De betekenis van de reformatorische beweging in de jaren '30 voor het Gereformeerde leven (2)
1986-01-31
3) De reformatorische opleving een wonderlijke gave Gods- Jaargang 30
- nummer 5
Tegen de beschreven geestelijke achtergrond dient o.i. de gave Gods, die de merkwaardige reformatorische beweging in de jaren '30 is geweest, worden gezien. Velen werden in die jaren geroepen met inzet van alles het gereformeerde leven alsnog af te brengen van de heilloze weg van de verwetenschappelijking van de Schrift, die het gehele leven zelfgenoegzaam maakte. Op veel plaatsen was in die jaren een zich vernieuwende prediking te horen, die niet over geloofswaarheden redeneerde maar uit de Schrift over Gods beloften sprak en deed horen dat de Here het gehele leven verlost van het verderf en wil kronen met. barmhartigheid en goedertierenheid. Er was een begin van nieuw onderzoek van de betekenis van de Schrift voor het gehele leven. Op wijsgerig gebied werden radicale ontdekkingen gedaan, die de humanistische wetenschap in de kern raakten.
Vermoeiende rechtzinnigheid begon plaats te maken voor aansprekende prediking.
Dat alles behoorde met veel menselijk gebrek tot de betekenis van de reformatorische beweging in de gereformeerde kerken, die vogels van zeer uiteenlopende pluimage, instelling en ontwikkeling tot nieuw leven wekte, maar veel anderen, binnen en buiten de gereformeerde kerken, niets zei. Zo gaat het vaak in de kerkgeschiedenis.
4) De tegenstand en de scheuring
Maar tegen dat streven Kwam steeds sterkere kritiek van invloedrijke leerlingen van dr Kuyper, zowel hoogleraren als predikanten.
In de kerkelijke bladen ontwikkelde zich een toenemende strijd.
Ds G. Janssen heeft in zijn boek "De Feitelijke Toedracht", '50, de ontwikkeling zorgvuldig beschreven, terwijl ds H. van Tongeren in zijn beknopt "Bewaard bevel", '52, een aantal belangrijke punten overzichtelijk heeft samengevat.
In 1936 vroeg de classis Bolsward met wijsheid aan de komende generale synode te Amsterdam het kwaad van onbroederlijkheid in het polemiseren tegen te gaan zodat de gezonde ontwikkeling en uitwisseling van gedachten voortgang kon hebben.
De synode van Amsterdam van 1936 besloot dat te doen, maar is vervolgens veel verder gegaan.
Twee synodeleden stelden op eigen initiatief voor, hoewel alleen de kerken voor een synodale agenda hebben te zorgen, een commissie te benoemen met de opdracht over bepaalde vraagstukken, die zij reeds "geschillen" noemden, de volgende synode van advies te dienen.
Met de behandeling van dit voorstel, dat de bevoegdheid van de synode ver te buiten ging, werd de rampspoedige weg van de kerkelijke procedures ingeslagen, die de vrije door de classis Bolsward genoemde gedachtenwisseling in de kerken onmogelijk zou maken en tot de grote scheur zou leiden.
Op 10 september 1936, bij de bespreking van het voorstel van de twee synodeleden, noemde prof. H. H. Kuyper de situatie in de kerken ernstiger dan in de dagen van Assen (1926), sprak over een revolutiegeest die alles wilde omkeren en van een beweging die de kerken vergiftigde.
Prof. Hepp sprak dreigend over "leergeschillen", hoewel geen enkele kerk daarvan had gerept en eindigde, de gemoederen zeer verontrustend, met het woord van Jezus: Ik heb enige weinige dingen tegen u, dat gij dwalingen toelaat.
De synode besloot een commissie te benoemen, die de opdracht kreeg de volgende synode van advies te dienen over een aantal met name genoemde onderwerpen.
De niet eenzijdig samengestelde commissie bevatte o.a. de professoren Aalders, Greijdanus, Hepp, Schilder en Vollenhoven.
De procedure was echter op gang gebracht.
Vervolgens beschuldigde prof. Hepp, een van de acht commissieleden, in een brochurereeks "Dreigende Deformatie", enige niet met name genoemde commissieleden van afwijking van de belijdenis. Prof. Greijdanus zag zich daardoor genoopt ontheffing te vragen als lid van de commissie. De professoren Schilder en Vollenhoven zagen zich genoopt, vanwege de geschriften van prof. Hepp en het daartegen in de commissie niets doen van de andere commissieleden, afzonderlijk te rapporteren.
In augustus 1940 begon de synode van Sneek aan de behandeling van de zaak van de meningsverschillen.
In mei 1940 was het geweld van de oorlog en vervolgens de bezetting over ons land gekomen. In het licht van de Schrift was dat gebeuren in ons volksbestaan evenzeer een gericht Gods als de Franse overheersing, die Groen van Prinsterer als zodanig zo profetisch had geduid. Dit ingrijpen Gods in ons volksbestaan heeft de synode echter niet weerhouden zich te zetten tot een onderzoek van geschillen waar geen kerk om had gevraagd. De particuliere synoden van Noord-Holland en Gelderland hadden inmiddels de generale synode verzocht de zaak van de meningsverschillen van de agenda af te voeren.
De generale synode verwierp het voorstel van de beide provinciale synoden. Daarna stagneerde door verschillende omstandigheden de behandeling enige tijd.
Mei 1942 verzochten diverse classes en kerkeraden, vertegenwoordigende 2/3 van de leden van de Gereformeerde kerken, niet met de behandeling van de meningsverschillen door te gaan.
Ook leden van de generale synode vroegen het.
Op 27 mei 1942 besloot de synode met een meerderheid van slechts vier stemmen onmiddellijk tot de behandeling over te gaan, in geheime zitting.
Prof. Greijdanus verklaarde om consciëntieredenen niet aan de verdere behandeling van de meningsverschillen te kunnen deelnemen.
Prof. Schilder was door de oorlogsomstandigheden verhinderd aanwezig te zijn.
8 juni 1942 stelt de synode van Sneek, die zich zelf continueerde en verder te Utrecht vergaderde, een viertal leerbeslissingen vast. Uit een Toelichting bleek dat Kuyperiaanse theorieën met synodaal gezag werden bekleed.
7 oktober 1942 besluit de synode dat candidaten op de kerkelijke examens met de beslissingen dienen in te stemmen.
22 juni 1943 benoemt de nieuwe synode van Utrecht een commissie om haar te adviseren over de vele binnengekomen bezwaarschriften, met als praeadviseurs de professoren Grosheide en J. Ridderbos.
2 september 1943 verschijnt het prae-advies van ruim 70 blz. van deze commissie.
Een voorstel de bezwaarden te horen wordt verworpen.
8 september 1943 komt het prae-advies in behandeling.
9 september 1943 worden de bezwaarschriften ongegrond verklaard en verworpen.
De Kuyperiaanse verbondstheorie was opnieuw gehonoreerd.
In de kerken was echter de verwarring groot. In november schrijft de synode een zgn. ophelderende brief aan de kerken.
Het leek een lichtpunt. Het bleek dat niet te zijn.
13 december 1943 stelde prof. Schilder schriftelijk aan de synode voor, niet om de leeruitspraken terug te nemen, maar op examens niet te binden en in rustiger tijden in de kerkelijke weg de zaak opnieuw te bespreken.
Ds D. van Dijk deed in de synode dienovereenkomstig een voorstel, dat de eenheid had kunnen redden. Het maakte geen enkele kans, ook een compromis-voorstel van ds B. A. Bos niet.
De stroom van ingekomen stukken hield aan, er werd als het ware gesmeekt niet te binden.
Niets baatte.
Waarom ook zou een synode wie Gods doen niets zegt en zich zelf maar weer continueert, rekening houden met mensen die tegen haar in willen gaan.
Inmiddels was 15 april 1944 ds W. G. F. van Herwijnen van Rilland-Bath geschorst vanwege het niet willen voorlezen van getuigenissen van deze synode.
2 juni 1944 werd cand. H. J. Schilder door de classis 's-Gravenhage als eerste candidaat uit het ambt geweerd.
9 juli 1944 ontstaat in Breda de eerste vrijgemaakte kerk. Ds B. Telder wordt als eerste predikant op 31 juli afgezet.
3 augustus 1944 wordt de zich niet conformerende prof. Schilder wegens openbare scheurmaking ontslagen als hoogleraar van de Theologische Hogeschool te Kampen en afgezet als emeritus-predikant van de gereformeerde kerk van Rotterdam-Delfshaven. Prof. Greijdanus wordt geschorst.
11 augustus 1944 leest prof. Schilder in de Lutherse kerk te 's-Gravenhage, in een vergadering van gereformeerde kerkleden, een Acte van Vrijmaking of Wederkeer voor.
Te midden van schorsingen en afzettingen volgen vele vrijmakingen.
De hongerwinter bracht vervolgens ons volk in levensgevaar.
De Boze was er in geslaagd met behulp van ingewikkelde beslissingen over vertheologiseerde leerstukken, die veel gewone kerkleden niet eens uit elkaar konden houden, de kerken machteloos te maken en vervolgens te scheuren.
De hevigheid van deze worsteling is o.i. alleen te verstaan als wordt ingezien, dat te midden van alle strijd en verwarring de inzet was: leven bij de Schrift of bij menselijke theorie over de Schrift. Anders gezegd: wat zal met alle gebrek centraal staan: Gods Woord zelf of de godsdienstige mens met zijn theorieën.