Gerard Walschap (2)

1986-02-28
  • Jaargang 30
  • nummer 9
Na de schets over Walschapen zijn schrijverschap in het algemeen, wil ik nu veroer gaan met het bespreken vaneen aantal van zijn romans. Ik heb u in het voorgaande al enkele titels genoemd.

"Adelaïde"
In 1929 verscheen "Adelaïde".
Walschap wilde een katholieke zedenroman schrijven, maar daarin wilde hij niet verhullen wat naar zijn idee wezenlijk was in het karakter van iemand en wat er omging aan gedachten en voorstellingen in iemands zieleleven; en ook niet goedpraten wat er naar zijn mening verkeerd was in kerk en priesterschap.
In 1931 en 1933 werd deze roman gevolgd door respectievelijk "Eric" en "Carla". In 1939 verschenen deze drie samen voor het eerst als één geheel onder de titel "De familie Roothooft", Deze boeken werden door de clerus en ook door een groot deel van de rooms-katholieke gelovigen vijandig bejegend. En dat heeft bij Walschap een vervreemding van de kerk bewerkt, die tenslotte leidde tot zijn afscheid.
Adelaïde is de dochter van de notaris Roothooft. Ik citeer het begin van het hoek: "Juffrouw Adelaïde had haar studies gedaan in de voorname kostschool der Eerwaarde Zusters van Onze-Lieve-Vrouw-ten-Hagedoorn, gelijk trouwens elk meisje dat iets of wat was. Van haar veertiende tot haar zestiende jaar was zij scrupuleus geweest.
De Eerwaarde Heer Directeur, die veel last met haar had, bewonderde in die tijd de zuiverheid van haar zieltje. Elke morgen meende zij bij het aankleden een onnoembare ronde te hebben bedreven die zij dan biechten moest vóór de mis. Een maand lang hield zij elke morgen de mond open tot zij van de communiebank terugkeerde en liet het speeksel er zo maar uitlopen; want zij durfde niet slikken, om maar nuchter te blijven."
Zo ziet de lezer al terstond in de aanvang, dat Adelaïde een vreemd en overvroom meisje is.
Ze is aan de ene kant behept met een overdreven verlangen naar en aandacht voor het lichamelijke, vooral voor dat van zichzelf, aan de andere kant met zo'n angst tegen de kuisheid te zondigen, dat ze in steeds grotere problemen verzeild raakt.
Als ze getrouwd is met Ernest, een joviale jonge apotheker, en als ze in verwachting is, dan komt de onderpastoor langs, In het dan volgende gesprek zegt die o.a. (en hij doelt op dat lichamelijke): "Hoe het zich wreekt, och dat merkt ge zo gauw, Ofwel hebben ze aan elkaar niet genoeg en zoekt een van de twee de eeuwige derde persoon, ofwel straft God ze in hun kinderen. En dat mist nooit, Wij priesters weten dat." Het lijkt alsof van dat moment het leven van Adelaïde steeds meer beheerst wordt door 'angst: angst voor Ernest, haar man; angst voor Eric, het geboren kind; angst voor zichzelf, dat zij ook zot zal worden zoals haar papa zot geworden is. En bet dringt zich onweerstaanbaar steeds meer aan de lezer op: zij is zot aan het worden, zij is zot geworden. Wanneer een verblijf in een inrichting naar de schijn eerst wat verbetering heeft gebracht, verergert, de kwaal en als Ernest op een avond in gezelschap van een vrouw thuiskomt van de toneelvereniging, valt (?) ze uit het raam en sterft.
Uit dit korte resumé komt niet naar voren de dwingende kracht van het verhaal: hoe het wel naar een fataal einde móét gaan, Adelaïde voortgedreven door schuldgevoelens, veroorzaakt door of gebaseerd op de strenge katholieke moraal, en in nog meerdere mate bepaald door de erfelijke belasting van papa. In bepaalde opzichten doet het verhaal denken aan naturalistische romans als "Eline Vere" van Couperus.
Ondertussen is het boek rondom Adelaïde een Ernest bevolkt met Iévende mensen van allerlei aard en stand, die in feite niet-begrijpend het drama zich zien voltrekken.
Geen sprake meer van idylle in het Vlaamse land.
Het boek viel in klerikale kringen (uiteraard) niet goed: het was niet aangenaam voor de priesterstand en ook de katholieke huwelijksleer kwam er slecht af. Bovendien, zulke dingen schreef je niet in een roman, zo dat iedereen in het roomse land dat lezen kon.

