Nadenkende omgang met God

1986-02-14
  • Jaargang 30
  • nummer 7
Broeders, weest geen kinderen in het verstand, maar in de boosheid; wordt in het verstand volwassenen. (1 Cor. 14: 20)

De boven dit stukje afgedrukte woorden staan in het hoofdstuk waarin de apostel breedvoerig ingaat op de gave van het spreken in tongen, waarvoor in de gemeente van Corinthe buitensporig veel aandacht bestaat. De bewering dat Paulus aan het spreken van tongen weinig waarde hecht is te slordig. Hij zelf spreekt méér dan allen in tongen en dankt er God voor (vs. 18). Maar in de gemeente van Corinthe zijn de broeders die deze gave hebben, ontvangen vergeten dat zij met ál hun gaven de gemeente moeten dienen tot opbouw. Zij dienen met hun gave alleen zichzelf en doen alsof een gelovige pas met déze gave het eindstadium van het christen-zijn heeft bereikt. Dáártegen richt Paulus zich in dit hoofdstuk.

Dat ik nu aandacht vraag voor bovenstaande woorden is niet omdat ik hier het spreken in tongen aan de orde wil stellen, maar omdat de apostel hier de grondfout van de genoemde broeders aanwijst: het ontbreekt hen aan goede kijk op de wijze waarop de Here God met mensen wil omgaan. En wat Paulus daarvan zegt heeft een veel bredere bruikbaarheid dan rondom de glossolalie. Ze zijn daarom de moeite van het overdenken waard ook als we niet staan te dringen om het eens over het spreken in tongen te hebben.
Het kinderlijk geloof staat onder ons tamelijk hoog genoteerd.
Woorden als die waarmee de Here Jezus ons opwekt om te worden als de kinderen omdat we anders het koninkrijk der hemelen niet zullen binnengaan, zijn ons lief. Ook zijn dankgebed waarin Hij de Vader dankt dat het voor wijzen en verstandigen verborgen is en aan kinderen geopenbaard zouden we niet graag missen. Maar ongemerkt gebruiken we ze in mindering op de waardering voor het gebruik van het verstand als het om geloven gaat. We blijven er altijd een beetje moeite mee hebben om geloof en verstand zo dicht bij elkaar in de buurt te brengen.
'Hij had zo'n kinderlijk geloof' zeggen we van iemand en daarmee verontschuldigen wij hem voor het feit dat hij in vragen rondom het christelijk geloof niet vaak wat zei en misschien ook weinig nadacht.

Kenmerkend voor de wijze waarop de Here God met mensen wil omgaan is dat Hij daarbij helemaal Zichzelf wil blijven maar ook wil dat wij onszelf blijven.
Hij blijft helemaal God en, wij blijven volledig mens. God laat ons volledig intact. Hij laat om zo te zeggen alle knoppen van ons mens-zijn op 'aan’ staan.
Geen wordt er op nul gezet of op 'uit'. Deze wijze van omgang tussen God en de mens past helemaal in het verbond. In een verbond nemen partners elkaar ook volledig ernstig, anders is het ook geen verbond, God en de mens versmelten niet in elkaar.
Er blijft een zekere ruimte, een afstand waarin zij elkaar ontmoeten. Tot elkaar spreken en naar elkaar luisteren en dat allemaal volledig menens. In die ruimte wordt de mens niet door de Here God overmeesterd. In die ruimte mag de mens zijn God prijzen. Dat is al zo wonderlijk: dat de almachtige God prijs stelt op een lovend woord van onze kant. Maar daar mogen wij het ook moeilijk hebben met God en dan moet dat gezegd worden.

Kenmerkend voor het spreken in tongen is nu, dat God dan tijdelijk voor een omgang kiest die hiervan afwijkt. Want als iemand in tongen spreekt, zegt de apostel (vs 14) blijft zijn verstand onvruchtbaar. De Here God, die dat zo anders pleegt te doen, zet dàn tijdelijk de knop van het verstand op nul. Er heeft een soort kortsluiting plaats. De ruimte die er anders is komt te vervallen. De mens spreekt dingen die hij niet heeft bedacht, die zijn denken niet zijn gepasseerd.
Hij is dan even 'een rieten fluit', bij zwijgend eigen stemgeluid’.

Die laatste woorden herkent u vermoedelijk uit een gedicht van Jaqueline van der Waals. Zij had het daarin weliswaar niet over het spreken in tongen, maar het verlangen waaraan zij uiting gaf zo gaf ik gaarne wens en wil in 's Heren hand') had toch iets vergelijkbaars met wat de spreker in tongen zo graag wilde.
De mens verdraagt, vaak die ruimte tussen God en zichzelf niet. Hij wenst niet zo volstrekt ernstig genomen te worden. Hij wil over die afstand heen, hij wil een sprong maken uit zijn wereld, zijn lijden, zijn vragen, naar God. De mens zoekt vaak kortsluiting met God. Hij vergeet dat hij dan als mens niet helemaal ernstig genomen wordt, dat hij dan als een klein kind wordt behandeld.

Daarom zegt de apostel: Weest geen kinderen in het verstand, broeders. Zie de toestand waarin je verkeert bij het spreken in tongen niet als het eigenlijke van de omgang met God. Dat eigenlijke is veel verrassender: God wil dat wij Hem met al onze zinnen liefhebben en ons niet als een kind. maar als een volwassen gelovige tegenover Zich zien. Het verstand dat in Christus een andere baas heeft gekregen is een bruikbaar orgaan in het rijk van God.

Jawel, zullen de broeders zeggen, maar dat aangrijpende kinderlijke dan in onze houding tegenover God? Waar blijft dat?
Ik zie er de apostel voor aan dat hij met een zeker binnenpretje op die tegenwerping in gaat. Als je dan dat kinderlijke in onze houding tegenover God zo mooi vindt, wordt dan kinderen in de boosheid. Lees hier niet in dat Paulus vermeende kinderlijke onschuld als model aanprijst. Maar kinderen zijn in de boosheid zo onhandig. Hun boosheid, we weten dat toch, is ook zo kleinschalig. Ze slaan wel, maar ze ontketenen toch geen oorlogen? Ze vinden toch geen atoomwapens uit? Ze vestigen toch geen diktatuur? Nou ja, een beetje misschien! Ze zijn in de boosheid vermakelijk ongeschoold.
Een, moeder ziet prompt aan het gezicht van haar kind dat het jokt. Het heeft nog geen stalen gezicht. Daar staat tegenover dat wij volwassenen zo bedreven zijn in het kwaad. We zijn er zo handig in, zo ervaren.
We zijn dat linkse, onwennige van de kinderzonden kwijt. Zoek dat maar weer op, zegt de apostel, maar wordt in het verstand volwassen.
De oude berijming had in psalm 18 een regel, die ik nog vaak mis: 'Nu zal mijn ziel, nu zullen al mijn zinnen,o God, mijn sterkt', U hartelijk beminnen. Dat 'al mijn zinnen' is zo bijbels. Dat ingeschakeld houden van ons denken bij de omgang met God. Dat nadenkende. Men zegt dat daardoor' de omgang met God koud en kil wordt. Alsof het niet aangrijpend is dat God ons volledig ernstig neemt. Het ene ogenblik spreekt Hij en Hij wil dat ik dan menens en nadenkend luister en het andere ogenblik spreek ik en dan luistert Hij menens. Dan wil Hij horen hoe ik, nadat ik daarover nagedacht heb, mij de gang van zaken in de wereld en in mijn leven voorstel.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief