Het Liedboek
1986-02-14
Lied 331 - Jaargang 30
- nummer 7
Dit Lied is een vrije bewerking van de Geloofsbelijdenis van Nicea, oorspronkelijk van Luthers hand. Of het zijn bedoeling is geweest dit lied als geloofsbelijdenis te gebruiken is zeer de vraag. "Het gebruik als Credo nam in de praktijk echter al spoedig de overhand en dat is zo gebleven, ook buiten de eredienst b.v. bij begrafenissen.
(Comp. p. 760). "In de eerste strofe is de typische opvatting van Luther over Gods scheppend handelen zoveel mogelijk gerespecteerd.
De schepping is,niet een daad in de aanvang, maar vertoont zich elke dag in licht en leven en is blijvend werkzaam."
(Comp. p. 761). In strofe 2 wordt o.i. het accent verkeerd gelegd wanneer gesproken wordt van Maria die geloofde .....
Strofe 3 vertoont bijzonder aan 't eind een enigszins vreemde afsluiting: "na deez' ellende ons bereid een leven in de eeuwigheid".
Deze bewerking van de geloofsbelijdenis achten we vanwege de verschillende toevoegingen niet geslaagd.
"Wat de melodie betreft: ze gaat terug op een voor-reformatorische zangwijs." Ze is niet eenvoudig en vereist derhalve nogalenige oefening.
Tekst: 1; melodie: 2 (vanwege de moeilijkheid).
Lied 332
Hoewel dit Lied oorspronkelijk als wiegelied was bedoeld, "is bij nader inzien de polemische strekking met het oog op de principiële verachters van de kinderdoop, de Mennonieten, opmerkelijk.
De dichter heeft in zijn ambtelijk werk veelvuldig hiermee te maken gehad." (Comp. p. 763).
De eerste 3 strofen vormen de aanhef, ontleend aan Marcus 10 :13-16 en is vrijmoedig op de doop. betrokken. Daarna volgt de bede om bescherming en geleide van het kind.
De in ons land onbekende melodie betekent wel een aanwinst voor de gemeentezang.
Tekst: 3; melodie: 3.
Lied 333
Al diende bij de opzet voor het maken van dit Lied de kinderdoop, niet direkt als uitgangspunt, dit neemt niet weg dat de inhoud zich daarbij toch goed aanpast, waar deze spreekt van de verantwoordelijkheid van de ouders voor de opvoeding van hun kinderen. Daarom drazen ze hen op aan Gods vaderlijke zorg en bidden ze om wijsheid en kracht om hen te brengen tot de kennis van Zijn barmhartigheid in Christus.
"De zangwijs vraagt een doorgaande beweging en is, met de woorden van de componiste: "behaaglijk zingbaar".
Tekst: 3; melodie: 3.
Lied 334
In dit Dooplied wordt de nadruk gelegd op het discipelschap. Het zijn vooral de ouders die met de gemeente samen spreken en bidden.
In strofe 4 nemen zij, "in een snelle opeenvolging van toespelingen, de beelden uit een aantal van Jezus' gelijkenissen in hun gebed op.” We menen bezwaar te moeten maken tegen de 3e regel van strofe 5: "wordt als offer U bereid". Deze strofe zou dan ook beter kunnen vervaiIen, al verdwijnt daarmee dan ook.
helaas de afsluiting: "Schrijf de naam door ons gegeven in het levensboek ten leven".
De melodie is dezelfde als die van Lied 328.
Tekst (m.u.v. strofe 5): 3; melodie: 3.
Lied 335
Dit Lied is duidelijker een dooplied dan het drietal dat in het Liedboek hieraan voorafgaat.
In strofe 4 klinkt de belijdenis dat de oude mens moet sterven (zie Ef. 4: 22-24), dat de dopelingen nieuwe namen zullen krijgen (strofe 5), terwijl in strofe 6 de doop wordt uitgelegd als begraven en herrezen.
(Comp. p. 767). De dichter geeft verder zelf de aanwijzing om de strofen 1t/m 5 vóór de eigenlijke doopsbediening en de strofen 6 t/m 9 er na te zingen. Een slotopmerking: de uitdrukking: "hier zijn wij dan" (strofe 2) en: "er is gedoopt" (strofe 9) zijn o.i. minder fraai te noemen.
De aantrekkelijke melodie is reeds vermeld bij Lied 322.
Tekst: 3; melodie: 3.
Lied 336
Dit Lied is van dezelfde hand als het voorgaande. Uitgangspunt is hier Marcus 10 : 14: Laat de kinderen tot mij komen" en nu zijn het niet zozeer de ouders als wel de gemeente, die om hen heen staat, aan wie liet gebed in de mond wordt gelegd: "Wil Gij hun Heer en Herder wezen".
Maar behalve een gebed om de Heilige Geest is het lied ook een belijdenis omtrent het heilige teken der beloften van God, o.m. in strofe 2: Uw Naam op ieders voorhoofd en in strofe 3: "In Uw handpalmen gegraveerd".
(Comp. p. 768).
De melodie is goed. "Een rustig tempo. De gemeente moet flink meezingen en niet "kijkend luisteren" maar "zingend kijken", aldus de componist. Een goed alternatief voor deze melodie is die van Psalm 140.
Tekst: 3; melodie: 3.
Lied 337
We hebben in dit Lied te maken met een dooplied "dat de doop bezingt bijna op de manier van een leerdicht, een gezongen formulier.
Maar dan lerend zoals de Torah onderwijst: in gelijkenis en. beeldspraak vertellende.
Achtereenvolgens worden vermeld de zondvloed, de Rode Zee, de Jordaan, zoals ze ook voorkomen in het aloude dooplied van Luther. Kinderen verstaan best de beeldende taal van zo'n gezang, mits ze bij verhalen, gelijkenissen, Gods eigen litteratuur worden grootgebracht en niet bij bleke abstractie:" (Comp. p. 769). Toch rijst o.i. wel de vraag of de dichterlijke taal op enkele punten geen moeilijkheden zou kunnen opleveren.
Enige toelichting lijkt ons wel gewenst om voldoende verstaanbaar te zijn, bv, in strofe 2: "tenzij de duif die nederdaalt ons uit den hoge vrede haalt".
De melodie is dezelfde ais die van Lied 239.
Tekst: 3; melodie: 3.
Lied 338
De tekst van dit Lied herinnert .duidelijk aan het gebed van het Doopsformulier: “Noach, die in de ark gered werd uit de wateren des doods, Israël, dat droogvoets door de Farao verzwelgende, Rode Zee heentrok, zij kondigen in de eerste strofen beiden de doop aan, waardoor het leven uit de dood opstaat.
Tussen deze en de aan de doop gewijde strofen 4 tot 7, staat nog als verbinding strofe 3: de doop van Jezus in de Jordaan."
(Comp. p. 770).
T.a.v. de melodie merkt de componiste op: "de melodie gaat hier schijnbaar geheel haar eigen weg; maar wie alle coupletten doorleest in het ritme ervan, zal ontdekken dat toch wel degelijk woorden en melodie dezelfde accenten hebben.".
Mogelijk ligt hierin de aanwijzing waardoor de melodie een erg sterk geconstrueerd karakter draagt en moeilijk zingbaar is, zodat een goede oefening vooraf noodzakelijk is.
Tekst: 3; melodie: 2.
A. t.a.v. de tekst der liederen: het cijfer 1 bij niet voluit Schriftuurlijke tekst, bv. vanwege het humanistisch karakter of door een sterke piëtistische inslag; het cijfer 2 bij een weliswaar Schriftuurlijke, maar niet direct begrijpelijke, en aanspreekbare tekst; het cijfer 3 als de tekst volkomen Schriftuurlijk en zonder meer verstaanbaar is.
B. t.a.v. de melodie der liederen: het cijfer 1 voor een niet-aanvaardbare melodie; het cijfer 2 voor een onbekende melodie die na enige oefening, eventueel met behulp van een koor, door de gemeente wel te zingen is en voorts ook voor een melodie die niet bepaald tot "de beste" behoort; het cijfer 3 voor "een goede" melodie, geschikt voor de gemeentezang.