Heilige maskerade

1986-02-21
  • Jaargang 30
  • nummer 8
Toen intussen duizenden mensen waren bijeengekomen, zodat zij elkander verdrongen, begon Hij te spreken; in de eerste plaats tot zijn discipelen: Wacht u voor de zuurdesem, dat is de huichelarij der Farizeeën.
Er is niets bedekt of het zal geopenbaard worden, en verborgen of het zal bekend worden. Lukas 12: 1 en 2

Het is mogelijk dat iemand deze tekst leest en dan pas halverwege géestelijk de oren spitst. Daar dus, waar de woorden van Jezus beginnen: Wacht u voor de zuurdesem… Daar schijnt de tekst voor ons pas interessant te worden. Wat er aan voorafgaat zou er maar volledigheidshalve kunnen staan. Toch werpen juist die weinigzeggende inleidende woorden een scherp licht op wat Jezus bedoelde met het vermaan tot de discipelen.

Wij lezen dat de Heiland zich hier in de eerste plaats richtte tot zijn discipelen. Dat kom je in de evangelieverhalen herhaaldelijk tegen, dat de Heiland zijn discipelen apart neemt, vooral na een ontmoeting met de schare.
Maar hier valt het op dat Hij de discipelen aanspreekt in bijzijn van de schare: toen intussen duizenden mensen waren bijeengekomen, zodat zij elkander verdrongen. Toen! Wij mogen aannemen dat de Heiland niet zonder opzet dat ogenblik koos voor zijn vermaan. Zorgvuldig getimed.
Niet achter elk bijbelwoord gaat een heilgeheim schuil, maar het is wel nodig, bij het bijbellezen voortdurend op ons qui-vive te zijn. Hier werpt dat ook duidelijk vruchten af.
De Heiland heeft gewild dat de duizenden zouden horen, hoe Hij zijn discipelen elke vorm van theaterspel verbood. Daarmee heeft Hij de schare de bevoegdheid gegeven, de discipelen te beoordelen op echtheid bij de navolging van hun Meester.
Zo gelezen gaan Jezus' woorden ons temeer aan want deze bevoegdheid is gebleven: onze omgeving heeft van Godswege het volste recht om kritisch naar ons te kijken en te kontroleren of wij echt zijn als christenen of een rol spelen.

Huichelarij is het kenmerk van de Farizeeën.
Het is een zuurdesem dat zijn hele leven doortrekt en dat terug te vinden is in zijn leer en in zijn godsdienstige gedragingen.
In de taal van het Nieuwe Testament Is de huichelaar een toneelspeler, die een masker draagt. Met dat masker voor speelt hij een rol en daarin wil hij gezien worden. Hij zoekt ook het applaus. Van de mensen maar vooral van God.

Daar zit de onnozele vergissing achter dat het mogelijk is, voor God een rol te spelen en daarin ernstig te worden genomen.
Dat komt natuurlijk doordat wij ook voor onszelf dat masker dragen. 'Ik bèn de mens die ik speel' hoorde ik pas nog een Nederlands acteur zeggen.
De huichelaar, de maskerdrager wil niet voor God verschijnen, zoals Hij is: als een zondaar die eerbiedig om vergeving moet vragen en zó alleen voor God kan bestaan.
Er is voor God geen groter kwaad dan deze maskerade. Wie er over nadenkt krijgt ineens een stroom woorden beschikbaar om de onechtheid te beschrijven, waarin wij soms vervallen: de make-up van onze christelijke gewoonten, de theaterkus van onze liefde, het gebed als een sierlijke buiging Mar God die, onze toeschouwer is.
Dat maskerspel heeft de Here Jezus zijn discipelen niet slechts verboden, Hij heeft ook gezegd dat het zinloos is omdat we toch worden doorzien.
Dáárop zou ik de woorden willen laten slaan, die de HeiIand toen óók sprak: 'Er is niets bedekt of het zal openbaar worden en verborgen of het zal bekend worden'.
Hier hebben wij de neiging om een grote sprong te maken en te denken aan de jongste dag. Dán zullen wij immers naar het apostolisch woord allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden (2 Cor. 5 : 10). Alle maskers zullen dan af moeten.
Dat is ook wel zo, maar ik denk dat we deze woorden niet zo ver vooruit moeten schuiven. Wat wij bedekken wordt nu openbaar en wat wij verbergen wordt nu al bekend. Waarschijnlijk is dat regel. Niet alleen worden wij doorzien door God, maar als regel ook door de mensen. Echte navolging laat zich niet nabootsen, net zo min als echte liefde onder mensen. Die wordt doorzien, al kan de onechtheid niet bewezen worden. En wanneer wij iets nabootsen in de relatie tot God geven wij de omgeving een geldig argument in handen tegen het evangelie dat wij zeggen te vertegenwoordigen.

Er is een wrang gezegde dat ik eens uit De Strijdkreet plukte: Ik geloof wel in God, maar ik vertrouw zijn grondpersoneel niet. Echt grappig is het niet, maar je kunt je er niet van afmaken door te zeggen nat de mensen over het grondpersoneel heen naar God moeten zien. Het is niet waar dat zij die zich aan het christelijk geloof onttrekken niet zouden mogen wijzen op het gedrag van de christenen. Zij mogen dat wel.

Is dit dan niet een woord om het stikkensbenauwd onder te krijgen? Ja, maar het evangelie haalt ons ook uit die benauwdheid vandaan.
We weten toch hoe de bijbel het ons mogelijk maakt in het leven van een aantal groten uit het koninkrijk van God naar binnen te kijken? Is het u wel eens opgevallen dat het, allesbehalve levensbeschrijvingen van heiligen zijn? Ik bedoel geen zondelozen?
Wat weten we niet van David, van Jakob, van Petrus?
Kan dat geen kwaad voor het evangelie dat die zonden zo open en bloot worden beschreven?
Nee, want ik denk dat het niet de zonden van Gods kinderen zijn die de ander beletten te geloven.
Niet de zonde; maar de zonde, die een masker draagt, het gemaskerde kwaad, het vrome bedrog, dát zal de ander tegenhouden ...
De groten in het rijk van God, waarvan de bijbel ons de zonden onthult, hebben er zich in geschikt dat God hun het masker afnam. Ze. hebben het masker afgelegd, dat is de andere kant van de zaak, en kwamen als zondaren voor God te staan. Tegenover de beschuldiging van de profeet Nathan staat psalm 51 in de bijbel. Zo staat David geen zondaar meer in. de weg om tot God te gaan.
Het zijn niet onze zonden die de ander beletten te geloven, maar het is de vrome schijn, die er soms is.
Anders zouden hoeren en tollenaren toch ook niet mogen voorgaan?
Dat is niet omdat die geen zonden hebben, maar omdat ze geen masker dragen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief