Boekbespreking
1986-01-24
Piet van der Ploeg (1985).- Jaargang 30
- nummer 4
Het Lege Testament.
Een onderzoek onder jonge kerkverlaters.
Franeker: Wever.
Het zal je maar gebeuren! Je krijgt kinderen. Je dankt God dat Hij ze je geeft. Je laat ze dopen en je doet serieus je best om ze christelijk op te voeden.
En dan gebeurt het. Zodra Anneke uit huis is, wil ze van kerk en geloof niets meer weten. Dit blijkt heel duidelijk, als Anneke vakkundig wordt geïnterviewd door Piet van der Ploeg. De naam 'Anneke' is hier natuurlijk een pseudoniem. Letterlijk zegt Anneke, die 24 jaar is, het volgende: "Nee, ik heb me er nooit voor geïnteresseerd, voor die hele kerk niet. En later vond ik het gewoon flauwekul". (pag. 21 e.v.) Anneke is lang niet de enige, die haar christelijke opvoeding over boord heeft gegooid. Bij 'de (synodaal) Gereformeerde Kerk van de stad Groningen lieten zich alleen al in 1983 on:' geveer 55 jongeren, in de leeftiid van 16 t/m 25 [aar, officieel uitschrijven (pag. 17). Zestien van hen gingen ermee akkoord om door Van der Ploeg hierover te worden ondervraagd.
Van der Ploeg is zelf ook een kerkverlater. Hij wilde wel eens weten hoe andere kerkverlaters denken over kerk, geloof en religiositeit (pag. 9). De zestien interviews vormen de basis voor een godsdienstsociologisch onderzoek, dat Van der Ploeg publiceerde onder de wrange titel "het lege testament".
Moeten wij, die de kerk niet verlaten hebben, ons iets aantrekken van de conclusies die een kerkverlater trekt .naar aanleiding van zijn godsdienstsociologisch onderzoek? Dominee Smit uit Maastricht heeft erop gewezen, dat er in de godsdienstsociologische benadering alvast één dimensie ontbreekt.1)
Waarom de één wel is gaan geloven en de ander niet hangt niet alleen af van sociale factoren. "Dat is ten diepste een vraag", aldus dominee Smit, "die ons vermogen te boven gaat. Dat zijn de verborgen dingen, die voor de Here zijn."
Maar ook al rekent Van der Ploeg niet met God, toch kunnen we wat van hem leren, vindt dominee Smit.
Inderdaad, of onze kinderen gaan geloven is uiteindelijk een zaak tussen hen en God. Dit sluit echter niet uit -iat ouders door God zijn aangesteld om hun kinderen met het geloof vertrouwd te maken. Hierin kunnen wij als ouders in sociologisch opzicht talrijke blunders maken. Stel dat een kerkverlater tegen zijn ouders zegt: "Als jullie je zus en zo hadden gedragen, dan was ik. waarschijnlijk wèl gelovig geworden."
In zo'n geval zouden die ouders alle redenen hebben om hun oren te spitsen. Als we het volle evangelie op een sociologisch verantwoorde wijze willen doorgeven aan de volgende generatie, dan kunnen we het lege testament dus niet links laten liggen.
Naar aanleiding van zijn onderzoek wil Van der Ploeg primair afrekenen met drie mythen, die vrijwel iedereen koestert ten aanzien van jongeren. In de eerste plaats is het niet zo, dat jongeren massaal. de kerk verlaten, omdat ze veel meer politiek actief zouden willen zijn (pag. 190). In de tweede plaats ligt de kerkverlating niet aan de eigen cultuur, of aan een speciale ontwikkeling, die jongeren zouden beleven (pag. 190). In de derde plaats tenslotte verlaten jongeren niet de kerk, omdat zij op een andere manier zijn gaan geloven (pag. 191). Jonge kerkverlaters zoeken dus geen alternatief voor kerk en geloof, aldus Van der Ploeg. Ze spelen het daarentegen klaar om zonder "zingevende werkelijkheidsopvatting" door het leven te gaan (pag. 200).
Strikt genomen gelden Van der Ploegs conclusies alleen voor de zestien jongeren, die hij toevallig interviewde. Er zijn natuurlijk best jongeren die de kerk verlaten, omdat ze meer heil verwachten van politiek activisme, of van een andere religie.
Wel heeft Van der Ploeg erg aannemelijk gemaakt dat deze jongeren veruit de minderheid vormen onder de grote groep van kerkverlaters. De meeste jonge kerkverlaters verlaten de kerk uit pure onverschilligheid ten aanzien van levens- en geloofsvragen. Van der Ploeg opent ons de ogen voor de harde feiten. Jongeren zoeken geen alternatief voor de kerk. Nee, daarvoor vinden ze de kerk niet belangrijk genoeg!
Hoe kunnen christelijk opgevoede jongeren zo ver wegzinken?
Hoe komt het, dat het geloof van hun ouders hen totaal onverschillig laat? Wat is er mis gegaan in de opvoeding?
Van der Ploeg wijst op talrijke faktoren, die hierin een rol spelen. In het bestek van dit artikel zou het te ver voeren om op al die faktoren in te gaan.
Eén faktor wil ik er uit lichten en wel die van de communicatie.
Eén van de redenen, Waarom jongeren zich van het geloof afkeren, is namelijk het volgende feit. Nogal wat ouders zijn niet in staat om geloofskwesties met hun kinderen te bespreken. In de communicatie met hun opgroeiende, kinderen slaan veel ouders de plank mis, zodra het geloof het gespreksonderwerp wordt, blijkt uit Van der Ploegs interviews.
Bij de communicatie tussen ouders èn kinderen is niet alles koek en ei. Dit blijkt al snel.
Carla (25 jaar) bijvoorbeeld klaagt over de vastgelopen communicatie met haar moeder: "Met mijn moeder kan ik helemaal niet praten. Dat is gewoon zwart-wit en je moet luisteren. Doe je dat niet dan wordt het onmogelijk." (pag. 28) Bij Peter thuis was het hetzelfde liedje. Het geloof, "nou daar valt" thuis "niet over te diskussiëren", zegt Peter (24 jaar). (pag. 33) Herman is 23 jaar. Bij hem thuis lagen de zaken wat genuanceerder.
Pa wilde best wel over het geloof praten. Alleen ma stak daar een stokje voor. Herman zegt hierover: ,,(.. ) mijn moeder die hield daar helemaal niet van, kritiek of twijfel, daar hield mijn moeder niet van.
'Hè, pa, eet nou je bord es leeg en praat niet zoveel', zei ze dan. (pag. 46). Ook Dick is 23 jaar. Bij hem thuis "werd sowieso nooit veel over dit soort zaken gepraat." (pag. 52). Hetzelfde geldt voor Renske (24 jaar): ,,(.. ) er werd eigenlijk heel weinig over gepraat." (pag.
62).
Het zijn niet alleen de moeders, die de communicatie laten vastlopen.
Wilma (23 jaar) verkeert namelijk met haar vader in een communicatiecrisis. "Bijna elke keer als ik thuis kom dan begint 'ie weer", zegt ze over haar vader. Discussiëren met hem kan helaas niet: "Het wordt meteen afgekapt als hij geen antwoord meer weet." (pag. 67).
Wilma's vader voert dus geen eerlijk gesprek als het over het geloof gaat, vindt Wilma.
Bij al deze voorbeelden zijn het steeds de ouders, die de schuld krijgen van de vastgelopen communicatie. Dit komt natuurlijk omdat alleen de jongeren aan het woord zijn gekomen.
De ouders hebben geen kans gekregen om zichzelf te verdedigen. In hoeverre zijn de jongeren medeschuldig? Dit is een vraag die we hier in het midden moeten laten. We zijn hier niet geïnteresseerd in de schuldvraag. Wat ons interesseert is wat ouders eventueel zouden kunnen leren van het onderzoek van Van der Ploeg.
Naar aanleiding van de interviews trekt Van der Ploeg een conclusie. De ouders van de kerkverlaters hebben geen serieuze poging ondernomen om het geloof te beargumenteren (pag. 139). "Beargumenteren"
is natuurlijk een te sterk woord, als het om het geloof gaat. Het geloof laat zich immers lang niet' altijd beargumenteren.
Maar waarschijnlijk is dat ook niet wat Van der Ploeg bedoelt te zeggen. Hij wil slechts zeggen dat ouders het niet aandurven om van hun geloof te getuigen, daar waar het geloof ter discussie staat. Ouders proberen daarentegen hardnekkig te voorkomen dat hun kinderen het geloof ter discussie gaan stellen. Op die manier praten de ouders helemaal langs hun kinderen heen. De kinderen stellen het geloof ter discussie, maar de ouders zien dat niet in, of willen dat misschien niet inzien.
De ouders doen alsof net geloof iets vanzelfsprekends is, dat gewoonweg niet ter discussie staat. De jongeren daarentegen zien maar al te goed dat het geloof niet de enige mogelijkheid is. Dat geldt zeker in deze tijd van secularisatie. Het geloof is niet vanzelfsprekend.
Het geloof is een keuze. Daarin geeft het geloof zelf de jonge kerkverlaters nota bene gelijk!
Zegt het geloof immers niet van zichzelf dat het Uiteindelijk een gave is van God? Alleen door Gods Geest kan de mens kiezen voor het geloof -.Er zijn blijkbaar ouders die om dit keuze-moment heen willen. Deze lopen wel het gevaar, dat ze door hun toedoen bun kinderen afleren om te vragen naar de Heilige Geest. Het geloof als een 100%-evident-iets verkopen is de Heilige Geest bedroeven.
De Geest wil ons het geloof schenken. Als we doen alsof geloven vanzelf gaat, omdat dat zo hoort, dan zeggen we eigenlijk tegen de Heilige Geest dat Zijn werk overbodig is!
Natuurlijk is het zo, dat niemand zich kan verontschuldigen, als het gaat om het geloof in God. Ook voor jonge kerkverlaters geldt: ,,(.. ) hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben." (Romeinen 1: 20). Voor het oprechte 'verstand is God inderdaad te vinden; volgens de bijbel. Het is volgens de bijbel echter niet vanzelfsprekend, dat iedereen zijn verstand gebruikt zoals dat zou moeten. Mensen kunnen "verduisterd zijn in hun verstand" (Efeziërs 4: 18).
Inderdaad, materialisten uit de negentiende eeuw waren dolblij, toen hun verstand een zwart gat was geworden. In hun wereldbeeld was, tot hun grote vreugde, voor God geen plaats meer. Het is dit materialistische wereldbeeld, dat veel moderne jongeren, mede dankzij het onderwijs, als evident ervaren. En zo kan het gebeuren, dat iemand als Dick (23 jaar) denkt dat God alleen maar is uitgedacht door mensen die nog niets wisten van wetenschap.
Geloven in een hogere macht vindt hij sen "beetje al te simpel". Hij kan maar niet begrijpen dat mensen die verstand hebben van wetenschap en techniek kunnen geloven.
(Naar aanleiding van pag. 53 en 54.) Laten we terugkeren naar Van der Ploeg. Van der Ploeg beargumenteert dat ouders die het geloof niet ter discussie stellen, hun kinderen daardoor van het geloof afhouden (P. 140).
Hij redeneert vrij vertaald als volgt. Kijk eens naar die ouders, die het geloof niet ter discussie durven te stellen. Zij pretenderen onwillekeurig dat het geloof iets evidents is, Zodra de jongeren echter het huis uitgaan, merken zij dat het geloof helemaal niet zo vanzelfsprekend is. Een hoop mensen blijken namelijk niet te geloven.
Die jongeren constateren dan dat het geloof van hun ouders ernaast zit en dus ongeldig is.
De gelovige ouders vallen dan met hun (verkeerd uitgelegd!) geloof als een stelletje naïevelingen door de mand.
Het kan ouders met doodsangst vervullen, als ze moeten beseffen dat hun kinderen tegen het geloof kunnen kiezen. Het is echter niemand minder dan God, die alle mensen de keuze laat. We hoeven ons dan ook niet over Van der Ploegs conclusies te verbazen. Hoe zouden we ooit onze kinderen dichter bij God brengen, als we in de communicatie met hen hardnekkig ontkennen dat ze voor de keuze staan? Dat kinderen voor deze keuze staan, blijkt zodra ze in de communicatie met hun ouders het geloof ter discussie gaan stellen.
Ontkennen dat je kinderen vóór of tegen God moeten kiezen is hen in de opvoeding dwingen tot de verkeerde keuze. Deze conclusie mogen we mijns inziens t rekken uit "het lege testament".
Gelukkig maar dat onze menselijke opvoeding niet het laatste woord heeft. Moge de Heilige Geest alle jonge (èn oudere) kerkverlaters bewegen tot een nieuwe en betere keuze.
1) Uit het "Kerkblad van de Ned. Ger. Kerk te Maastricht", jrg. 30, nr. 4, 7-12-1985.