1 Timotheüs 2 en Numeri 30
1986-02-07
In jrg. 24 nr. 13 van dit blad schreef ik over de betekenis van het griekse woord authenteoo, dat éénmaal in het N.T. voorkomt, t.w. in 1 Tim. 2, 12, en daar gewoonlijk vertaald wordt met 'heersen' of iets dergelijks.- Jaargang 30
- nummer 6
Op grond van het woordonderzoek dat ik verrichtte is, meen ik, komen vast te staan, dat het bewuste woord niet zozeer betekent 'de baas zijn' - nog minder 'bazig zijn', in welke richting b.v. Bouwman 1) denkt - maar veeleer 'eigen baas zijn', 'niet aan een ander ondergeschikt zijn (zodat men voor zijn handelingen diens goedkeuring nodig zou hebben)'.
Ik ben het verslag van mijn bevindingen geëindigd met het onder de aandacht brengen van twee teksten die bijzonder veel licht werpen op 1 Tim. 2, 12. In de eerste daarvan werd dezelfde tegenstelling gemaakt tussen 'authentein' en 'in ondergeschiktheid (onderworpenheid) zijn', die we in de bewuste uitspraak van Paulus tegenkomen. De tweede tekst was in een ander opzicht verhelderend voor het verstaan van de woorden van den apostel, omdat dáárin sprake was van een vrouw die haar man had verloren en nu liever niet een tweede huwelijk wilde aangaan, maar verkoos in aI haar handelingen een grotere 'authentia' te hebben dan haar als gehuwde vrouw mogelijk zou zijn.
Beide parallellen bevestigen, dat het in 1 Tim. 2, 12 nièt aan een willekeurige vrouw verboden wordt over een willekeurigen man te heersen, maar dat het aan een gehuwde vrouw verboden wordt haar dingen te doen buiten háár man om; dat haar wordt ingescherpt er rekening mee te houden, dat ze aan haar man ondergeschikt is, wat haar - juridisch, sociaal, economisch - beperkingen oplegt.
Dezer dagen viel mijn oog op een passage in de oudtestamentische wetgeving die een aardige praktische uitwerking biedt van de regel, dat een gehuwde vrouw aan haar man ondergeschikt is en - althans voor bepaalde beslissingen - diens goedkeuring nodig heeft; dat zij dus in bepaalde zaken - om het op z'n grieks te zeggen - niet kan 'authentein'. Ik bedoel Num. 30.
Heeft een meisje dat nog bij haar vader woont, maar nu aan een man wordt toegezegd, een gelofte gedaan of een verplichting op zich genomen, dan heeft haar (toekomstige) man bij, de verloving het recht van veto (vv, 7-9) 2) Doet een reeds getrouwde vrouw een dergelijke gelofte of gaat zij een dergelijke verplichting aan, dan heeft haar man eveneens het veto-recht (vv, 11-14), mits hij die verplichting binnen een dag nadat ze hem ter ore is gekomen, ongeldig verklaart (15-16).
Een weduwe daarentegen of een verstoten vrouw kan wèl 'authentein': elke verplichting die zij op zich neemt blijft van kracht.
Zij heeft geen man boven zich die deze verplichting ongedaan kan maken (v. 10).
In het boven geciteerde Opbouwartikel wees ik er tevens op, dat 'authentès' nogal eens afwisselt met 'autexousios', het woord dat men bezigt voor een kind dat niet meer onder het vaderlijk gezag staat.
Welnu: in de wetgeving van Num. 30 blijkt over een niet verloofde inwonende dochter de vader hetzelfde veto-recht te hebben t.a.v. door haar aangegane verplichtingen als over een verloofde of gehuwde vrouw haar man (vv. 4-6).
Mogelijk heeft Paulus mede 3) in de lijn van dergelijke oudtestamentische voorschriften de positie van de gehuwde vrouw in het 'kerkelijk-sociale' verkeer van zijn dagen zo geregeld als bij deed.
1) Prof. Dr G. Bouwman, De vrouw bij Paulus en zijn erfgenamen (in' Vrouw zijn in het licht van het Evangelie - een bundel feministisch-theologische studies, Baarn 1982, blzz. 36· 53), blz. 51 "In 1 Tim. staat een tamelijk grof woord, dat zelden voorkomt en dat men wel weergeeft met 'de broek aan hebben'
B. verwijst dan naar N. J. Hommes, [Je vrouw in de kerk, Franeker 1951, blz.: 122. Hommes noemt het bewuste woord "vulgair", zich beroepend op een uitspraak van Thomas Magister (een taalgeleerde, die omstreeks 1300 leefde). Deze kwalificeert de term nl. als "koinoteron" (18, 8 in de editie van Ritschl). Ik vrees, dat Hommes de gevoelswaarde van dit "koinoteron" (= meer gemeen) heeft misverstaan.
Thomas wil zijn leerlingen zuiver attisch leren schrijven en wijst hen daartoe o.a. op fijne verschillen tussen het taalgebruik van de klassieke attische auteurs en het Grieks van de hellenistische (en latere) tijd. Dit latere Grieks, de zgn. "koinè" (men moet aanvullen: "dialektos"), d.w.z. "de gewone omgangstaal", is ook de taal waarin het (grootste deel van het) Nieuwe Testament is geschreven. Maar hier heeft "koinos" (waarvan "koinè" de vrouwelijke vorm "is) de betekenis "algemeen gesproken", en nièt "gemeen, vulgair, plat, grof".
Ik kan dit illustreren aan een aardig voorbeeld. Dezelfde Thomas Magister zegt (7, 7-8): ,,'apeisin' (= hij zal - weggaan, D.H.) schrijven de attische auteurs, nièt 'apeleusetai' ... want dat is 'koinon'''. Nu, die als 'koinon' afgekeurde vorm bezigt Johannes in zijn evangelie (6, 68 "Heer, tot wien zullen wij heengaan"). Maar daar is niets grofs of vulgairs aan deze vorm; ze is alleen niet klassiek-attisch.
Dat men op grond van Thomas' kwalificatie 'koinoteron' het 'authentein' in 1 Tim. 2 vertaalt met 'de broek aanhebben': is even misplaatst als het zou zijn, wanneer men het 'apeleusometha' uit Joh. 6, 68 zou weergeven met 'zullen wij 'm smeren'.
2) Ik volg de vertaling en toelichting van de Willibrordus-uitgave van de bijbel.