Gerard Walschap (1)
1986-02-21
Inleiding- Jaargang 30
- nummer 8
rasverteller
menig boeiend boek
een werk dat al de vorige overtrof
ongetwijfeld de belangrijkste auteur
meesterwerk
Bovenstaande karakteristieken hebben alle betrekking op de schrijver Gerard Walschap. Wie is deze auteur? Wat heeft hij te bieden?
Om u alvast iets van hem te laten proeven schrijf ik de eerste twee alinea's uit "Trouwen" (1923) voor u over: "Bij de brouwer Steenackers hebben ze lange jaren een meid gehad, een Karlien. Die Karlien was vanaf haar vijfde jaar in 't godshuis grootgebracht. Toen ze er zeventien werd ging ze de Eerweerdige Moeder spreken en, de Eerweerdige Moeder schreef naar 't noviciaat van haar moederhuis, dat ons pleegkind Caroline op haar verjaardag het vurig verlangen komt uit te drukken in het klooster te treden en zich geheel aan onze hemelse Bruidegom toe te wijden. Maar in dat noviciaat viel het Karlien allemaal tegen en veertien dagen vóór de eerste gelofte kwam ze wel geen ander verlangen uit te drukken, maar ze muisde er stillekens uit. Ze kwam als meid terecht bij madam van de brouwer Steenackers, waar ze vroeger altijd de pakskens met oude kleren en de oude kousen van meneer voor de hovenier had gehaaid, en daar heeft ze twintig jaar gediend. Twintig jaar haalde ze de specerijen en wat ze verder in de keuken nodig had, tegenover het brouwershuis 'In de koffieboon'. - Vier dagen per jaar zag ze daar Toon."
"Toon was de jongste broer van de bazin. Toon was als kerel van nog geen achttien jaar, met een witheer die de gedurige aanbidding gepreekt had, mee naar de abdij getrokken om daar broeder te worden. Het eerste dat er hem tegenviel was dat de broeders in 't grijs waren, veel gemener dan het wit van de paters.
Zo viel hem 't een na 't ander tegen, misschien is hij zelf ook tegengevallen. Er moet in alle geval iets aan gehaperd hebben wan in plaats van broeder werd Toon knecht. In Toon zat vooruitstrevendheid en ideaal, hij bracht het op drie jaar tijd tot hulpportier en toen was de eerste portier vriendelijk genoeg om te profiteren van de enige occasie die hij in zijn vak had om te verongelukken. Hij stond boven op een dubbelleerken om te doen alsof hij een schilderijlijst afstofte, toen de ene helft uitschoof en uit de haken sprong.
Wie jong genoeg is kan daar nog bijtijds afspringen; voor anderen wordt zoiets gewoonlijk twee verstuikte polsen, maar deze portier moet aan Toon gedacht hebben. Terwijl zijn leerke viel liet hij zich door het andere onder de knieën scheppen zodat hij met zijn gezicht langs de' twee onderste sporten schroefde en met zijn blote kop stuikte hij op een ferme witmarmeren plavei van veertig op veertig. De abdij was bijzonder chic voor hem: in 't gasthuis van Diest lag hij in kamers eerste klas en Toon werd portier."
In deze alinea's leren we Walschap al heel aardig kennen: Hij is een Vlaming (zie woorden als pakskens, leerken); hij kan vertellen; hij heeft zeer humoristische trekjes. Ook is hij een cynicus; en als de meeste zuiderlingen kent hij het roomse leven van binnenuit.
Iets over zijn levensloop
Gerard Walschap is in 1898 te Londerzeel (in de buurt van Brussel) geboren. Hij heeft gestudeerd aan een Klein Seminarie, en is ingetreden in een geestelijke orde te Leuven om voor priester te studeren. Maar na vier jaar heeft hij die orde weer verlaten. Daarna kwam hij steeds meer in de wereld van de letteren terecht: redacteur van een aantal literaire tijdschriften; contacten met andere auteurs en critici, onder wie de Noordnederlaaders Vestdijk en Ter Braak.
Hij publiceerde ook zelf: eerst gedichten ("Wie over mijn verzen spreekt, doet mij blozen.") later proza en vooral verhalen, romans. Nu is hij dus al een heel oud man. Verrassend is dan ook dat zijn boeken nu nog modern genoemd kunnen worden.
Waarom? Ik hoop dat in de loop van deze serie u dat duidelijk zal worden.
Over die, of beter: een aantal van die romans wil ik iets zeggen in de verwachting u als Iezers een indruk te kunnen geven van de uiterst boeiende schrijver die Walschap is. Dat u het niet in alles met hem eens zult zijn, dat weet ik; dat u nog eens een lezer van hem zult worden, dat hoop ik; dat u geen aanhanger van zijn wereldbeschouwing wordt, dat verwacht ik. Wat hij ook schrijft, er blijft steeds iets om over na te denken achter.
En zijn boeken zijn overal te koop en soms in vrij goedkope uitvoeringen. Elke bibliotheek zal zeker iets van hem in huis hebben.
Uit de beschrijving hierboven bleek al, dat Walschap roomskatholiek was, uit wat hier nog volgen zal, zult u begrijpen dat hij met het Rooms-katholicisme in botsing kwam en wel zodanig, dat hij uit de kerk trad, en daarvan verantwoording aflegde in een pamflet met de duidelijke, bijtende titel: "Vaarwel dan" (1940). Uit een interview met hem citeer ik: "Sedert vele jaren ben ik oprecht blij en gelukkig van God af te zijn, maar ik weet ook zeker dat mijn grootste verdriet is geweest dat hij niet bestaat." Nu weet u tegen welke achtergrond u mijn verhaal, maar voorai Walschaps boeken moet lezen. In het vervolg zal ik zeker nog een- en andermaal op zijn wereldbeschouwing en ongeloof terug moeten komen.
Opmerkingen en kenmerken
Het is ondoenlijk alles van deze schrijver aan de orde te stellen of te bespreken. Ik moet me beperken.
En ik kies voor een aantal werken, die mijzelf in mindere of grotere mate om wat voor reden dan ook geboeid hebben.
Mijn keus is dus nogal subjectief.
Vooraf wil ik nog een aantal markante kenmerken van zijn schrijverschap noemen.
Zijn verhalen, zijn romans gaan in een zeer hoog tempo voort.
De gebeurtenissen sleuren de lezer a.h.w. mee. Er blijft soms geen tijd tot nadenken over. Zijn stijl is kort en dus snel. Het lijkt alsof alle overbodigheden overboord gegaan zijn en toch roept dat alles een gevoelen en een sfeer op die zeer bepalend voor het verhaal zijn. Zie nog eens naar het inleidende fragment uit "Trouwen". Niets geen uitleg over het karakter van KarIien en toch. . .. "ze muisde er stillekens uit". Dat tekent. En Toon, "Er moet in alle geval iets aan gehaperd hebben want in plaats van broeder werd Toon knecht."
In de meeste boeken van Walschap komen dan ook opvallend welrug gesprekken voor; die zouden het verhaal maar ophouden.
En als ze voorkomen, zijn ze kort en duidelijk. En de personen die wel lange gesprekken willen houden, zijn dikwijls niet de besten.
Zelf heeft Walschap eens de roman als volgt gedefinieerd: de roman is een verhaal, niets dan ' een verhaal. Korter en duidelijker kunt u het toch niet zeggen.
Die snelle voortgang van het verhaal was in Vlaanderen een nieuw verschijnsel. Wie boeken als "Pallieter" en "De Witte" en "De pastoor uit den blocyenden wijngaerdt" e.d. gelezen heeft, weet wat ik bedoel: aardig om te lezen, wat idyllisch, ze babbelen wat voort en erg veel diepgang hadden ze niet en over wezenlijke problemen handelden ze niet. Walschap zelf zei: "Zij hadden mooi geschreven en niets gezegd", en elders sprak hij over "het literatureluren" en over "dat gestreuvels en getimmermans" met een weinig vleiende woordspeling op de toen nog grote Vlaamse schrijvers Streuvels en Timmermans.
Een andere trek die in veel van zijn werken naar voren komt, is het Ieit, dat dikwijls de (een) vrouw de sterke persoonlijkheid is en tegenover de zwakke(re) man gesteld wordt. In "Trouwen" verwordt Rik, de zoon van Toon en Karlien tot een slechterik ('Ge kunt al niet veel katholieker geboren worden, dan van een pleegkind van de zusterkeus van 't gasthuis en de knecht van de aartsbisschop van Meohelen, primaat van België. En toch was er met dat Riksken niets aan te vangen.'); door het huwelijk (zie de titel!) met de oergezonde, sterke natuurvrouw Mie. Zaterdag raakt hij in betere doen, en dat bedoel ik niet in materiële zin. In "Carla", het derde deel van "De familie Roothooft" ziet Carla kans zich door een berg van moeilijkheden heen te graven.
In "Houtekiet" is niet de hoofdfiguur met deze naam de sterkste, al lijkt dat lang zo te zijn, nee, tenslotte blijkt ook hier dat een vrouw, Iphigénie, hem te sterk was, en bijna zonder dat hij het begrepen had. En in "Zuster Virgilia", voor mij hèt hoogtepunt uit de lange reeks van Walschaps romans, is het inderdaad Zuster Virgilia, een zwakke vrouw, die onaantastbaar is voor wat de mannen het beste voor haar achten, die de mannen ook geestelijk verre de baas blijft.
Nog iets opmerkelijks: Veel boeken van Walschap kunnen we karakteriseren als familieroman.
"De familie Roothooft" is heel typerend als titel.
De sympathie van de schrijver ligt dikwijls aan de kant van de minder bedeelde, de minder beschaafde man, die buiten het dorp woont alsof hij uitgeworpen is, ergens naar achteraf in een gehucht. Zo woont "een mens van goede wil" ergens "op het hoogveld"; Carla komt terecht in een hut aan de bosrand; in "De verloren zoon" komt ook iemand voor, afkomstig van het hoogheike bij Nazareth.
En tenslotte: Boven allerlei figuren die ons minder sympathiek aandoen rijst altijd iemand uit, die ons weer in "de mens" zal doen geloven. Of vanuit het karakter, óf vanuit een humanistisch standpunt, of zelfs vanuit een christelijke optiek komt iemand tot het goede en wordt het kwaad overwonnen.
En hiermee raak ik natuurlijk aan Walschaps' levensbeschouwing.
Daarover zal ik het nu niet expliciet hebben. U moet maar proberen aan de hand van een aantal te bespreken werken zelf te zien waar Walschap staat en hoe u zijn boeken gaat lezen.
Daarover zal ik in de volgende aflevering iets schrijven.