Close-up van de geboorte van een tweeling
1986-01-24
Geboorte en naamgeving "Toen nu haar dagen vervuld waren, dat zij baren zou ... " - het is alsof je Luc. 2 hoort meeklinken, maar we zijn pas bij Rebecca en dus bij de aanvangen der kerk. Dat zal ook de reden zijn, waarom (net als in Luc. 2) ons zoveel détails worden verteld van deze bevalling.- Jaargang 30
- nummer 4
De Groot Nieuws Vertaling geeft het aardig weer: "toen ze moest bevallen bleek het inderdaad een tweeling te zijn". Maar beslist geen eeneiige tweeling: "De eerste die tevoorschijn kwam, was rossig" - hij had een rode of sterk gepigmenteerde huid.
"Hij was over het hele lichaam sterk behaard, alsof hij een haren mantel aanhad. Men noemde hem Esau: Dichtbehaarde" (GNV).
Dat is dan in tegenstelling met Jacob, die later zelf het verschil aangeeft: "Esau is erg behaard en ik niet" (27: 12 GNV). De Nieuwe Vertaling is hier al te suggestief: "Zie, mijn broer Esau is een ruig man .... ".
Maar t.a.v. Jacob is de GNV weer te suggestief: "Daarna kwam zijn broeder te voorschijn.
Omdat hij de hiel van Esau vasthield, noemde men hem Jacob: Hij die een ander “beetneemt."
Beetnemen, te pakken nemen of hebben heeft echter een te negatieve lading. Dat aspect is nog lang niet aan de orde. Daarom voldoet ook het woord "hielenlichter"
niet. Het is Ezau die later Jacobs naam een ongunstige betekenis geeft: "terecht wordt hij Jacob genoemd ....
hij beeft me nu al tweemaal beetgenomen" (27: 37 GNV; bedrogen NV).
Karakteristieke détails
Dat zijn dus markante, persoonlijke eigenaardigheden die ons worden verteld. Waarom die détails? Omdat ze in het vervolg een duidelijke functie hebben.
Niet om bijvoorbeeld de een bij voorbaat zwart af te schilderen of om te suggereren: Ezau was van meet af aan veel sterker dan Jacob (een ruige beer). Prof. B. Holwerda doet dat eigenlijk wèl: "de eerste heeft een roodbruine gelaatskleur, een teken van krachten gezondheid ....
Ezau beschikt dus over een brute natuurkracht.
Maar medisch is allang uitgemaakt dat de huidskleur en het "behaard" of glad zijn niets zegt over lichaamskracht. Ezau houdt er alleen zijn naam aan over: Dichtbehaarde. Dat karakteriseert hem, geeft hem zijn naam.
En het andere, markante trekje is: bij de geboorte hield Jacob Ezau's hiel vast ('t moet een moeilijke bevalling zijn geweest).
Bij velen heeft hij daar de naam “hielenlichter" aan overgehouden.
En daarbij trekt men al een bedenkelijk gezicht: de ander een beentje lichten, ja; ja - een mooie meneer. Men vergeet daarbij simpelweg wat Paulus schrijft: "nog vóór de kinderen geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan" (Rom. 9 : 11).
Je kunt hooguit zeggen: Jacob zit Ezau dicht op de hielen, maar hij is de "verliezer". Tegelijk lijk is dat moment van geboorte bepalend voor heel zijn leven: hij (de vader van een volk!) is de mindere, de jongste. Met zijn eerstgeboorterecht heeft Ezau van meet af en van nature een voorsprong - met alle rechten daaraan verbonden.
Beschreven blad papier
Bij de geboorte is het eerstgeboorterecht bepaald. Daarbij gaat het in dit geval niet alleen maar om familiegoed, maar om de toegezegde erfenis, en om het Zaad, waarin heel de wereld gezegend zou worden, dat is dus Nieuw-Testamentisch gezegd om de Christus. Niet om het deelhebben aan de belofte en aan Christus.
Maar het gaat om het vaderschap van Christus, om de vraag: wie heeft de leiding in deze erfenis, wie is de eerste, over wie loopt de lijn? (B. Holwerda, a.w. pag. 44 v.).
Dat waren natuurlijk zaken, waarvan die beide jongens tijdens, laat staan vóór de geboorte, totaal geen weet hadden. In de gegeven details ligt geen spoor van verwijt of verdienste. De “close-up” van deze bevalling wordt gegeven om te onderstrepen dat elk van deze beide kinderen – bij uitzondering – geen onbeschreven blad papier is. Want God, die ons de volgorde van de geboorten minutieus laat zien, had bij voorbaat zijn voornemen bekend gemaakt: het wordt een strijd tussen twee volkeren, en de meerdere (oudste) zal de mindere (jongste) dienen. En niemand wist op dát moment wie dat zijn zou – het kind had nog niet eens een náám. Juist dáárin komt echter des te duidelijker uit: het is God, en God alléén, die bepaalt aan wie “het vaderschap van Christus” zal ten deel vallen. Zijn “voornemen” dat naar “het principe van verkiezing” is, wordt straks uitgewerkt.
Karakteristiek voor Gods kiezen
Om zijn voornemen (plan) te gaan uitwerken, doet God een keuze uit beiden. Maar welke maatstaf hanteert Hij daarbij? Duidelijk niet van de werken, schrijft Paulus (Rom. 9:11). Niet “geboorte, werk, natuurlijke aanleg, deugd…zo, dat het nooit te danken is aan menselijk werk maar aan het roepen Gods.” (B. Holwerda a.w. pag. 34).
God “roept” – wat moeten ons daarbij voorstellen? Hoe doet Hij dat? Dat spreekt voor zichzelf: door zijn Woord. Dat Woord doet een appel op wie het hoort – dus straks ook op Ezau en Jacob. De vraag is en blijft hoe de hoorder daarop reageert!
God “riep” Mozes om Israël uit Egypte te leiden. (Ex. 3:10 v.v.) Mijn zoon (Israël) heb Ik uit Egypte geroepen (Hos. 11:1). Israël wordt geroepen om Gods volk te zijn (Ex. 19:3 v.v.), het volk van Gods keuze (Deut. 7:7). En het beantwoordde die roep positief (Ex. 19:8 vgl. Ps. 91 : 2 en 9a; Jer. 2 : 2). Jesaja werd geroepen tot profeet (Jes. 6), zoals een Saul of David tot koning. En Jezus werd bij zijn doop geroepen Messias te zijn.
God "roept" door zijn Woord, in de tijd, tijdens het leven van een mens - ook al heet die mens Ezau of Jacob of wie ook. Uit het evangelie horen we hoe God te werk gaat: niet naar de maatstaf van "werken" werkt Hij zijn "voornemen naar het principe van verkiezen" uit. Daarom staat terecht in het oude doop formulier: " .... zo worden wij geroepen tot een nieuwe gehoorzaamheid aan deze enige God .... "!