Het gehavende huis
1985-06-28
Horst Krüger, Het gehavende huis.- Jaargang 29
- nummer 26
(Een jeugd in Berlijn)
Uitgeverij Kok, Kampen. 1985
De oorspronkelijke titel van dit boek was: -Das zerbrochene Haus - Eine Jugend in Deutschland. De eerste uitgave dateert uit 1966. De vertaling , van dit boek is nu uitgegeven bij Kok in de serie Onvoltooid Verleden Tijd. Immers het verleden kan niet en mag niet als afgedaan worden beschouwd, is nooit een gepasseerd station; wat geweest is kan opnieuw werkelijkheid worden, als wij niet waakzaam zijn.
Koos van Weringh schreef een korte inleiding op dit boek. Hij noemt het een uiterst belangwekkend boek en na het boek gelezen te hebben, kan ik dat helemaal met hem eens zijn. Wie is Horst Krüger? In de oorlog is hij korporaal bij de Wehrmacht. In de laatste oorlogsdagen, als het Derde Rijk op instorten staat, bevindt hij zich in de buurt van het Dortmund-Eemskanaal. Hier is hij getuige van de executie van Herman Suhren, zijn vriend, een West-Faalse jongen, die zich had teruggetrokken van zijn post en als deserteur betrapt, ter plekke zonder vorm van proces wordt neergeknald.
Krüger schrijft dan: Dit was voor mij het uur, dat ik ontwaakte, dat ik uit een verdoving wakker schrok na vier jaar soldaat zijn. Dat ik bij mijzelf zei: het is afgelopen, het is voorbij, geen dag langer blijf je bij dit volk. Ik wil geen Duitser meer zijn. Ik" wil dit: volk verlaten, Ik loop over. En hij voegt de daad bij het woord en loopt met een kameraad over naar de Amerikanen.
Dezelfde Krüger woont in de zestiger jaren in Frankfurt het Auschwitzproces bij als verslaggever. Hij beschrijf zijn gevoelens in het laatste hoofdstuk van dit boek. Hij gaat zich afvragen wat hij gedaan zou hebben, indien hij als Duits soldaat dienst had moeten doen in een vernietigingskamp, zou hij ooit de moed hebben gehad een grens te trekken? Met andere woorden: wat zou ik als individu gedaan hebben? Hij wil zich de vraag stellen, in hoeverre er in de dertiger jaren sprake is geweest van individueel falen. En daarom wil hij het spoor terug vinden naar de jaren dertig, toen hij in Berlijn woonde en er als 14-jarige jongen in 1933 getuige van was, dat Hitler de macht overnam. Hij keert terug naar de buurt in Berlijn, Eichkamp, waar hij zijn jeugd doorbracht. Een' nette buurt, waar veel ambtenaren woonden, wier leven werd gekenmerkt door een, grote regelmaat. Ook zijn ouders beschrijft hij, Hij typeert ze als argeloze mensen, die er niet over piekerden om lid te worden van de Nazi Partij en zonder wie de Nazi’s toèn nooit hun misdadig werk hadden kunnen doen. In felle bewoordingen striemt hij de kleinburgerlijke sfeer in de wijk, waarin hij opgroeide. Onbarmhartig stelt hij een mentaliteit aan de kaak, die leidde tot een morele acceptatie van het Nazi-regime.
Deze felheid, deze poging om met Het verleden in het reine te komen, doet af en toe de vraag rijzen, of hij wel helemaal eerlijk is in zijn oordeel over de mensen in "Eichkamp", die hij beschrijft, Was er dan alléén maar kleinburgerlijke angst en aanpassing, alléén maar de voor hem verstikkende sfeer van een nette buurt? Als hij , tien jaar later bij een nieuwe druk van zijn boek .een nawoord schrijft, geeft hij dat ook min of meer toe.
Als het gaat om zijn ouders, zegt hij, dat hetgeen hij over hen schreef, soms grensde aan liefdeloosheid, aan onrecht. Soms was ik te vergrovend, té simplificerend bezig, zegt hij dan.
Hetzelfde geldt naar mijn oordeel over de rol van de kerk in zijn jeugdherinneringen.
Hij schrijft daar hard en cynisch over. Met name in het hoofdstuk, waarin hij de zelfmoord van zijn zuster beschrijft. Na haar zelfmoordpoging leeft het meisje nog enkele weken en met ingehouden bitterheid beschrijft hij de pogingen van zijn moeder om haar dochter tenminste als goed katholiek te laten sterven.
Maar ook met deze kanttekeningen, aarzel ik niet dit boek een waardevolle bijdrage te noemen, tot een beter begrijpen van wat zich indertijd in Duitsland afspeelde. Ook vandaag vragen zich velen nog, af, hoe het toch mogelijk was, dat miljoenen fatsoenlijke Duitse burgers, die er in hun persoonlijk leven niet over zouden piekeren hun medemensen enig ernstig kwaad te berokkenen, er toch toe kwamen de leiders van Nazi-Duitsland toe te juichen, of zoals de mensen in de Berlijnse wijk, die Krüger beschrijft, in elk geval hen accepteerden en èr verder het zwijgen toe deden. Hét antwoord staat natuurlijk ook niet in dit boek. Voor degenen echter, die deze brandende vraag, niet zonder meer willen laten rusten, is "Het gehavende Huis" een boek, waaruit veel valt te leren.