ONZE EREDIENST
1986-03-07
- Jaargang 30
- nummer 10
Inleidende opmerkingen
Het is mijn bedoeling een aantal opmerkingen te maken over onze liturgie, over de wijze waarop we op zondag in onze eredienst samenkomen.
Nu is deze omschrijving van liturgie wel wat erg simpel.
Dr. H. Jonker omschrijft in "Liturgische Oriëntatie" de liturgie als "een ordening van de samenkomst van de gemeente, waarin de dynamiek van het Woord Gods plaats vindt en waarin de gemeente in de gelegenheid gesteld wordt op de dynamiek van het Woord Gods te reageren in schuldbelijdenis, aanbidding, lofprijzing, deelname aan het heil (sacramenten), gemeenschap, offerande en dienstbetoon in en buiten de samenkomst, En dat alles in levende verbondenheid met de traditie der Kerk."
D. W. L. Milo geeft in "Zangers en speellieden" een eenvoudiger omschrijving. Hij definieert liturgie als het totaal van "woord en handeling" in de eredienst, zoals door de kerk is vastgesteld. Het woord liturgie, zo merkt hij op, zou vertaald kunnen worden met "orde van eredienst", maar is ruimer dan dat.
Nu kan men over liturgie spreken in ruimere en in engere zin. In ruimere zin wordt onder liturgie verstaan het samenkomen van de gemeente en de viering van haar eredienst. Eredienst en orde staan echter niet los van elkaar. Het wezen van de eredienst drukt zich uit in de orde. Eredienst houdt ook een orde van dienst in.
Hoewel mijn lekenoverpeinzingen hier en daar wat kritisch zullen uitvallen, bedoelen ze niet een pleidooi te zijn om onze liturgie nu maar snel en radikaal op de helling te zetten. Veranderingen in de liturgie moeten goed doordacht zijn. Immers de eredienst is het hart van de christelijke gemeenschap.
Bij de liturgie luistert het daarom nauw.
Het is echter wel gewenst, dat we ons over onze liturgie beraden.
Een beter doordenken kan wellicht leiden tot verbetering van de liturgische vormen. Mijn overpeinzingen bedoelen niet meer dan het stimuleren van datdenken.
Nu is het een vrij riskante zaak kritisch over onze liturgie te schrijven. Kritiek op bepaalde gewoonten in de eredienst wordt gemakkelijk gezien als een aantasting van een vastheid, die de Bijbel ons zou gegeven hebben.
Vergeten wordt, dat de Bijbel ons geen afgeronde liturgie geeft.
Nergens vinden we in het N.T. een verslag van een komplete kerkdienst. Nergens zijn in de Bijbel direkte voorschriften te vinden.
Te veel bestaat de neiging bij de liturgie vast te houden aan versteende archaïsche vormen. Nergens openbaart zich in de kerk zoveel starheid en ongezond conservatisme als bij de liturgie.
Ook en vooral ten aanzien van de liturgie geldt, dat voortdurend reformatie nodig is. Terecht merkte Milo op, dat het een, begrijpelijk bijgeloof is, als zou onze' liturgie heilig en onveranderlijk zijn.
Woord en handeling, gedachte en vorm, aldus Milo, moeten één zijn. Als je aandacht besteedt aan de vorm, maar het hart is er niet in, dan ontstaat formalisme. De liturgie in de R.K. kerk is hier een duidelijk voorbeeld van. Maar is onze eredienst vrij van formalisme? Komt een kerkdienst bij buitenstaanders niet vaak over als een vrij formalistisch gebeuren? Hoe moeilijk ook is het om mensen, die vanuit de wereld tot geloof gekomen zijn, tot gewone kerkgang te brengen?
Er wordt, overigens terecht, geklaagd over slechte kerkgang.
Zou onze liturgie daar ook niet een steentje toe bijdragen??
Natuurlijk moet het hervormen van de liturgie met wijsheid en overleg gebeuren. Onze roeping is echter wel, dat wij verantwoord voortbouwen aan een verbetering van de liturgie.
De gegevens over de eredienst in de Schrift zijn vrij schaars.
Waarschijnlijk hebben de diensten aanvankelijk veel geleken op de diensten in de synagoge.
In elk geval keren de drie elementen van de oud-testamentische liturgie, eredienst, heiliging en gemeenschap in het N.T. terug.
Uit het N.T. kunnen we opmaken, dat de prediking ongeveer het volgende schema had: voordragen van de Nieuwtestamentische heilsfeiten, vervolgens een oproep tot geloof en bekering en tenslotte de belofte van schuldvergeving.
Ten aanzien van het avondmaal valt het op, dat dit plaats vond in de avondbijeenkomsten van de gemeente. Gebeden werd meestal staande en bij uitzondering knielend. De gemeente antwoordde daarop met amen.
Het is duidelijk, dat onze diensten in veel opzichten niet overeenkomen met de hiervoor genoemde gegevens.
Hieruit mag niet geconcludeerd worden, dat wij bij de eredienst dus maar mogen gaan vrijbuiteren en dat b.v. een soort religieuze happening in plaats van de bij ons gebruikte orde ook wel toelaatbaar zou zijn. Immers achter elke Iiturgie steekt een belijdenis. Eredienst en belijdenis zijn tenslotte een eenheid.
In de Anglikaanse kerk in Engeland b.v. heeft de handhaving van de rooms-katholieke liturgie deze kerk qua belijdenis naar de R.K. kerk doen toegroeien. Juist het verschil tussen Rome en Reformatie komt sterk uit in het verschil in liturgie.
Bij de R.K. kerk staat de eucharistie, het misoffer, in het middelpunt.
Daar wordt het heil gerealiseerd door het offergebeuren in de mis.
Het offergebeuren en de presentie van Christus in brood en wijn zijn de hoogtepunten van het samenzijn der gelovigen. Al is de reformatorische eredienst uit de rooms-katholieke voortgekomen, al vond daarbij een ingrijpende zuivering plaats, toch hebben de reformatorische kerken terecht het hoofdaccent gelegd op de levende verkondiging van het Woord van God. Immers het heil wordt geschonken door de H. Geest door middel van de prediking van het Evangelie.
Terecht ook is de gemeente weer aktief in de eredienst betrokken en is veel nutteloos ceremonieel afgeschaft. Soms is men zelfs wel wat ver gegaan.
Terwijl Calvijn nog ijverde voor maandelijkse, of liever nog wekelijkse avondmaalsviering, heeft het bestuur van Genève er een driemaandelijkse viering van gemaakt. De meeste kerken zitten helaas nog op dat spoor.
Het feit, dat de prediking centraal moet staan heeft er helaas toe geleid, dat men voor de rest niet veel aandacht meer had. Er wordt hiermee in veel kerken nog al rommelig mee rondgesprongen.
Met onze avondmaalsviering weten we in onze diensten nauwelijks weg.
Het feestelijk karakter is vaak te loor gegaan.
Het is niet juist om de prediking te zien als een geïsoleerd hoogtepunt.
Dat kan er op den duur zelfs toe leiden, dat de funktie van de prediking ondermijnd wordt en leerrede in plaats van verkondiging wordt.
Naar de Schrift moet ons uitgangspunt zijn, dat in de eredienst de ontmoeting plaats vindt van God met zijn volk.
Men kan in de dienst ook moeilijk een scheiding maken tussen het doen van God en het onze.
Juist de wisseling van Woord en antwoord, de samenhang tussen verkondiging en gebed is wezenlijk voor de liturgie als ontmoeting tussen God en, zijn volk, Het is een heilig spel van spreken en antwoorden.
De samenkomst wordt een samenspraak.
In de kerkdienst vindt, om een modern woord te gebruiken, een dialoog plaats. Niet een dialoog van mensen onderling, maar van God en zijn volk.
God spreekt tot zijn volk en het volk spreekt tot Hem.
Dat moeten we ons bij de eredienst goed bewust blijven.
Daardoor word heel de orde van onze dienst bepaald.