Een lieve brief

1986-02-28
  • Jaargang 30
  • nummer 9
En schrijf aan de engel der gemeente te Smyrna: Dit zegt de eerste en de laatste, die dood geweest is en levend geworden: Ik weet uw verdrukking en armoede, hoewel gij rijk zijt, en de laster van hen, die zeggen dat zij joden zijn, doch het niet zijn, maar een synagoge des satans. Weest niet bevreesd voor hetgeen gij lijden zult. Zie, de duivel zal sommigen uwer in de gevangenis werpen, opdat gij verzocht wordt, en gij zult een verdrukking hebben van tien dagen.
Wees getrouw tot de dood en Ik zal u geven de kroon des levens.
Wie een oor heeft die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt.
Wie overwint, zal van de tweede dood geen schade lijden.

Openbaring 2: 8-11

Van de zeven brieven aan de gemeenten in Klein-Azië mogen we die aan de kerk van Smyrna wel de liefste noemen.
Niet alleen om wat wij er in lezen, maar ook om wat wij er niet in lezen. In de overige zes brieven wijst de Goede Herderwant dat is Hij in deze brieven ten voeten uit: Goede Herder ook steeds op wat Hij aan negatiefs in de gemeente vindt: Ik heb enkele dingen tegen u ....
Maar in de brief aan de kerk van Smyrna ontbreekt een opmerking in deze geest. De oorzaak daarvan zal niet gelegen zijn in het feit dat we hier met een gemeente ronder vlek of rimpel te maken hebben, maar in de laster waaronder de gemeente te lijden heeft, De laster van hen die zeggen dat zij joden zijn, doch het niet zijn, maar een synagoge des satans.
De satan is de ‘aanklager der broeders' (Openb. 12: 10 en Zach. 3: 1). Hij is te sluw om God zwart te maken bij de mensen, maar maakt de mensen zwart bij God. Hij zou graag met alles wat hij van ons weet - en dat is niet alles - naar God gaan.
Hij is de grote klikspaan.
Wat doen wij als de buurt iemand bekletst van wie wij veel houden?
Al zou de omgeving het gelijk min of meer aan haar kant hebben, we nemen het toch voor de belasterde op en werpen toch geen kolen op het vuur van de roddel? Zoiets doet de Goede Herder hier: bemoedigend verzwijgen wat er aan de gemeente van Smyrna mogelijk mankeert.
Zo neemt Hij het voor haar op tegenover de grote tegenstander.

Het valt op dat de duivel ook genoemd wordt als Christus spreekt over het lijden dat de gemeente voor zich heeft. 'Zie, de duivel zal sommigen uwer in de gevangenis werpen. . . . en gij zult een verdrukking hebben van tien dagen - Wees getrouw tot de dood en Ik zal u geven de kroon des levens."
Het is niet alleen in die laatste belofte dat Ohristus hier zijn gemeente in Smyrna te hulp komt, maar ook in de naam waarmee Hij zich in deze brief aandient.
De bijbel zegt ons dat Hij gisteren en heden dezelfde is en tot in eeuwigheid, maar dat neemt niet weg dat Hij telkens anders is. Zijn gezicht kan vriendelijk staan, maar ook boos. Hier kiest Hij telkens een andere naam en die naam is zoiets als zijn gelaat: 'Dit zegt de eerste en de laatste, die dood geweest is en levend geworden'.
Zo noemt Hij zich tegenover een gemeente die een lijden voor zich heeft, waarbij de dood in zicht komt: die dood geweest is en levend geworden.
Een deel van mijn jeugd bracht ik in een bos door waar mijn vader boswachter was. Je had in het bos een sloot met een bruggetje, dat er bouwvallig uit zag en waar ik niet overheen durfde.
Als mijn vader mij meenam het bos in en we kwamen voor het bruggetje, liet hij mijn hand los, ging alleen het bruggetje over en keerde zich aan de andere kant om. Op zijn gezicht las ik dan: als ik er overheen kan moet jij er ook overheen kunnen. En dan durfde ik ook.
Zoiets doet de Goede Herder hier. Hij wijst de gemeente op het lijden dat zij voor zich heeft en op de dood die dreigt. Hij weet wat dat is want Bij heeft het ook allemaal doorgemaakt.
Hij weet waarover Hij spreekt àls Hij ons bemoedigt. Daarom koos Hij voor de gemeente van Smyrna deze naam: die dood geweest is en levend geworden.
Met 'die woorden gaat Hij aan de overkant' staan, net als mijn vader, en zo komt Hij zijn kerk te hulp. Aan de andere kant van de dood wacht Hij zijn gemeente op met de kroon des levens. Hij komt ons te hulp vanaf de overzijde, want de eerste dood heeft een overzijde.
Er is ook een tweede dood, dat is de poel die brandt van vuur en zwavel (Openb. 20: 8). Die heeft geen overzijde. Daar kunnen we niet doorheen om er aan de andere kant. weer uit te komen.
Daar wacht ook niemand op ons.
Daar is de Goede Herder alleen in gegaan toen Hij zijn leven gaf voor zijn schapen. Wij behoeven Hem daarin niet te volgen en zouden dat ook niet kunnen.
Daarom zegt Hij tot de gemeente van Smyrna dat zij, die overwinnen, van de tweede dood geen schade lijden.

Maar de eerste dood heeft een overzijde.
Alles wat ons bedreigt heeft een overzijde.
We weten van wat er dreigt nu veel af en niemand kan meer zeggen dat het wel wat mee zal vallen. Toch mis ik iets in het toekomstbeeld dat ons wordt voorgehouden. Een Engelse arts publiceerde tien wenken voor het geval er een atoomoorlog zou komen. Ik noem er twee. Als je een gewonde man ziet, neem een steen en sla hem op het hoofd want dat is de grootste weldaad die je hem kunt bewijzen. En ook deze: als je na een atoombom merkt dat je gaat sterven, doe dat dan niet in de buurt van drinkwater, want dat zou je na je dood vergiftigen.
Ik stel daar niet iets tegenover dat het allemaal een beetje verdoezelt, maar ik mis iets. Het is zo luguber en volstrekt zonder enige troost.
Wie nu als christen aan de zijde van de anderen vecht voor vrede, zou moeten zoeken naar woorden om duidelijk te maken dat met uitzondering van de tweede dood elke ramp een overzijde heeft, waar Iemand op ons wacht. Dat geeft op bepaalde momenten aan het vechten voor vrede misschien nèt een wat andere kleur en ontneemt er het religieus getinte fanatisme aan.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief