De betekenis van de reformatorische beweging van de jaren '30 voor het Gereformeerde leven (1)

1986-01-24
  • Jaargang 30
  • nummer 4
1) De jaren dertig

Op verzoek van de redaktie ben ik gaarne bereid in enige artikelen iets te zeggen over wat m.i. de betekenis is geweest van de jaren '30 voor het gereformeerde leven in ons land. Het is mij waarschijnlijk gevraagd, al is dat niet uitdrukkelijk gezegd, als aan iemand die deze jaren bewust heeft meegemaakt. Dat laatste is inderdaad het geval.
Zo belangrijk is dit overigens ook weer niet. Men kan heel wel iets hebben meegemaakt en toch geen zicht hebben gehad op wat er werkelijk gaande was.

We leven thans in de jaren '80, een halve eeuw later. Te midden van een wereldwijd verval van het kerkelijke leven, van hand over hand toenemende ongebondenheid in de christenheid en van zich mondiaal ophopende onoplosbare economische en politieke problemen. Toch letten o.i., velen niet op het eindtijdkarakter van deze tijd, in de zin van de "laatste dagen" van deze bedeling, waar de apostel Paulus over spreekt. Hoewel ze toch midden in het gebeuren leven.
Alleen als we het gebeuren in de wereld in verbinding brengen met wat de Schrift zegt over de voortgang van de heilshistorie kunnen we o.i. iets verstaan van wat er in onze eigen tijd werkelijk gaande is. Wie de jaren '30 heeft meegemaakt, heeft een goede gelegenheid ontvangen bij het licht Van het Woord van God de gebeurtenissen op te merken die zich in die jaren begonnen af te tekenen in ons land en daarbuiten. Want kerkgeschiedenis staat niet los van wereldgeschiedenis.
De vraag is daarom belangrijk: wat gebeurde er in de jaren '30 in het gereformeerde leven in ons land? Hoe moeten we de geestelijke strijd zien die in 1944, terwijl de oorlog naar een climax ging, uitliep op beslissingen van kerkelijke vergaderingen die een stroom van schorsingen en afzettingen van kerkelijke ambtsdragers tot gevolg hadden en de machtige Gereformeerde Kerken. in Nederland uiteenscheurden. Welke macht kon dat tot stand brengen?

2) Wat was er aan de hand in de jaren ’30?