"Eric" en "Carla'"
Toen “Adelaïde" verscheen, had Walschap niet aan een vervolg gedacht; toch schreef hij later "Eric" omdat, zo zei hijzelf: ,,een kind van een krankzinnig geworden moeder ( .... ) het lot van zijn moeder als een bedreiging gaat zien."
Walschap wil zich echter niet ingedeeld zien bij het naturalisme.
Dat is een stroming waarin men de levensloop van zijn personen geheel bepaald zag door erfelijkheid en milieu. Hij vond het helemaal niet theoretisch, integendeel zelfs levensecht, dat een zoon van zo'n vrouw door de buitenwereld bezorgd wordt gadegeslagen.
En inderdaad: ook Eric is erfelijk belast, hij is ál te vatbaar voor sexuele neigingen, ook hij heeft zelfmoordgedachten, ook hij vreest gek te worden, als zijn opa.
Eric sterft als zijn vrouw haar eerste kind verwacht, de latere Carla.
In de trilogie neemt dit middendeel niet de sterkste plaats in.
Naar mijn smaak is het soms wat te getocht, niet zo levensecht als het eerste en als het volgende deel.
"Carla": het is in dit deel dat de erfelijke belasting overwonnen wordt. Carla is een meisje, later in het verhaal een vrouw, die ten onder dreigt te gaan in grote maatschappelijke en sociale problemen. Zoals “Adelaïde" en "Eric" boeken zijn over de neergang, zo is "Carla" een boek over de opgang.
Carla realiseert die vanuit een donker lijden met een opofferende liefde. Als haar moeder hertrouwd is met een dronkenlap is Carla degene die eerst weggestuurd wordt naar een pensionaat; als ook de moeder gestorven is, moet ze terugkeren in de hel van het gezin om voor haar halfbroertjes en -zusjes te zorgen en moet ze proberen niet door de ruwe passie van haar stiefvader overvallen te worden.
Tenslotte vlucht ze terug naar haar pensionaat.
Ook zijzelf trouwt, maar niet met de man die ze wenste. Het lijden is nog niet voorbij. Maar in dit lijden weet zij opnieuw staande te blijven. Zij weet zich misbruikt door haar man. Het doet de lezer goed, dat na zijn sterven haar echte geliefde naar haar terugkeert. En dan gebeurt er iets eigenaardigs, iets wat Walschap later herhalen zal: Hij trekt het hele verhaal naar ons toe; plotseling is het alsof we er allemaal bijhoren: "Dan hebben wij hier nog onze burgemeester, de brouwer" - "Ons verschil is maan wat tijd en namen, wij bloed Roothooft -Verhaghen".

"Carla", hoewel niet een vrolijk verhaal, is een roman die niet zo onafwendbaar de gebeurtenissen laat voortgaan als “Adelaïde".
Hier is de menselijke ziel toegankelijker en open.

Terugblikje
Als we de drie in hun geheel overzien, dan vormen ze een roman van klasse. De leefwereld van het katholieke zuiden, maar vooral ook de liefde voor de naasten, ze zijn met bewogenheid beschreven. Als lezer ben je niet alleen soms verbijsterd, maai ondanks alles ook verrijkt.
Je hebt mènsen leren kennen.
Op de visie van Walschap op de mensen kom ik in de bespreking van andere werken uitvoeriger terug.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief