Een uitgestoken hand

1986-02-14
  • Jaargang 30
  • nummer 7
Terwijl ik mij wat oriënteer voor een paar artikelen over de stand van zaken in het gesprek over mogelijkheden van herstel van eenheid van kerkelijk leven binnen de gereformeerde gezindte, komt het bericht dat in het blad de Reformatie een hand is uitgestoken naar onze kerken. Na de belevenissen vorig jaar ter synode in Zuid-Afrika had ik alle hoop op toenadering tussen de Vrijgemaakte en Nederlands Gereformeerde kerken opgegeven. Wanneer ik, precies een jaar na dato, de gang van zaken, waarover ik in Opbouw uitvoerig rapporteerde, weer voor mij haal, sta ik nog wat verbaasd en verbouwereerd.

In een land als Zuid-Afrika, waarop de televisie-camera's van de hele wereld staan gericht, moesten wij ons bezig houden met een waslijst van gebreken van onze kerken; spraken over de leer van een dominee, waarvan geen mens weet had en werden gedwongen een stukje Nederlandse kerkstrijd te demonstreren.
Je zou haast spreken van kleinvaderlands gedoe.
Al met al een diep teleurstellende ervaring, wanneer je nog altijd hoopte op wegen tot herstel en verzoening.
En dan nu een uitgestoken hand?
Zou men in vrijgemaakte kerken na zoveel jaren tot de conclusie zijn gekomen dat de handelingen van diverse synoden in de zestiger jaren, die zo'n verstrooiing teweegbrachten, niet te verantwoorden zijn voor de Koning van de kerk?
Meer dan benieuwd zagen we het blad de Reformatie in.
In het nummer van 11 januari j.l. begint dr W.G. de Vries in de rubriek kerkelijk leven zijn artikel onder het hoofd: een uitgestoken hand aldus: "Het is met enige aarzeling dat ik in ons blad iets schrijf over de situatie in de Nederl. Geref. Kerken tengevolge van de uitspraak die haar Landelijke Vergadering deed inzake de moeiten in Zwolle.
De aarzeling bij de schrijver komt voort uit het besef dat niemand "in troebel water" moet gaan vissen.
Voor een tekening van de situatie wordt geciteerd uit een brochure van ds G. Janssen, een persoonlijk schrijven en een artikel van ds O. Mooiweer in zijn plaatselijk kerkblad.
Ik krijg de indruk dat ds De Vries het lijvige stuk dat inzake Zwolle op de Landelijke Vergadering is aangenomen niet onder de ogen heeft gehad. Wie uit de tweede hand citeert loopt het risico dat er een eenzijdig beeld wordt geschetst.
Dit is zeker het geval bij wat gezegd wordt over ds J. Schelhaas.
De lezers van de Reformatie en van het Ned. Dagblad krijgen de indruk dat de moeilijkheden in Zwolle zijn begonnen met de komst van ds Schelhaas en daarmee wordt hem onrecht aangedaan.
Van wie voorlichting geeft in zo'n ingewikkelde zaak mag worden verwacht dat hij ook de andere partij hoort.
Het is niet mijn bedoeling om in het bestek van deze artikelen over de zaak Zwolle te schrijven.
In de pers heeft u kunnen lezen dat ik zodanige kritiek op het voorstel had dat ik heb tegengestemd.
Het ter vergadering aangenomen stuk is meer een bewogen oproep tot beide partijen om tot inkeer te komen en de weg naar verzoening in te slaan, dan een besluit met duidelijke uitspraken over cruciale zaken.
Nu gebleken is dat er verwarring is ontstaan bv. over de vraag of de Landelijke Vergadering -de "verzelfstandiging" van Zwolle II heeft getolereerd, waarbij de één zegt "ja" en de ander hevig verontwaardigd dat dit niet het geval is, zal er duidelijkheid op dit punt moeten komen en dat kan wanneer de betrokken kerken reageren op het besluit van Enschede.
Ik ga nu verder met de uitgestoken van hand ds de Vries.
De schrijver taxeert de moeite in Zwolle onder het opschrift: “Evangelisch tegenover Gereformeerd”en raakt daarmee een aktuele zaak aan.
Alle kerken van gereformeerd belijden krijgen in onze dagen te maken met evangelische bewegingen.
Het kerkelijk leven na de oorlog, met de voortgaande strijd en scheuring onder gereformeerden, heeft vooral jongeren niet bepaald tot jaloersheid gewekt.