Wat gebeurde er in de kerken?
Er klonken, zo zei men in die jaren, allerlei "nieuwe geluiden" over verbond, doop, avondmaal, kerk, zelfonderzoek, onsterfelijke ziel, enz. Dat was inderdaad het geval. Er was een teruggaan naar de levende taal van de Schrift in het spreken over deze en nog veel meer onderwerpen.
Daardoor klonken oude waarheden voor velen als nieuw. De geloofsaandacht van predikanten ging zich verleggen van het zien op de zwakke, vaak tobbende godsdienstige mens, naar de rijkdom en de vastheid van Gods beloften in Christus Jezus. Er kwam nieuw onderzoek van de Schrift zelf. Eeuwenoude gedachten als die van een onsterfelijke ziel die tijdelijk zou wonen in een sterfelijk lichaam bleken van Griekse oorsprong te zijn. Er was een streven, vaak onbewust, niet mee te doen aan de verwetenschappelijking van het gereformeerde leven die na 1892 de kerken binnendrong. Reeds tijdens de vereniging van 1892 van de kerken uit de Afscheiding van 1834 en die uit de Doleantie van 1886, waren de theologische constructies van dr. A. Kuyper voor velen een bron van grote zorg. Temeer daar zij afkomstig waren van een singulier begaafde broeder die in het volle leven zo profetisch kon, zijn en het zwaard des Geestes met zoveel kracht wist te hanteren. In 1892 zijn enige Afgescheiden kerken om die reden en om nog enige andere redenen niet met de vereniging meegegaan. Daaruit zijn de Christelijke Gereformeerde kerken voortgekomen, In de theologische gedachtenwereld van dr Kuyper kwam, naar gebleken mag zijn, een grote verzoeking tot de kerken. In dat denken ging menselijke wetenschap zich meester maken van het Woord van God. Het was de tijd waarin de gehele christenheid in de ban raakte van de niet als zodanig onderkende humanistische afgod: de wetenschap, die het westerse leven bijna geheel is gaan beheersen.
Het was de tijd waarin de theologie als "Heilige Godgeleerdheid" en als "Koningin der Wetenschappen"
de Schrift in een groot denksysteem systematisch verwerkte. Zo ontstond dr Kuypers "Encyolopedie van de Heilige Godgeleerdheid", waarin de theorie van de "veronderstelde wedergeboorte", als grondslag voor de kinderdoop, een sleutelpositie innam, die het gehele genadesysteem theoretisch sluitend moest maken, maar welke theorie een van de breekijzers is geworden waarmee de Gereformeerde Kerken in Nederland uiteengebroken zijn.
Wie de tijd van het opdringen van de wetenschappelijke theologie in deze kerken, dat is de tijd na 1892, bestudeert wordt getroffen door het feit, dat de gereformeerde kerken van de 20e eeuw op dezelfde wijze zijn verwoest als die van de 17e en 18e eeuw.
De Boze heeft in de 20e eeuw met behulp van het theologisch denken van een van haar meest gezaghebbende leden, dr A. Kuyper, die zoveel voor het tot stand komen en de vrijheid van de gereformeerde kerken had gedaan, ze weer weten te verscheuren.
Met dezelfde wetenschappelijke list had hij in de 17e eeuw de gereformeerde kerken tot een dodelijk rationalisme gebracht.
Met behulp van de door velen vereerde nieuwe rationalistische denkwijze van de in ons land woonachtige wijsgeer Descartes v. as hij er in geslaagd de eerbied voor de taal van de Schrift te verdringen. Tevergeefs heeft de meest gezaghebbende kerkelijke voorman van die dagen, de vrome Voetius, getracht in de debatten het rationalistisch kwaad van Descartes te bezweren, niet met aan de Schrift ontleende onderscheidingen, maar met behulp van de verouderde en niet minder rationalistische begrippen van een op Aristoteles steunende scholastiek. Toen moest hij het bij de opkomende generatie verliezen als verouderd en niet bij de tijd. Zo won Descartes.
De gereformeerde kerken zijn in de 18eeeuw in hun rationalisme bijna ondergegaan. Het gezag van het Woord van God over het gehele leven week en vele vromen gingen hun heil zoeken in een piëtistische vroomheid, waarin de godsdienstige mens met zijn godsdienstige noden in het centrum stond en Gods genade velen haast onbereikbaar scheen. De Afscheiding van 1834 was de eerste breuk met het rationalisme, de Doleantie van 1886 was de tweede. Zo zijn in 1892 de Gereformeerde Kerken in Nederland ontstaan.
Deze in, verdrukking geboren, bij de Schrift groot geworden kerken zijn, toen de verdrukking ophield, van binnen uit geconfronteerd met het snel in aanzien stijgend wetenschappelijk theologisch spreken over het Woord van God van dr Kuyper, dat het christelijk geloof opnieuw tot een rationeel systeem verwerkte.
Op tweeërlei wijze bedreigde deze ontwikkeling het gereformeerde kerkelijke leven. Zij verzwakte het levende geloof in de Christus der Schriften en bracht de bij de Schrift mondig geworden kerken, door de zich in de kerken recht van spreken aanmatigende wetenschappelijke godgeleerdheid, in een positie van onmondigheid. Daaruit is in de jaren '30 in de gereformeerde kerken een niets ontziende synodocratische kerkleiding ontstaan, die dr Kuyper in de Doleantie zo zeer had bestreden.
In 1896 waarschuwde prof. Lindeboom uit Kampen reeds in geschrift ernstig tegen de in de kerken opkomende eerbied voor de wetenschappelijke theologie uit Amsterdam, die ook in Kampen indruk maakte. Vooraanstaande broeders bleken het gevaar niet op te merken. Rond 1900 waren de spanningen groot.
De Theologische School dreigde te worden opgeheven. Prof. Bavinck evenals prof. P. Biesterveld en de overgrote meerderheid van de studenten vertrok naar Amsterdam. De grote onrust in de kerken heeft geleid tot de kerkelijke compromissen van 1905, die de voortgang van de verwetenschappelijking van het gereformeerde leven op alle gebieden niet hebben gestuit.
Niet de wetenschap als zodanig is een kwaad. Zij is een gave Gods, die echter onder het Woord van God is gesteld en zich niet mag verheffen dat Woord zelf tot een der mensen geconstrueerd systeem te maken. Dat heeft de overste van deze wereld de eeuwen door echter juist met de wetenschappelijke theologie weten te bereiken.
Prof. Lindeboom heeft de bedreiging van het leven bij de Schrift voorvoeld. Algemeen geldende dogmatische theorieën gingen het in concrete tijdssituaties sprekende Woord van God tijdloos maken, zodat er straks geen zicht meer kon zijn op de mening des Geestes m.b.t. het kerkelijk gebeuren. Dat zicht heeft dan ook, zoals nog blijken zal, op de kerkelijke vergaderingen in de jaren '30 ontbroken.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief