De vrouw in het ambt van diaken (1)
1986-03-14
Op de Landelijke Vergadering van Enschede hebben de afgevaardigden onlangs uitvoerig gesproken over het onderwerp "de vrouw in het ambt van diaken". De Landelijke Vergadering werd daarbij geholpen door een kleine kommissie, die een rapport over dit onderwerp had uitgebracht, Een rapport, dat echter in twee delen uiteenvalt: een meerderheid en een minderheidsrapport, Vanwege het belang van het onderwerp en de interesse daarvoor bij de lezers van ons blad leek het de redaktie een goede zaak dit rapport in Opbouw te publiceren.- Jaargang 30
- nummer 11
We beginnen met het meerderheidsrapport van J. F. Arends, F. van Deursen en J. D. Janse; vervolgens plaatsen we het minderheidsrapport van C. M. Breman en A. M. van Leeuwen; en tenslotte hopen we dan nog een artikel van prof. dr D. Holwerda te publiceren, zijnde een reaktie op het meerderheidsrapport.
De redaktie
J. F. Arends, F. van Deursen, J.D. Janse.
Meerderheidsrapport
Uw vergadering gaf ons de opdracht "ons te bezinnen ... ten aanzien van de vraag of het Schriftuurlijk verantwoord is zusters der gemeente te roepen tot de bediening van het diakenambt in Christus' kerk."
Dit vanwege een voorstel van de kerk te Amsterdam-Centrum dat de Landelijke Vergadering zal uitspreken "dat het een zaak van Christelijke vrijheid is, als een plaatselijke kerk onder biddend opzien tot de Heer een zuster tot het diakenambt roept."
De argumentatie, die deze kerk aanvoert, kan als volgt worden weergegeven: "In onze gemeente is (nog) geen overeenstemming van gevoelen t.a.v. de vrouwelijke ouderling."
Men heeft niet de vrijmoedigheid nl. om de apostolische voorschriften van 1 Kor. 14: 34-36 en 1 Tim. 2 : 11, 12 voor "tijdgebonden” te verklaren en voor ons zo niet meer geldig. Maar ten aanzien van de "Openstelling" van het diakenambt voor zusters ziet men de zaak toch anders liggen. Op de bedenking van zusterkerken "dat de figuur van de vrouwelijke diaken automatisch en met dwingende noodzaak gevolgd zal worden door die van de vrouwelijke ouderling"is het antwoord: bij ons in Amsterdam-C. is er een duidelijk onderscheid tussen het ambt van diaken aan de ene en dat van ouderling aan de andere kant. En wat het diakenambt betreft is er niet de moeilijkheid dat we Schriftuurlijke gegevens als "tijdgebonden" terzijde zouden moeten schuiven. Een tekst als 1 Tim. 3: 11 kan nl. als Schriftbewijs gelden voor de vrouwelijke diaken als ambtsdrager in Christus' gemeente. We kiezen dan weliswaar voor een bepaalde interpretatie, waartegenover ook een andere uitleg staat. Maar dat is iets anders dan "de nog onzekere sleutel van tijdgebondenheid te hanteren."
Op grond van deze stand van zaken vraagt de kerk van Amsterdam-C. of er dan niet althans plaatselijk vrijheid kan zijn om vrouwelijke diakenen aan te stellen en komt zij tot bovengenoemd voorstel.
Wij, de door u aangewezen commissieleden, hebben ons in deze materie verdiept en in een aantal bijeenkomsten onze gedachten naar voren gebracht, deels ook voorbereid en neergelegd in schriftelijke stukken.
Wij zijn niet de enigen, noch de eersten die zich met vragen als deze bezighouden en we hebben naar vermogen ook kennis genomen van wat daarover door anderen, in of buiten onze kring, is gepubliceerd. In onze bezinning en gedachtenwisseling bleek dat het punt in kwestie moeilijk valt los te maken uit heel het complex van vragen over de plaats van de vrouw in de kerk, de betekenis van de ambten, de verhouding ouderling-diaken: wat zegt de Schrift hierover en in hoeverre kunnen de Schriftgegevens in dezen in rekening worden gebracht als richtlijnen voor onze kerkelijke praktijk.
Gegevens, soms maar schaars en verschillend te interpreteren.
Het zal u niet verwonderen dat ook binnen de kring van de commissie verschil van inzicht naar voren kwam en dat het ons niet gelukt is in alles op één lijn te komen. Er is zodoende enige vrijmoedigheid voor nodig om te komen met een advies aan uw vergadering in een "kort en bondig" rapport nog wel.
Toch willen wij een poging wagen.
Waarbij de overtuiging die hier wordt voorgedragen niet aller onverdeelde instemming heeft.
Vrouwen doen mee
Wie de Schrift naleest, i.c. het Evangelie van onze Heer Jezus Christus en de brieven van zijn apostelen, moet wel onder de indruk komen van de grote plaats die gelovige vrouwen hebben ingenomen in het leven en werken van onze Heer en in de arbeid van zijn apostelen, in het midden van de christelijke gemeenten.
Te wijzen valt bv. op Lukas 8 : 1-3: de vrouwen die Jezus dienden, en bleven dienen na zijn dood. Zodoende werden zij de eerste getuigen van zijn opstanding (Luk. 23 : 55-24 : 30). Ook waren zij te vinden in de discipelkring, die biddend de Geest verwachtte (Hand. 1 : 14).
Wat de brieven betreft leze men b.v. Romeinen 16. Dit hoofdstuk begint met de verwijzing naar Febe's dienen van de gemeente te Kenohreae en haar bijstand verlenen aan velen. En verder vermeldt het nog van veel meer vrouwen, dat zij zich verdienstelijk hebben gemaakt voor de gemeente en de evangelieprediking.
We zullen echter, levend in een emancipatieklimaat, ons hebben te hoeden voor vertekening van dit beeld van meedoende, medewerkende vrouwen. Wat van dit meedoen wordt verteld, zal maatschappelijk. mogelijk zijn geweest. B.v. 't verlaten van 't huis om Jezus te volgen (Luk.), 't met de mannen bijeen zijn (Hand.), 't openstellen van eigen huis voor de gemeente (Hand. 12), voor vreemdelingen (Hand. 16 : 15, zie ook Rom. 16: 2).
De vrouw was toch kennelijk niet altijd zo'n verdrukt, afhankelijk wezen in die tijd als men wel wil doen voorkomen.
Wel zal de aandacht en eer voor de vrouw in de gemeenten verkwikkend zijn geweest, zonder echter revolutionair te zijn, in de zin van: nu eens macht en status verlenen aan vrouwen ...
Bij al haar meedoen en mee kunnen werken en leven in de gemeente zijn er voor vrouwen grenzen. Waar die worden overschreden, worden ze op de vingers getikt door de apostel (zie de bekende passages in 1 Kor. 11 en 14 en 1 Tim. 2).
Roeping tot een ambt
Gezien de vraag, die ons is voorgelegd: "is het Schriftuurlijk verantwoord zusters te roepen tot het diakenambt?" willen we nu nagaan of het bekleden van het diakenambt ook voorkomt, dan wel past, in het beeld dat de Schrift tekent van meedoende vrouwen. Of is hier nu zo'n grens, die niet overschreden werd of mocht worden? ' Hier kunnen we, naar onze overtuiging, niet volstaan met enkel te verwijzen naar Rom. 16: 1, waar Febe toch “xiiakonos" wordt genoemd, noch met een beroep op de mogelijkheid in 1 Tim. 3: 11 het woord "vrouwen" op te vatten als doelend op "vrouwelijke diakenen".
Als u spreekt in uw opdracht aan onze commissie van “zusters der gemeente roepen tot de bediening van het diakenambt in Christus' kerk (dik gedrukt van ons), dan staat u kennelijk voor ogen het diakenschap zoals dat in onze kerken, en die niet alleen, vigeert. Als een ambt. Een taak, waarvoor men speciaal geroepen wordt en waarmee men dan van Godswege belast is.
leder lid van de gemeente “moet zich schuldig weten zijn gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewillig en met vreugde aan te wenden", aldus de Heid. Cat. in antw. 55, met verwijzing o.a. naar 1 Kor. 12.
Maar de roeping tot het ambt geschiedt in de weg van Uitdrukkelijke aanwijzing, verkiezing, aanstelling. En dat tot een specifieke taak, die een bepaalde positie in de gemeente met zich brengt. Zie daarover art. 30 en 31 van de Nederlandse Gel. Belijdenis.
En zo vinden we dat ook in de Schrift.
Belangrijk is in dit verband te' letten op Hand. 14: 23: "en nadat zij voor hen in elke gemeente oudsten hadden aangewezen, droegen zij hen onder bidden en vasten de Here op in wie zij geloofden." Het behoort tot de "instituering" van de jonge gemeenten dat zij onder "oudsten" (of "opzieners", vergel. Hand. 20 : 17 en 28) worden gesteld, die daartoe uitdrukkelijk worden aangesteld. En deze "ambtsdragers" zijn als voor de gemeente verantwoordelijke instantie als, zodanig, onderscheiden van de andere leden, wèlke gaven die ook hebben en kunnen benutten in dienst van de gemeente.
In 1 Tim. 3 en Titus 1 lezen we weer van hun aanstelling en de voorwaarden waaraan zij moeten voldoen. En we hebben daar dan maar niet te maken met een "latere ontwikkeling", zoals wel wordt gesteld. Eerst was het: ieder doet mee naar zijn of haar gaven. Later werd het, als een 'soort verschraling en institutionalisering: ambtsdragers maken ' de dienst uit. Neen, van meet aan behoort 't tot 't patroon van de christelijke gemeenten dat er - bij alle gaven, krachten en diensten - mensen ;net een speciale verantwoordelijkheid zijn, die hun als een ambt is opgelegd.
Men kan er naar stáán, dit ambt begeren, maar niet ieder komt er voor in aanmerking. De kandidaat moet aan bepaalde eisen , voldoen, 1 Tim. 3, Titus 1. Daar blijkt dan ook, dat deze kandidaten mannen-broeders zijn.
Zusters komen blijkbaar niet in aanmerking.
Men kan dit vergelijken met de aanwijzing van een apostel in Hand. 1. Hoeveel vrouwen de Here ook gekend hebben van het begin aan en gevolgd zijn en getuige waren van zijn opstanding: het zijn alleen twee mannen, die in aanmerking komen, Hand. 1: 21.
En verder met Hand. 6, waar het ook,als vanzelfsprekend, weer zeven mannen zijn, die in aanmerking komen: "Ziet dan uit, broeders, naar zeven mannen… ".
En daar ging het nog wel om een taak in de verzorgingssfeer, een specifiek diakonale bezigheid.
Waarin juist ook vrouwen actief waren. Als de uitleg juist is, dat de weduwen die bij die kwestie worden genoemd, niet bedeelden maar bedelenden waren, actief in de dagelijkse bediening betrokken waren, resp. daarin betrokken wilden worden. Zie ook Hand. 9 : 39 (Dorcas).
Hoe het zij, ook over deze zaak in de verzorgende sfeer zijn het mannen die worden aangesteld, Dat vrouwen niet in aanmerking komen voor het ambt van oudste of opziener in de gemeente kàn men in verband zien met wat de apostel schrijft t.a.v. de vrouw in 1 Kor. 11 : 3 V.v., 14 : 34-36, 1 Tim. 2: 11 V.v. Toch verlieze men niet uit het oog, dat het daar gaat over uiterlijk voorkomen en optreden van zusters in de gemeentesamenkomsten. Dat is toch iets ànders dan roeping tot een ambt. Onderscheiden we dit niet, dan komen we makkelijk tot de redenering: Zusters komen niet voor het ambt van ouderling in aanmerking omdat dit lerend en regerend is, maar voor het diakenambt geldt dat zo niet, het is immers juist dienend en verzorgend, dus echt iets voor de vrouw. Dit lijkt ons een oneigenlijk argument. Uit Hand. 6 is af te leren dat dit niet opgaat. Het zijn weer als vanzelf mannen, die voor die diakonale taak worden aangezocht en aangewezen.
En in 1 Tim. 3 ligt de zaak naar onze mening niet anders. Vanouds wordt ons diakenambt teruggevoerd op de zeven mannen uit Hand. 6. Zo ook het bevestigingsformulier.
Wil men daaraan afdoen, een feit blijft, dat we in Filippenzen 1 : 1 en 1 Tim. 3 de diaken als ambtsdrager tegenkomen.
Hoe vaak "dàakonos" en "diakonia" en "diakonein" ook worden gebruikt voor dienaar, dienst en dienen in variërende zin - van de overheid als "dienaresse Gods", van Paulus als "dienaar" van het evangelie, (Kol. 1 : 27) en Epafras "een getrouw dienaar voor u van Christus (7) en Tyehikus "de getrouwe dienaar" (4 : 7) en zo meer ,- in de twee bovengenoemde Schriftplaatsen is het, toch blijkbaar de geijkte term voor een specifiek ambt naast dat van de opziener. Het past bij de tact, waarvan de hele brief naar Filippi getuigt, een gemeente waai men op rang en stand stond, dat de apostel in zijn adres heel correct de "kerkeraad" apart vermeldt.
Opzieners en diakenen staan in dit adres samen als de ambtsdragers onderscheiden van alle heiligen.
Zo nu vinden we ze ook in 1 Tim. 3 naast elkaar.
Op de eisen voor de opziener volgen die voor diakenen, even uitvoerig en stringent. "Laat ook dezen getoetst worden eerst, dan pas mogen zij diaken zijn, als er iets tegen hen in te brengen is." vs. 10. Dat wijst op een ambt, net als bij de opzieners, waartoe men uitgekozen, aangewezen, aangesteld moet worden.
Ben verantwoordelijke positie in de gemeente van Christus. Diakenen moeten dan ook, evenals geldt voor opzieners, hun eigen huis goed leiding weten te geven (vs. 12). Ook hebben zij vrijmoedigheid nodig om te spreken in het geloof in Christus Jezus (vs. 13)