Zo voor het oog besteedden de kerken veel energie aan onderlinge strijd, die beter gebruikt had kunnen worden om anderen voor Christus te winnen. Daarom past ons bescheidenheid en moeten we met al te boud de staf gaan breken over wat er al zo in evangelische kringen gevonden wordt.
We zijn overtuigd van de rijkdom, gelegen in het belijden en de traditie van gereformeerde kerken, en dankbaar voor wat ons uit genade daarin is gegeven in een leven bij Gods beloften en geboden.
Evenwel de gereformeerden die vasthielden aan de leer van verbond en verkiezing hebben altijd een zwak gehad voor “evangelische", broeders en zusters, die zo moedig en blij getuigen van hun liefde voor hun Heiland.
De Pelgrimsreis van Bunyan (kort geleden opnieuw uitgegeven door Hans Werkman) was in het verleden bij velen geliefde kost.
Een paar jaar geleden kreeg ik een uitnodiging om namens onze kerken de openingszitting mee te maken van het congres van evangelisten uit de hele wereld georganiseerd door Billy Graham c.s.
Te midden van zo'n vier duizend "evangelischen" van allerlei ras en volk voelde ik me soms wonderlijk te moede bij zoveel verscheidenheid onder mensen die getuigen van het heil in Christus.
Ik kreeg diep respekt voor de ernst en inzet bij zovelen en ben er geestelijk niet armer onder geworden, integendeel, de kontakten hier en, elders in de wereld verdiepen het inzicht in het werk van de Geest van Christus in onze wereld.
Het lijkt mij daarom niet juist om, zoals dr De Vries doet, evangelisch tegenover gereformeerd te stellen.
Terug naar de zaak die ons bezighoudt. Bij al wat er gebeurd is in Zwolle, is nergens een beschuldiging van valse leer gevallen.
Ds De Vries vraagt zich echter af of het gereformeerde fundament toch niet in geding is, want zo lezen we: "Sympathie voor Baptisten en Leger des Heils betekent toch minimaal: de kinderdoop op losse schroeven zetten, het ambt en avondmaal minder belangrijk achten, de algemene verzoening en het remonstrantisme bij het Leger des Heils niet voldoende bestrijden.
Kortom een typisch "evangelische" instelling, die op gespannen voet staat met kerk en ambt, de sacramenten en de kerkelijke tucht".
Van harte hoopt de schrijver dat de strijd die de broeders in Zwolle hebben moeten voeren, omdat ze tegenover de ideeën van ds Schelhaas en anderen gereformeerde willen blijven, ons dichter bij elkaar zal brengen.
Daartoe wil hij in dit artikel zijn hand uitstrekken.
Wat zal er gaan gebeuren wanneer we deze hand aannemen?
Krijgen we een herhaling van 1967 waarin nu zij die sympathiek staan tegenover "evangelischen"
het moeten ontgelden.
Want sympathie voor hen is volgens ds De Vries een bedenkelijke zaak en bijna een ketterij.
Zou er geen andere, betere weg zijn, waarin evangelischen en gereformeerden voor elkaar tot zegen kunnen zijn.
Zo ken ik broeders en zusters in de vrijgemaakte kerk die samenwerken in de Evangelische Omroep en aan de Evang. Hogeschool.
Aan het slot van zijn artikel richt ds De Vries zich tot alle Nederl. Geref. Kerken en zegt: Laat wat in Zwolle gebeurd is ... ons allen ertoe brengen ons te bezinnen op de altijd centrale vraag, hoe we samen de eenheid, de confessionele eenheid, kunnen onderhouden, waarvan we toch samen belijdenis doen.
Met de erkenning gelegen in de door mij onderstreepte woorden kunnen we blij zijn, maar ik ben niet helemaal gerust.
Wie geldt nu de uitgestoken hand, die we graag zouden willen vatten.
Ds De Vries stelt nadrukkelijk dat hij er niet op uit is in troebel water te vissen; we zijn gewoon elkander op het woord te geloven en mogen geen uitleg aan de woorden van ds De Vries geven, die hij zelf zou verwerpen.
Daarom kan de schrijver het best zelf duidelijk maken of, de hand is uitgestoken naar ons allen of naar een smaldeel onder ons.
Daarbij kan wellicht ook duidelijk worden of het schrijven van ds De Vries van louter persoonlijke aard is dan wel gedragen wordt door de kerken die hij dient.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief