Pastorale notities

1986-02-07
  • Jaargang 30
  • nummer 6
Calvijn was tegen elk volksoproer, maar soms kon de bevolking van een stad zichzelf niet langer tegenhouden: als er ter dood veroordeelde gelovigen naar het schavot werden geleid. Het is gebeurd dat woedende mensen zozeer op de soldaten indrongen, dat die zich met hun gevangenen terug moesten trekken. Ook werd er wel eens een overval gepleegd op een gevangenis. Wat kon het volk anders nog? In Frankrijk was de dichter Marot overal bekend. Maar het ging met die man van kwaad tot erger. Eerst moest hij de gevangenis in wegens het eten van spek tijdens de vasten, een jaar later werd hij gearresteerd omdat hij meegedaan had aan de bevrijding van een gevangene. Tenslotte werd hij wegens ketterij ter dood veroordeeld. Hij vluchtte en kwam terecht bij Calvijn in Genève. Die heette hem hartelijk welkom. Wat een voorrecht dat nu een vakman voor de psalmberijming zorgen kon!
Marot is ijverig begonnen en tot psalm 49 gekomen, maar omdat de sociale dienst van Genève hem geen uitkering wilde geven, is hij naar Turijn gegaan en daar gestorven.
Ik had al wel een bloemlezing uit het werk van Marot en dat waren nu niet bepaald geestelijke liederen. Maar een Franse dominee, uit de omgeving van Bordeaux deed me een nieuw - psalmboekje toekomen: de berijming van Marot. Prachtig uitgevoerd.
Die dominee behoort tot de Eglises Reformées Evangéliques Indépendantes. De Chr. Geref. Kerk van Rotterdam-Z. heeft er contacten mee.
Een uitzonderlijk boekje, dat van Marot. We kennen psalmbundels met voorin de namen van gecommitteerden of deputaten; allemaal mannen die zich door middel van een kerkboek vereeuwigen laten.
Marot begint met een opdracht, een vers "Aan de dames van Frankrijk!" "Gij, dames en jongedames, door God gemaakt tot z'n mooiste tempel, ik bied u hier iets aan dat ge zingen kunt zonder een kleur te krijgen, hoewel het over de liefde gaat; ja, de Liefde zelf schreef deze liederen van liefde. Moge de tijd weer aanbreken dat men de boer achter z'n ploeg, de voerman op de bok, de kunstenaar in z'n atelier, van God kan horen zingen en dat de herderin in het veld zo zingt dat de wanden van de rotsen de grootheid van God gaan meezingen. Maar dames, begint dan! Dames, begint nu toch!"
Marot haalt dus de vrouw naar voren als de eerste die bereid zal zijn te zingen van de HERE.
Ik moest denken aan het vers van Nijhoff, gemaakt bij de brug van Zaltbommel, in een tijd waarin de stilte nog stond boven het water en een enkel zeilschip voorbij ruiste. De dichter hoort iemand zingen aan het roer: " ... laat mij daar midden uit de oneindigheid een stem vernemen dat mijn oren klonken.
Het was een vrouw ... en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren".

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief