macht. Dit verwachten geeft kracht en moed om nu de moeiten van het leven te dragen en geeft ook hoop voor de toekomst, die in Gods hand is, een hand, waarin ook wij veilig geborgen zijn als een jonge vogel in zijn nest, en die 'als hij gaat uitvliegen zijn Vader in de buurt weet, die hem draagt op zijn vleugels, zoals een adelaar dat doet! (Deut. 32) .
Gods "waarom" lost de raadsels dus niet alle,aal op en maakt Gods wegen niet voor- ons geheel en al doorzichtig, maar het kan wel de stormen van onze “waaroms" stillen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief