Overleven in Dachau
1985-06-28
Leo van der Tas, Overleven in Dachau. Uitgeverij Kok, Kampen, 1985- Jaargang 29
- nummer 26
Over het kamp Dachau, één van de oudste in Hitler-Duitsland, is al veel geschreven. Ook door ex-gevangenen, die daar kortere of langere tijd verbleven.
Toen ik het boek van Van der Tas in handen kreeg, was eigenlijk mijn eerste gedachte: Alwéér een boek over kampervaringen? Wie zit daar nu eigenlijk op te wachten? Valt er nog wat toe te voegen aan wat anderen al schreven? Ik denk dan bij voorbeeld aan mensen als ds Overduin, ds Knoop, Floris Bakelsen anderen. Toen ik er echter in begon te lezen, raakte ik toch geboeid door het verhaal van de voorzitter van de Stichting Vriendenkring van Oud-Dachau'ers en las het vervolgens in één ruk uit.
De schrijver zegt in zijn inleiding, dat anderen er op aandrongen zijn belevenissen te vertellen. En dat heeft hij pas in 1985 gedaan, met grote aarzeling en zonder enige pretentie. Ik heb het geprobeerd, zegt hij ergens. Misschien is het dat juist, wat zijn verhaal zo boeiend maakt. Hij schrijft vooral over mensen, die hij in deze verschrikkelijke oorden ontmoette en aan wie hij zoveel te danken had. Daar zijn zeer karaktervolle mensen bij, soms ook zeer tragische figuren.
Strikt genomen klopt de titel van het boek niet helemaal. In het eigenlijke hoofdkamp Dachau verbleef hij slechts kort. De eerste hoofdstukken zijn gewijd aan zijn rol in het verzet; zijn arrestatie, zijn verblijf in het Oranje-Hotel in Scheveningen, het kamp Vught.
Daarna belandt hij, na een kort verblijf in Dachau in een kamp in' de Vogezen, vlak bij het beruchte kamp Natzweiler. Vervolgens komt hij terecht in een zgn. Aussen-Kommando van Dachau en weet tenslotte vlak voor het einde van de oorlog te ontvluchten. Het boek is opgedragen aan dr R. J. Dam, rector van het Gereformeerd Gymnasium in Kampen, die voor de in Duitsland geboren weesjongen een vaderrol vervulde en trouwens in het verzet actief was.
Dat de schrijver zelf gereformeerd is opgevoed, blijkt voor hem in deze moeilijke tijd een grote steun geweest te zijn. Zo af en toe, zo heel terloops, laat hij merken, wat het christelijk geloof in deze donkere periode van zijn leven voor hem betekende. Van der Tas is ook eerlijk, Dat blijkt in het hoofdstuk, wat hij noemde: Mijn beste vijand. Het is een wat oudere Duitse officier van de luchtmacht, die bij hem komt, als hij als "Sanitäter", een soort EHBO er, werkzaam is bij een spoorwegtunnel in de Vogezen, waar vliegtuigmotoren werden vervaardigd.
Hij heeft pijnlijke voeten, maar naar later blijkt heeft hij andere problemen. Hij zoekt de vriendschap van een verachte kampgevangene. Als ze elkaar voor het laatst ontmoeten, probeert hij zijn houding te verklaren. Hij zegt opeens: Ik zal je iets over mijzelf vertellen. We hadden één zoon. Hij is vermist aan het Oostfront. En hij leek erg op jou; Ik heb de hoop opgegeven hem ooit weer te zien. Ik heb niemand meer. Mijn huis in Keulen is gebombardeerd en mijn vrouw is daarbij omgekomen. Voor mij is het afgelopen ." Van der Tas zegt nu de eenzaamheid van deze man te begrijpen, maar zegt er óók bij, dat hij op dat moment de genegenheid van deze officier niet kon verdragen. Omdat er alleen maar plaats was voor en trouwens ook woede en afkeer om wat hem en veel anderen werd aangedaan. Zo worden in dit boek ook andere mensen beschreven, mensen die boven zichzelf. uitgroeiden, Waar anderen zich aan vastklampten en menselijkerwijs gesproken ervoor zorgden, dat men de kampen overleefde. Daarom is het toch geen overbodig boek, Ook dit verhaal zal er naar ik hoop voor zorgen, dat we het niet vergeten.
Want zo eindigt Van der Tas zijn inleiding: "de prijs die werd betaald voor vrijheid en recht was hoog."