Zondag in Rusland (1)

1986-03-07
  • Jaargang 30
  • nummer 10
Dwars door ons werelddeel loopt sedert het einde van de veertiger jaren het IJzeren Gordijn, als gevolg van de verwikkelingen in het na-oorlogse Europa, We weten het allemaal en als we hij de Berlijnse Muur staan, of elders bij de grens tussen B.R.D. en D.D.R., realiseren we ons, dat het daar aan de andere kant allemaal "anders" is. Dat begrippen als vrede, veiligheid, vrijheid en democratie daar volstrekt anders worden uitgelegd.

Tegelijkertijd beseffen we ook dat daar mensen leven met wie wij ons verbonden weten, eenvoudigweg omdat we in dezelfde wereld leven en omdat onze angsten en onze zorgen over de toekomst óók hun angsten en zorgen zijn.
Uiteraard voelen we ons het meest verwant met hen, die daar de christennaam dragen, die heel bewust daarvoor gekozen hebben en daarom vaak in de hoek zitten, waar de slagen vallen.
Eigenlijk tweederangsburgers, soms geduld, vaker nog achteruit gezet en soms ook voor hun overtuiging de weg gaande van vervolging en gevangenschap.

Gelukkig is in de loop der jaren het kontakt tussen hen en ons wat gemakkelijker geworden.
We konden hen opzoeken, bemoedigen, een helpende hand bieden. Soms ook was het mogelijk predikanten vanuit bv. Hongarije en Tsjecho-Slowakije uit te nodigen en hier te ontvangen.
We kregen er ook oog voor dat de situatie in de verschillende Oostbloklanden nogal van elkaar verschillen. Zo hebben de kerken in Joegoslavië en Hongarije het wat minder moeilijk dan de kerken in Roemenië en Tsjecho-Slowakije.
Het ligt voor de hand, dat wij als gereformeerden in de
eerste plaats kontakt zochten met de reformatorische kerken in deze landen. Vóór de tweede wereldoorlog waren die kontakten er al en ze bestaan eigenlijk al eeuwen. Hongaarse predikanten studeerden hier en er zijn óók nu nog enkelen van hen, die onze taal enigermate kunnen spreken. De hulpverlening uit met name onze eigen kring, heeft zich dan ook gericht op de broederschap in het Hongaarse taalgebied.
Uit het voorgaande volgt, dat kontakten tussen Russische christenen en ons niet zo frequent voorkomen. Althans die indruk heb ik. Daar komt bij, dat de reformatie niet in de Russische kerk is doorgedrongen en tot diep in de negentiende eeuw kwam het protestantisme in Rusland slechts voor onder vreemdelingen, vaak van Duitse afkomst.
Uit deze kringen kwamen de Russische baptisten voort.

Overigens ontbreekt het ons niet aan publikaties, die ons informeren over de situatie van de christenen in de Sowjet-Unie.
Velen van hen, die gevangen zitten kennen wij met name, we weten wáár ze zitten, we horen ook van vrijlatingen, kortom we zijn ook in staat hen te helpen en voor hen te bidden.
Maar hoe is het nu op een zondagmorgen in de Sowjet-Unie, wanneer je van deze dingen weet? Je hebt vooraf géén bepaalde kontakten, je reist als toerist door dit grote land, je beheerst de taal niet, je bent vrij kort op een bepaalde plaats en toch wil je graag iets proeven van het klimaat, waarin Russische christenen moeten ademen.
We maakten, de afgelopen zomer met twee gezinnen een privéreis door de Sowjet-Unie, d.w.z. langs van te voren vastgestelde routes en van te voren gereserveerde campings. Een vorm van tourisme overigens, die, zo heb ik de indruk, niet het meest door de autoriteiten wordt bevorderd, eerder heb ik de indruk van een soort ontmoedigingsbeleid.
In elk geval heeft het dit voordeel, dat je méér dan bij een groepsreis in aanraking komt met het leven van alledag in de Sowjet-Unie. Je zit met de Russen in dezelfde propvolle bus, in dezelfde metro, je ziet hoe men boodschappen doet en je wordt bok zelf gedwongen daarin Je weg te vinden.
Wat hierna volgt zijn indrukken van twee zondagmorgens in Rusland. Uiteraard heel persoonlijke ervaringen, die allerminst de pretentie hebben wel even uit de doeken te doen, hoe het daar is. Dat kan eenvoudigweg niet, wèl is het een poging iets meer te begrijpen van de problemen van individuele christenen en van kerken, die zich voortdurend bewegen tussen de polen van aanpassing en verzet, tussen het martelaarschap en de loyaliteit t.o.v. hun overheden.

Zondagmorgen in Lwov
De eerste zondag in Rusland brachten we door in Lwov. Ooit hoorde deze oude stad onder de naam Lemberg tot het Oostenrijkse keizerrijk, ná de eerste wereldoorlog werd het een Poolse stad om vervolgens in 1939 in het kader van het pact tussen Hitler én Stalin weer herenigd te worden met de Sowjet-Unie. Als we over het afschuwelijke plaveisel naar de binnenstad, hobbelen, realiseer je je, dat hier ooit veel joden woonden, totdat in 1943 het getto van Lemberg door de Duitsers werd geliquideerd.
Ooit moet ook iemand als Simon Wiesenthal als kind hier hebben rondgelopen. Als we in de buurt komen, wat volgens.
de plattegrond een Armeense kerk is, zien we erg veel mensen voor deze kerk staan. Kennelijk is de dienst net afgelopen.
Als ik mijn camera pak en van dit tafereel een foto wil maken, komt er plotseling als uit het niets, iemand voor mij opdoemen, die mij op nijdige toon duidelijk maakt, dat hier niet gefotografeerd mag worden.
Zo maar een vrouw uit de mensen op straat loopt op ons af en wil ons wat duidelijk maken, veel begrijpen we er niet van, wèl dat blijkbaar de politie het hen erg moeilijk maakt. Even later staan we voor een kerkgebouw waarop vermeld staat, dat hier is gevestigd het museum over de geschiedenis van religie en atheïsme. We gaan naar binnen en lopen door de zalen van dit voormalige kerkgebouw. Het is een onthutsende ervaring dit mee te maken. Je weet, dat de staat niet alleen theoretisch atheïstisch is ingesteld maar ook aktief uit is op de eliminering van de christelijke kerk. En toch, als je dat dan hier heel konkreet voor je ziet, besef je ineens wat beter, wat het moet betekenen om in een dergelijk klimaat je geloof te blijven belijden.
In het museum worden ons in de vorm van prenten, schilderijen, cartoons, foto's en diorama's de feilen van twee duizend jaar christendom voor ogen gesteld. Natuurlijk niet zo moeilijk om daar een museum mee te vullen; alleen de manier, waarop dit gebeurd heeft niets van doen met een objektieve weergave van de geschiedenis van atheïsme en religie, zoals de naam van het museum suggereert.
Als je door de sombere, schaars verlichte zalen loopt, word je vooral duidelijk gemaakt, dat christendom betekent: onverdraagzaamheid, achterlijkheid, volksverlakkerij, knechtendienst aan het kapitalisme en het meest stuitend vond ik nog, de voortdurende indruk, die gewekt wordt, dat christendom in het verlengde zou liggen van het in Rusland, terecht natuurlijk, zo verfoeide fascisme. Aan het eind van de rondgang bereiken we een zaal, waarin de donkerte wordt verdreven door het lichtend rood van de revolutie, daar staat de beeltenis van de grote lichtbrenger, Lenin.
Het is een wat vreemde gewaarwording, deze konfrontatie met het leven in een communistische staat, of, anders gezegd, het in praktijk brengen van art. 52 van de Russische grondwet, het artikel waarin enerzijds het recht wordt vermeld tot het belijden van ieder willekeurige religie, maar ook het recht om atheïstische propaganda te voeren.
Vervolgens staat er: Het wekken van vijandschap en haat in verband met de geloofsovertuigingen is verboden. Bij het voeren van atheïstische propaganda mag dat kennelijk wel. We waren daar op die morgen getuige van geweest, op een zondagmorgen, waarop je thuis meestal gewend bent samen te komen als gemeente.
Kortom toch een wat deprimerende ervaring, ook al weet je, dat óók in deze stad, al kennen wij ze niet, er mensen zijn, die ondanks de vloedgolf van de propaganda trouw blijven, die weigeren zich te laten gelijk schakelen en het daarom zo moeilijk hebben.
Als we het museum verlaten en de stad weer inlopen, zien we achterom kijkend op de toren van deze voormalige kerk in het latijn de woorden: Soli Deo Honor et Gloria! Een slordigheid van de autoriteiten? Of zou toch niemand meer de betekenis van dit opschrift begrijpen en kan het daarom daar best blijven staan als een curiositeit uit het verleden?

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief